Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA8992

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
06-920017-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf voor belastingontduiking en witwassen

Verdachte heeft zich gedurende vele jaren op listige en grootschalige wijze heeft schuldig gemaakt aan(mede) op eigen voordeel gerichte belastingfraude, waarbij hij zijn verantwoordelijke positie als directielid grovelijk heeft misbruikt.

Gebleken is voorts dat verdachte zich in dit verband persoonlijk sterk heeft bemoeid met het onderzoeken en/of tot stand brengen van voor belastingontduiking geëigende structuren.

artikelen

- 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 51, 57, 91, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 (oud) en 69 (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/920017-04

Uitspraak d.d.: 26 juni 2007

Tegenspraak

VERKORT VONNIS

In de zaak tegen:

[naam],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [plaats],

wonende te [plaats] (België), [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 januari 2007 en 12 juni 2007, en het op 13 februari 2007 gewezen tussenvonnis.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[naam A B.V.]. in de of omstreeks de periode van 20 maart 1996 tot en met 8 januari 2004, in de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte voor de Vennootschapsbelasting

over de/het ja(a)r(en) 1994 en/of 1995 en/of 1996 en/of 1997 en/of 1998 en/of 1999 en/of 2000 en/of 2001 en/of 2002, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan aan de Inspecteur der belastingen / de

Belastingdienst, terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuisthe(i)d(en) of onvolledighe(i)d(en) (telkens) hierin bestaan, dat in genoemd(e) aangiftebiljet(ten) over die/dat ja(a)r(en) (een) onjuist(e)bedrag(en) aan ondernemingswinst, althans (een) te laag bedrag(en) aan vennootschapsbelasting was/waren vermeld / opgegeven / aangegeven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[naam B. B.V.] en/of [naam C B.V.] en/of [naam D B.V.]. en/of [naam E B.V.]., in of omstreeks de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 januari 2004, in de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte voor de Omzetbelasting over een of meer maanden in de/het ja(a)r(en) 1996 en/of 1997 en/of 1998 en/of

1999 en/of 2000 en/of 2001 en/of 2002 en/of 2003, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan aan de Inspecteur der belastingen / de Belastingdienst, terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuisthe(i)d(en) of onvolledighe(i)d(en) (telkens) hierin bestaan, dat in genoemd(e) aangiftebiljet(ten) over die/dat tijdvak(ken) een onjuiste omzet was/waren vermeld / opgegeven / aangegeven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 18 september 2004, in de gemeente(n) Vaassen en/of Apeldoorn en/of Epe en/of Amersfoort en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meerdere kasboek(en) van [naam B. B.V.] en/of [naam C B.V.] en/of [naam D B.V.]. en/of [naam E B.V.]., althans enig(e) document(en), zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, met het oogmerk om die/dat kasboek(en), althans enig(e) document(en), als echt en onvervalst te gebruiken en/of te doen gebruiken, en bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat de in dat/die kasboek(en) vermelde omzet opzettelijk te laag is weergegeven, daar niet alle contante verkopen worden geboekt in de administratie;

4.

hij op een of verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 1998 tot en met 30 november 2002, in de gemeente Vaassen en/of Apeldoorn en/of Nijmegen en/of Amersfoort, althans in Nederland, en/of Geel en/of Opglabbeek, althans in Belgie, tezamen en in vereniging met een andere of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een), hierna te noemen, factu(u)r(en) die door

Pendragon Management Limited zijn verzonden aan [naam A. B.V.], met factuurnummer [nummer], en Repensio B.V., met factuurnummer(s) [nummers], terzake de oprichting en de instandhouding van River City Ltd en/of Tower Town Ltd, (elk) zijnde (een) geschrift(en)

dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, met het oogmerk om die factu(u)r(en), als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door anderen te doen gebruiken, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader, valselijk en in strijd met de waarheid, op de factu(u)r(en), die door Pendragon Management Limited zijn verzonden aan [naam A. B.V.], met factuurnummer [nummer], en Repensio B.V., met factuurnummer(s)

[nummers], doen vermelden -zakelijk weergegeven- dat de/het te betalen factuurbedrag(en) slechts is voor de verrichtte werkzaamheden terzake de oprichting en de instandhouding van River City Ltd en/of Tower Town Ltd , terwijl tevens werkzaamheden zijn

verricht, en kosten zijn gemaakt, terzake de oprichting en de instandhouding van Xibili Ltd en/of Caduceus Ltd;

5.

hij in of omstreeks de periode van 3 april 1998 tot en met 24 maart 2003, in de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte voor de Inkomstenbelasting / Premie

Volksverzekeringen over de/het ja(a)r(en) 1997 en/of 1998 en/of 1999 en/of 2000 en/of 2001en/of 2002, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan aan de Inspecteur der belastingen / de Belastingdienst, terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in genoemd aangiftebiljet over die/dat ja(a)r(en) (telkens) een te laag bedrag als uitkering van dividend, althans een te laag bedrag aan inkomsten uit arbeid en/of vermogen en/of uitkeringen, althans een te laag belastbaar inkomen, was/waren vermeld / opgegeven / aangegeven;

6.

hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in de periode van 14 december 2001 tot en met 21 september 2004, in de gemeente(n) Vaassen en/of Apeldoorn en/of Zutphen en/of Lochem, althans in Nederland, en/of Lugano, althans in Zwitserland, en/of Turnhout, althans in Belgie, en/of Monaco,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van een of meer geldbedrag(en), althans enig(e) voorwerp(en), de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing hebben/heeft verborgen en/of hebben/heeft doen verbergen en/of hebben/heeft verhuld en/of hebben/heeft doen verhullen, dan wel de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en), althans enig(e) voorwerp(en), hebben/heeft verborgen en/of hebben/heeft doen verbergen en/of hebben/heeft verhuld en/of hebben/heeft doen verhullen en/of die/dat geldbedrag(en) voornoemd, althans enig(e) voorwerp(en), voorhanden hebben/heeft gehad en/of

voorhanden hebben/heeft doen hebben, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wisten/wist dat bovengenoemde geldbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren/was van fiscale

strafbare feiten en/of het opzettelijk valselijk opmaken van kasboeken (zoals onder 3e ten laste gelegd), in elk geval afkomstig van enig misdrijf, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de afgeroomde bedrijfsomzet(ten) en/of provisie(s) buiten de administratie van [naam A B.V.]. gehouden en/of doen houden en/of de bedrijfsomzet(ten) en/of provisie(s) niet werden aangegeven in de aangifte(n) Vennootschapsbelasting en/of de aangifte(n) Omzetbelasting en/of de aangifte(n) Inkomstenbelasting, al dan niet met tussenkomst van Fiduciaria Meyer & Partners S.A. te Lugano, op een of meer bankrekening(en) bij een of meer Zwitserse en/of Duitse en/of Monagaskische bank(en) geopend, waarop op een of meerdere tijdstip(pen) een of meer geldbedrag(en) afkomstig van enig misdrijf, waren/was gestort.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

Door verdachtes raadsman is ten verwere aangevoerd, dat de officier van justitie ten onrechte heeft nagelaten bij het onder 2 ten laste gelegde telkens per aangifte cijfermatig te vermelden in hoeverre de omzet te laag werd aangegeven.

Voor het geval dit verweer mocht strekken tot (partiele) nietigverklaring van de dagvaarding wordt het door de rechtbank verworpen.

Zij is van oordeel dat het ten laste gelegde voldoende feitelijke informatie bevat en ook overigens voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Cijfermatige precisering is daarvoor in beginsel niet noodzakelijk en bij vervolging van belastingdelicten zelfs ongebruikelijk. De raadsman lijkt dit laatste ook impliciet te onderstrepen door zijn verweer niet mede te betrekken op het onder 1 en 5 ten laste gelegde.

Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft ambtshalve haar bevoegdheid onderzocht met betrekking tot het buitenlandse deel van het onder 6 ten laste gelegde.

Gelet op artikel 5, eerste lid, onder 2° van het Wetboek van Strafrecht is zij van oordeel, dat haar terzake bevoegdheid toekomt, nu het ten laste gelegde ziet op het Nederlandse misdrijf witwassen (artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht) en aangenomen moet worden, dat zodanig handelen ook strafbaar was en is gesteld in België, Monaco en Zwitserland, ingevolge de gebondenheid van deze staten aan het op 8 november 1990 te Straatsburg gesloten Europees verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder

1 t/m 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[naam A B.V.]. in de periode van 20 maart 1996 tot en met 8 januari 2004, in de gemeente Apeldoorn, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte voor de Vennootschapsbelasting over de jaren 1994 en 1995 en 1996 en 1997 en 1998 en 1999 en 2000 en 2001 en 2002, onjuist heeft gedaan aan de Inspecteur der belastingen / de belastingdienst, terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheden hierin bestaan, dat in genoemde aangiftebiljetten over die jaren een te laag bedrag aan vennootschapsbelasting was aangegeven, aan welke vorenomschreven verboden gedragingen verdachte tezamen en in vereniging met een ander, feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[naam B. B.V.] en [naam C B.V.] en [naam D B.V.]. en [naam E B.V.]., in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 januari 2004,in de gemeente Apeldoorn, telkens opzettelijk een of meer bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte voor de Omzetbelasting over een of meer maanden in de jaren 1996 en 1997 en 1998 en 1999 en 2000 en 2001 en 2002 en 2003, onjuist heeft gedaan aan de Inspecteur der belastingen / de belastingdienst, terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheden telkens hierin bestaan, dat in genoemde aangiftebiljetten over die tijdvakken een onjuiste omzet was aangegeven, aan welke vorenomschreven verboden gedragingen verdachte tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 18 september 2004, in de gemeenten Apeldoorn en Epe en Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk kasboeken van [naam B. B.V.] en [naam C B.V.] en [naam D B.V.]. en [naam E B.V.]., zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die kasboeken als echt en onvervalst te gebruiken en te doen gebruiken, en bestaande die valsheid hierin dat de in die kasboeken vermelde omzet opzettelijk te laag is weergegeven, daar niet alle contante verkopen worden geboekt in de administratie;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 1998 tot en met 30 november 2002, in de gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk hierna te noemen facturen die door Pendragon Management Limited zijn verzonden aan [naam A. B.V.], met factuurnummer [nummer], en aan Repensio B.V., met factuurnummers [nummers]8, ter zake de oprichting en de instandhouding van River City Ltd en Tower Town Ltd, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft doen opmaken, met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader, valselijk en in strijd met de waarheid, op de facturen, die door Pendragon Management Limited zijn verzonden aan [naam A. B.V.], met factuurnummer [nummer], en aan Repensio B.V., met factuurnummers [nummers]8, doen vermelden -zakelijk weergegeven- dat de te betalen factuurbedragen zijn voor de verrichtte werkzaamheden ter zake de oprichting en de instandhouding van River City Ltd en Tower Town Ltd , terwijl tevens werkzaamheden zijn verricht, en kosten zijn gemaakt, ter zake de oprichting en de instandhouding van Xibili Ltd en Caduceus Ltd;

5.

hij in de periode van 3 april 1998 tot en met 24 maart 2003, in de gemeente Apeldoorn telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte voor de Inkomstenbelasting / Premie

Volksverzekeringen over de jaren 1997 en 1998 en 1999 en 2000 en 2001 en 2002, onjuist heeft gedaan aan de Inspecteur der belastingen / de Belastingdienst, terwijl daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of dat feit/die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid hierin bestaan, dat in genoemd aangiftebiljet over die jaren telkens een te laag belastbaar inkomen, was aangegeven;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 14 december 2001 tot en met 21 september 2004,in Vaassen en de gemeenten Apeldoorn en Zutphen en Lochem en Lugano en Turnhout en Monaco, tezamen en in vereniging met anderen, telkens van geldbedragen de werkelijke herkomst en de verplaatsing hebben verborgen en hebben doen verbergen en hebben verhuld en hebben doen verhullen, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovengenoemde geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren van enig misdrijf, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de afgeroomde bedrijfsomzetten en provisies buiten de administratie van [naam A B.V.]. gehouden en al dan niet met tussenkomst van Fiduciaria Meyer & Partners S.A. te Lugano, op bankrekeningen bij Zwitserse en Duitse en Monegaskische banken geopend, waarop op meerdere tijdstippen geldbedragen afkomstig van enig misdrijf, waren gestort.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte be¬hoort daarvan te worden vrijgesproken.

Overwegingen omtrent het bewezenverklaarde

Ter toelichting op het bewezenverklaarde overweegt de rechtbank mede naar aanleiding van de door de raadsman aangevoerde (bewijs)verweren, het volgende.

Aangaande de feiten 1 t/m 3

Uit het onderzoek is onder meer het volgende naar voren gekomen:

- dat verdachte en zijn medeverdachte (hierna: verdachten) als directeuren en controlerende aandeelhouders van [naam A B.V.]., gewoon waren het in de winkels van de dochtervennootschappen ontvangen kasgeld (contante omzet) tezamen met de kassacontrolerollen wekelijks zelf op te halen en vervolgens zelf zorg te dragen voor afstorting en inboeking in de centrale kas respectievelijk de (kas)administratie van [naam A. B.V.];

- dat in bedoelde winkels de kasadministratie uitsluitend belichaamd werd in de kassarollen en dat de kascontrole geheel werd overgelaten aan verdachten, zonder dat dit aanleiding gaf tot problemen met het personeel omtrent kastekorten of iets dergelijks;

- dat de administratie van [naam A. B.V.] betreffende de onderzoeksperiode in die zin onvolledig is gebleken, dat aangaande het jaar 2001 alle en aangaande de overige jaren wisselende aantallen kassarollen ontbreken;

- dat de administratie van [naam A. B.V.] betreffende de onderzoeksperiode bovendien (onder meer) in die zin onjuist is gebleken, dat de als kasgeldstorting vermelde bedragen – in die gevallen waar deze gelijk zouden moeten zijn aan de totaaltelling (z-afslag) van de corresponderende kassarol - vrijwel steeds substantieel lager blijken te liggen;

- dat op een in de administratie van [naam A. B.V.] aangetroffen notitie, betreffende de op 18 september 2004 op € 4.650,85 berekende weekomzet van de vestiging Amersfoort, met de pen is bijgeschreven “geboekt € 3.650” en dat dit laatste bedrag overeenstemt met de administratie van [naam A. B.V.];

- dat verdachten tegenover de Nederlandse belastingdienst geen melding hebben gemaakt van aanzienlijke buitenlandse banktegoeden/beleggingen, tot welke zij in de onderzoeksperiode direct of middellijk gerechtigd waren;

- dat verdachten deze buitenlandse tegoeden (deels) hebben benut voor de financiering en uitbouw van het [naam A. B.V.]-concern, waartoe zij via een netwerk van door hen gecontroleerde buitenlandse vennootschappen rentedragende leningen lieten verstrekken;

- dat verdachten omtrent de herkomst van deze buitenlandse tegoeden geen (onderbouwde) verklaring hebben gegeven, maar dat een deel daarvan kan worden herleid tot in de onderzoeksperiode contant in het buitenland gedane stortingen;

- dat een familielid van verdachten op grond van zijn voormalige betrokkenheid bij [naam A. B.V.] uit eigen wetenschap tegenover de FIOD heeft verklaard omtrent de praktijken van verdachten, waaronder hun streven een deel van de contante omzet systematisch af te romen, buiten de boeken te houden en naar de buitenlandse privésfeer over te brengen;

- de omstandigheid dat bij een dergelijke handelwijze de boekhoudkundige voorraadwaardering problematisch wordt, strookt met de bevinding dat [naam A. B.V.] in de jaarstukken en aangiftes haar voorraadpositie fiscaal steeds heeft gewaardeerd op basis van een sluitpostberekening, die geheel losstond van de werkelijke omvang en waarde van de voorraad.

Naar het oordeel van de rechtbank laten de op een en ander betrekking hebbende bewijsmiddelen, in samenhang met de zwijgzame opstelling van verdachten, in redelijkheid geen andere conclusie en vaststelling toe, dan dat verdachten in nauwe en volledige samenwerking in elk van de ten laste gelegde belastingtijdvakken zijn doorgegaan met het als voormeld afromen van de contante omzet, zulks met het doel het afgeroomde deel telkens in de buitenlandse privésfeer te brengen en volledig aan belastingheffing te onttrekken.

Aangaande feit 4

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de betrokken facturen niet alleen onvolledig, maar ook vals zijn, nu uit het onderzoek is gebleken, dat in dit geval sprake is van opzettelijke onvolledigheid, door verdachten bedoeld om het bestaan van de vennootschappen Xibili Ltd. en Caduceus Ltd. alsmede de eigen positie en invloed binnen het netwerk van buitenlandse vennootschappen, zo veel mogelijk te verhullen.

Aangaande feit 5

Zoals uit de stukken blijkt heeft verdachte steeds per brief gereageerd op de hem door de belastingdienst toegezonden aangiftebiljetten. Wijzend op het door hem gestelde Belgische domicilie heeft hij daarbij steeds opgaaf gedaan van zijn in Nederland uit dienstbetrekking bij [naam B. B.V.] genoten loon, onder bijsluiting van een van dit bedrijf afkomstige jaaropgave en onder vermelding dat andere inkomsten in Nederland niet waren genoten.

Blijkens de jurisprudentie kan de inspecteur een dergelijke inhoudelijke en gedocumenteerde reactie aanmerken en behandelen als een aangifte, is dat ook telkenmale gebeurd en aan verdachte niet ontgaan, nu hij op cijfermatige gronden bezwaar maakte tegen een over het jaar 1999 opgelegde aanslag.

Niet van belang is daarom dat verdachte de aangiftebiljetten niet ingevuld en niet ondertekend terugzond dan wel terugzending geheel achterwege liet. Verdachte was als binnenlands dan wel buitenlands belastingplichtige (artikelen 2.1 en 7.1 van de Wet op de inkomstenbelasting) aangifteplichtig nu hij door voormelde toezending tot het doen van aangifte werd uitgenodigd (artikelen 6 en 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).

Uit het eerderoverwogene vloeit voort, dat verdachte in Nederland ook ander inkomen genoot dan het in de jaaropgaven vermelde loon, dat hij dit andere inkomen ontkende/verzweeg en dat zijn aangiftes dus opzettelijk onjuist waren.

Als van niet doorslaggevende aard kan de rechtbank bij dit alles nog in het midden laten of verdachtes Belgische woonplaats wel reëel was en /of de ‘tijdelijke overboeking’ van € 250.0000,-- naar verdachtes bankrekening moet worden begrepen in de door verdachte verzwegen andere inkomsten.

Aangaande feit 6

Uit hetgeen aangaande feiten 1 t/m 3 is overwogen en vastgesteld vloeit voort, dat de herkomst van de betrokken gelden (ten minste deels) moet zijn gelegen in het door verdachten als voormeld te eigen bate afromen van de contante omzet van [naam A. B.V.], zodat tevens kan worden vastgesteld dat die gelden in zoverre afkomstig waren uit het (door verdachten begane) misdrijf medeplegen van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

- feiten 1 en 2 telkens:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon,

terwijl verdachte tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

en

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon,

terwijl verdachte tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

- feiten 3 en 4 telkens:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- feit 5:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd;

en

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

- feit 6:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aanne¬melijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Omvang van het veroorzaakte nadeel

Vastgesteld kan worden dat de eventuele schade voortvloeiend uit het onder 4 en 6 bewezenverklaarde niet berekenbaar is, dat het fiscale nadeel voortvloeiend uit het overigens bewezenverklaarde zeer is omstreden en dat de omvang daarvan uitsluitend van belang kan zijn als een der factoren bij de straftoemeting.

Bij het begroten en hanteren van deze factor is de rechtbank niet gebonden aan strafvorderlijke bewijsvoorschriften en dient zij geen exactheid, maar wel behoedzaamheid te betrachten, nu omtrent de onderhavige belastingverplichtingen het bestuurlijke debat nog moet beginnen althans nog niet heeft geleid tot enige houvast gevende uitkomst.

Uitgaande van al het vorenoverwogene is de rechtbank weliswaar van oordeel, dat ook bij voorzichtige schatting van het veroorzaakte fiscale nadeel, voldoende grond bestaat voor de door de raadsman ten principale bestreden extrapolatie, maar meent zij anderzijds dat de daarbij door de FIOD gehanteerde methodiek op een te smalle basis berust en ten onrechte geen (onvoldoende) rekening houdt met de niet verwaarloosbare mogelijkheid, dat het niet in enige aangifte betrokken buitenlandse vermogen van verdachten (deels) is ontstaan uit beleggingsopbrengsten en/of uit voor de delictsperiode ‘zwart’ genoten inkomen.

De rechtbank ziet daarom aanleiding voor de schatting van het fiscale nadeel aansluiting te zoeken bij de verklaring, die bij de rechter-commissaris is afgelegd door de op verzoek van verdachten gehoorde deskundige drs. M.H.M. Smeets. Op basis van een bredere extrapolatiegrondslag begroot deze het aan de omzetfraude gerelateerde fiscale nadeel aanmerkelijk lager dan de FIOD, namelijk op

€ 1.200.000,=.

Tenslotte verdient opmerking, dat de rechtbank geen grond ziet voor strafrechtelijk verwijt inzake de door verdachten gebezigde voorraadwaarderingsmethode, nu deze methode – wat daarvan ook zij – op zichzelf niet heeft geleid tot strafbare/belastbare onttrekkingen en bovendien moet worden geconcludeerd, dat de belastingdienst met deze zichtbaar gebezigde voorraadwaarderingsmethode reeds zeer lang bekend was en daartegen niet corrigerend is opgetreden voor de aanvang van het op verdachten betrekking hebbende onderzoek.

Redelijke termijn

De rechtbank verwerpt het door de raadsman aangevoerde verweer betreffende de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, nu zij van oordeel is dat het beginpunt van deze termijn niet samenvalt met het tijdstip van de in deze strafzaak verrichte doorzoeking(en), maar met het latere tijdstip van verdachtes aanhouding op 4 juli 2005. Voordien bestond voor verdachte onvoldoende grond ervan uit te gaan, dat hij daadwerkelijk zou worden vervolgd voor de onderhavige feiten.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft, de ten laste gelegde strafbare feiten alle bewezen achtend, gevorderd verdachte ter zake te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen¬verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het bijzonder overwogen, dat geen andere bestraffing in aanmerking komt dan oplegging van een, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf van aanmerkelijke duur, zulks gelet op de aard, ernst, omvang en gevolgen van het bewezenverklaarde enerzijds en op de noodzaak van krachtige normbevestiging in samenhang met de strafdoelen van generale en speciale preventie anderzijds.

Uit het eerderoverwogene komt immers naar voren, dat verdachte zich gedurende vele jaren op listige en grootschalige wijze heeft schuldig gemaakt aan(mede) op eigen voordeel gerichte belastingfraude, waarbij hij zijn verantwoordelijke positie als directielid van [naam A B.V.]. grovelijk heeft misbruikt.

Gebleken is voorts dat verdachte zich in dit verband persoonlijk sterk heeft bemoeid met het onderzoeken en/of tot stand brengen van voor belastingontduiking geëigende structuren.

Mede als gevolg van verdachtes handelen zijn aan de Staat aanzienlijke belastingbedragen onthouden en zijn, naar valt aan te nemen, bovendien binnen de bedrijfstak van het [naam A. B.V.]-concern de gezonde concurrentieverhoudingen geschaad. Tenslotte valt niet uit te sluiten dat, als gevolg van de inmiddels ook voor dit concern gerezen belastingproblematiek, de positie van het daarbinnen werkzame personeel onder druk zal komen te staan.

Naast de omstandigheid dat verdachte nog niet eerder met justitie in aanraking kwam heeft de rechtbank anderzijds laten medewegen, dat zij voor de straftoemeting meent te moeten uitgaan van een aanzienlijk lager benadelingsbedrag dan de officier van justitie aan zijn strafeis ten grondslag heeft gelegd.

De rechtbank komt daarom tot oplegging van een kortere gevangenisstraf dan de gevorderde,

waarbij zij ten aanzien van verdachte bovendien nog heeft verdisconteerd, dat het door hem in de privésfeer genoten voordeel en de daarover ontdoken belasting, naar het zich laat aanzien op een (aanmerkelijk) lager niveau liggen dan bij de medeverdachte.

Toepasselijke wetsartikelen

De oplegging van straf is gegrond op de artikelen:

- 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 51, 57, 91, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 (oud) en 69 (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 t/m 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet zal worden tenuitvoerge¬legd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroor¬deelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering

doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Van Harreveld, voorzitter, De Bie en Van de Wetering, rechters,

in tegenwoordigheid van Wiering, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting

van 26 juni 2007.