Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA9726

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
06/580502-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor gewapende overval op Centerparcs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/580502-06

Uitspraak d.d.: 17 juli 2007

tegenspraak/ oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1985,

wonende te [adres en plaats]

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2007.

Ter terechtzitting gegeven beslissingen

Ter terechtzitting zijn de volgende beslissingen gegeven:

Het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis is afgewezen. Het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis is toegewezen.

De vordering nadere omschrijving tenlastelegging (artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering) is toegewezen.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 oktober 2006 te Zeewolde tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer L] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld

(9.200 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Action Factory en/of Center Parcs, in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader een bivakmuts

over zijn/hun hoofd droeg(en) en/of [slachtoffer M] klem heeft/hebben gezet en/of

die [slachtoffer M] heeft/hebben (weg)geduwd en/of (vervolgens) een pistool, althans

een wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer L]

en/of [slachtoffer M] heeft/hebben gericht, althans duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer L] en/of

[slachtoffer M] een pistool/wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

heeft/hebben vastgehouden;

(incident 13)

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het tenlastegelegde bewezen geacht en heeft daarbij de volgende feiten en omstandigheden genoemd.

De aangiften van de medewerkers [slachtoffer L] en [slachtoffer M], waarin onder meer een zilverkleurig wapen genoemd wordt.

Medeverdachte [naam] beschikte naar eigen zeggen over een zilverkleurig (nep)pistool.

De aanvullende verklaring van [slachtoffer L], die verklaard heeft dat tegelijkertijd met haar een jongen genaamd [medeverdachte A] is aangenomen.

Het feit dat medeverdachte [medeverdachte A] werkzaam is geweest bij de Eemhof, dat uit getuigenverhoren naar voren komt dat [medeverdachte A] bekend was met de afstortingsprocedure en dat er kasverschillen waren op de momenten dat hij aan het werk was en hem daarom geadviseerd is ontslag te nemen, hetgeen ook gebeurd is.

De verklaring van [medeverdachte B] die van [medeverdachte A] gehoord had dat deze [medeverdachte A] met [naam], die later [naam verdachte] blijkt te zijn, een overval had gepleegd op de Eemhof. [medeverdachte B] herkent verdachte van een foto. [medeverdachte A] had over de buit verteld, over zijn ontslag bij Centerparcs en over de wijze waarop de overval gepleegd was.

De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de overeenkomsten tussen de verklaring van [medeverdachte B] en de aangiften wat betreft de modus operandi.

Verdachte en [medeverdachte A] kenden elkaar.

De omstandigheid dat [medeverdachte A] de meeste feiten heeft erkend maar niet de feiten die hij mogelijk met [verdachte] zou hebben gepleegd.

De verklaring van [medeverdachte A] dat [verdachte] een crimineel is, die nooit zal toegeven dat hij overvallen heeft gepleegd.

De verklaring van verdachte dat hij aan het werk zou zijn geweest, hetgeen na onderzoek niet het geval blijkt te zijn. Evenmin is gebleken dat verdachte ten tijde van het feit gedetineerd is geweest.

Het ontbreken van een alibi voor [verdachte] en [medeverdachte A].

De vele contacten tussen de mobiele telefoon van [medeverdachte A] en [verdachte] tussen 20 oktober en 22 oktober 2006 en het ontbreken van die contacten ten tijde van de overval.

De officier van justitie heeft voorts gewezen op de belastende CIE-informatie.

Standpunt van de raadsman

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het enige bewijs van mogelijke betrokkenheid van zijn cliënt bestaat uit de verklaring van [medeverdachte B]; die verklaring dient echter wegens haar onbetrouwbaarheid uitgesloten te worden van het bewijs.

Met betrekking tot de uitkomsten van het onderzoek naar de mobiele telefoon van verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat deze uitkomsten de verklaring van [medeverdachte B] niet bevestigen en dat uit de analyse van de historische printgegevens blijkt dat de telefoon op tijdstippen rond de overval werd gebruikt en dat telefoonpalen in Harderwijk werden aangestraald.

Vrijspraak

De rechtbank acht onvoldoende wettig bewijs voorhanden voor betrokkenheid van verdachte bij het ten laste feit.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij dat de directe betrokkenheid van verdachte slechts zou kunnen blijken uit de de auditu verklaring van [medeverdachte B]. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor een bewezenverklaring. De rechtbank is met de raadsman van mening dat de analyse van de historische printgegevens geen bewijs oplevert voor betrokkenheid van verdachte bij het feit.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. De Bie, voorzitter, mrs. Van der Hooft en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Bruijn, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juli 2007.

Mr. Follender Grossfeld is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.