Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA7799

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
85865 JE RK 07-384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing door de kinderrechter als bestuursrechter in zaken die verband houden met beslissingen die strekken tot zorg in het kader van de gezinsvoogdij. Verzoek ouders om inzage dossiers minderjarige kinderen, van wie de oudste ouder dan 16 is. Bevoegdheid kinderrechter gelet op de wetsgeschiedenis; mandaat; niet nemen van beslissing op bezwaar; wie is verwerende partij? Geen voor bezwaar en beroep vatbare besluiten ten aanzien van de jongste twee kinderen; niettemin had beslist moeten worden op bezwaar, dus beroep in zoverre kennelijk gegrond; zelf in de zaak voorzien. Ten aanzien van de oudste worden de ouders beschouwd als derden. Wel een besluit in de zin van de Awb, zodat verweerder alsnog dient te beslissen op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 85865 JE RK 07-384

uitspraak van de kinderrechter d.d. 15 juni 2007

in het geschil tussen:

1. A - B

2. A,

wonende te W,

eisers,

gemachtigde: J. Hop te Ermelo,

en

Stichting S, gevestigd te X,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Kramer, advocaat te Soest.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het niet tijdig nemen van een besluit op de bezwaarschriften van eisers van 9 augustus 2006.

2. Ontstaan en loop van de procedure

De procedure heeft betrekking op de drie dochters van eisers:

F A, geboren op … 1989 te Y,

G A, geboren op … 1992 te Y en

H A, geboren op … 1995 te Y.

Deze dochters zijn bij beschikking van de kinderrechter onder toezicht gesteld van verweerder. De ondertoezichtstelling wordt feitelijk uitgevoerd door T. Laatstelijk is de ondertoezichtstelling van G en H door het gerechtshof te X bij beschikking van 28 november 2006 verlengd tot 31 augustus 2007. De ondertoezichtstelling van F is laatstelijk door deze rechtbank bij beschikking van 30 augustus 2006 verlengd tot … 2007, op welke datum zij meerderjarig is geworden. Ook in de hier van belang zijnde periode was sprake van een ondertoezichtstelling ten aanzien van de drie dochters.

Op 5 april 2006 en 19 juni 2006 hebben eisers aan T te Amersfoort (hierna: T) verzocht om inzage in de dossiers van eisers dochters F A (hierna: F), G A (hierna: G) en H A (hierna: H).

Bij brief van 12 juli 2006 heeft T hierop beslist.

Tegen de inhoud van die brief hebben eisers bij brieven van 9 augustus 2006 bezwaar gemaakt.

Verweerder noch T heeft op deze bezwaarschriften besloten.

Op 15 september 2006 hebben eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit op elk van de drie bezwaarschriften beroep ingesteld bij de rechtbank Utrecht.

Bij uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 december 2006 zijn de drie zaken, alsmede een zestal andere zaken, verwezen naar deze rechtbank.

Mede namens verweerder is door T op 8 juni 2007 een verweerschrift ingezonden.

3. Motivering

Feiten

In de brief van 12 juli 2006 van T is onder meer het navolgende vermeld:

“Omdat F ouder dan zestien jaar is, zijn wij verplicht haar toestemming te vragen voor afgifte van het dossier. Zij heeft geen toestemming verleend, en daarom kunnen wij u haar dossier niet toezenden.

(…)

De dossiers van G en H zullen u worden toegezonden zodra wij van u de in het door ons gehanteerde privacy reglement vastgestelde vergoeding hebben ontvangen. Deze vergoeding bedraagt in uw geval € 22,50 gezien de omvang van het dossier (…)”

Standpunten van partijen

Eisers hebben bij T bezwaar tegen deze beslissing aangetekend in drie afzonderlijke bezwaarschriften. Zij stellen zich op het standpunt dat nu T niet binnen redelijke termijn op deze bezwaren heeft beslist, de bezwaarschriften heeft geretourneerd en, voor zover T niet bevoegd zou zijn, de bezwaarschriften niet heeft doorgestuurd naar het bevoegde orgaan, er alsnog beslist zal moeten worden op de ingediende bezwaarschriften. Zij verzoeken in beroep dat de kinderrechter zal bepalen dat alsnog op de bezwaarschriften dient te worden beslist.

T stelt zich, onder verwijzing naar het mandaatbesluit van verweerder van 24 december 2004, op het standpunt dat zij verwerende partij in deze zaak is, nu het niet gaat om een indicatiebesluit. Verweerder heeft bij brief van 6 juni 2007 te kennen gegeven - voor zover nodig - ermee in te stemmen dat T het verweer voert en dat dit zonodig kan worden opgevat als verweer van verweerder.

T wijst erop dat geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen besluiten die zijn opgenomen op de zogenoemde negatieve lijst bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor verweerder zijn alle beslissingen inzake de ondertoezichtstelling op basis van de artikelen 1:254 tot en met 265 Burgerlijk Wetboek uitgesloten, zodat geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. Evenmin kan sprake zijn van een bestuursrechtelijke toets door de kinderrechter, nu geen sprake is van een schriftelijke aanwijzing, de vaststelling van een omgangsregeling bij uithuisplaatsing of beëindiging van een uithuisplaatsing. Om die reden dienen eisers volgens T niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Een beslissing naar aanleiding van een verzoek om inzage en afschrift is gelet op artikel 105 Wet op de jeugdzorg (Wjz) aan te merken als een beslissing door een ander dan een bestuursorgaan, waardoor geen bezwaar in de zin van de Awb mogelijk is.

De verzoeken om informatie betreffen feitelijk verzoeken om inzage, waarop het privacyreglement van verweerder van toepassing is. In dergelijke zaken staat beroep op de

burgerlijke rechter open of kan het College ter Bescherming persoonsgegevens om bemiddeling of advies worden verzocht.

Overigens was F ten tijde van de aanvraag ouder dan zestien jaar en heeft zij geen toestemming gegeven voor de verstrekking van gegevens. Het belang van de andere kinderen verzet zich tegen het verstrekken van informatie. Als geoordeeld zou moeten worden dat het gaat om een indicatiebesluit, speelt dat ook daartegen geen bezwaar en beroep openstaat, nu sprake is van een ondertoezichtstelling, aldus T.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt (waaronder gelet op artikel 1 van die wet onder meer het verstrekken en verspreiden dient te worden gerekend) in een limitatief aantal gevallen. Dit betreft, naast een aantal met name genoemde gevallen waarin de gegevensverwerking noodzakelijk is, slechts de situatie waarin de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend.

Artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens luidt - voor zover van belang - als volgt:

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. (…)

Artikel 37, derde lid van de Wet bescherming persoonsgegevens bepaalt dat de verzoeken bedoeld in (onder meer) artikel 35 ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt worden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt dan eveneens aan hen.

Artikel 45 van de Wet bescherming persoonsgegevens (dat is opgenomen in hoofdstuk 8 van die wet) luidt - voor zover van belang - als volgt:

Een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, alsmede (…) gelden voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 46, eerste en tweede lid van de Wet bescherming persoonsgegevens luiden - voor zover van belang - als volgt:

1. Indien een beslissing als bedoeld in artikel 45 is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, toe of af te wijzen (…)

2. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke. Indien de verantwoordelijke niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift worden ingediend binnen zes weken na afloop van die termijn.

Artikel 105 Wjz bepaalt - voor zover van belang - onder meer dat een beslissing van een stichting op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, ook voor zover de stichting de beslissing heeft genomen als bestuursorgaan, voor de toepassing van hoofdstuk 8 van die wet, geldt als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Artikel 104, eerste lid Wjz luidt, voor zover van belang:

Onze Ministers kunnen (…) in de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, de kosten verwerken van de door de provincie te verstrekken subsidie aan het bureau jeugdzorg ten behoeve van de uitoefening van de voogdij, de ondertoezichtstelling of de taken bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d waarbij de taak wordt uitgevoerd door een persoon in dienst van een door Onze Ministers aan te wijzen instelling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Wet op de jeugdhulpverlening met een landelijk bereik die in het jaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet als instelling met een landelijk bereik subsidie ontving, voor zover dit nodig is om de continuïteit van de werkzaamheden van die instelling voor hun doelgroep te garanderen.

De kinderrechter oordeelt als volgt.

Bevoegdheid van de kinderrechter

Gelet op de over en weer ingenomen stellingen zal de kinderrechter allereerst dienen te overwegen of hij bevoegd is in deze zaak.

Er was ten tijde van de indiening van de beroepschriften sprake van een ondertoezicht-stelling van de drie dochters. Ingevolge artikel 5, vijfde lid Wjz is de kinderrechter bevoegd te oordelen over beslissingen die strekken tot zorg in het kader van de gezinsvoogdij. Eisers hebben de onderhavige procedure gevolgd, nu zij zich op het standpunt stellen dat zij opkomen tegen de inhoud van een brief die direct verband houdt met bedoelde zorg.

De bedoeling van de wetgever met voornoemde bepaling is geweest dat voorkomen moet worden dat in zaken als de onderhavige wanneer sprake is van een besluit in de zin van de Awb niet de kinderrechter, maar de bestuursrechter bevoegd zou zijn. Blijkens de nadere memorie van antwoord bij de behandeling van wetsvoorstel 28168 in de Eerste Kamer is beoogd een eenduidige rechtsgang te creëren. Dit is ook de reden dat besluiten in dit kader op de “negatieve lijst” bij artikel 8:5 Awb zijn geplaatst: voorkomen moet worden dat er twee rechtsingangen zijn. De negatieve lijst beoogt derhalve niet de rechtsgang naar de kinderrechter af te sluiten.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de kinderrechter mee dat hij bevoegd is van alle zaken die verband houden met de ondertoezichtstelling en indicatiebesluiten kennis te nemen.

Nu de rechtbank Utrecht de zaken bij uitspraak van 13 december 2006 heeft doorverwezen naar deze rechtbank zal de kinderrechter niet treden in de juistheid van deze doorverwijzing.

De positie van verweerder

Gelet op het feit dat wordt opgekomen tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op bezwaar, hetgeen gelet op het bepaalde in artikel 6:2 van de Awb gelijkgesteld wordt met een beslissing op bezwaar, zal de kinderrechter met toepassing van het bestuursrecht op de zaak beslissen.

Anders dan T is de kinderrechter van oordeel dat de stichting S de verwerende partij is. Dit hangt samen met het bepaalde in artikel 10:3, derde lid van de Awb:

Mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift wordt niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

Deze bepaling brengt mee dat nu eisers zich op het standpunt stelden dat sprake was van een besluit in de zin van de Awb, terwijl T handelt krachtens mandaat van verweerder, T niet bevoegd was op de bezwaarschriften te beslissen en derhalve evenmin om zich een oordeel te vormen over de vraag of sprake was van een besluit. Nu niet gebleken is dat de bevoegdheid tot het nemen van een beslissing op bezwaar aan een ander is gemandateerd, diende verweerder op de bezwaarschriften te beslissen. Het niet nemen van een beslissing op bezwaar is in dat licht aan S toe te rekenen, zodat zij als verweerder heeft te gelden.

Nu T blijkens de brief van verweerder van 6 juni 2007 mede namens verweerder verweer heeft gevoerd, zal de kinderrechter het verweerschrift als zodanig beschouwen.

Inhoudelijke toetsing

Verweerder heeft aangevoerd dat tegen de brief van 12 juli 2006 geen bezwaar en beroep mogelijk is, gelet op het bepaalde in artikel 105 Wjz.

De kinderrechter is van oordeel dat de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing is op de verzoeken van eisers, nu de inhoud van de dossiers van de dochters persoonsgegevens betreft, die zijn vastgelegd door T.

De verzoeken van eisers om inzage in de dossiers van G en H moeten gelet op het bepaalde in artikel 37, derde lid van die wet worden beschouwd als verzoeken van betrokkenen en vallen dan ook onder de reikwijdte van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Gelet op het bepaalde in artikel 105 Wjz in combinatie met artikel 45 van de Wet bescherming persoonsgegevens is geen sprake van een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat op grond van de Awb. Voor zover eisers beoogd hebben het verzoek als bedoeld in artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens te doen, is dit verzoek buiten de in dat artikel genoemde termijn gedaan. Voor zover zij opkomen tegen het feit dat ondanks betaling van het door T genoemde bedrag geen inzage is verstrekt, betreft dit een feitelijke handeling en geen besluit.

Het voorgaande brengt mee dat verweerder de bezwaren die betrekking hebben op G en H niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, nu deze niet gericht waren tegen een besluit waartegen bezwaar openstond. Aangezien verweerder dit niet heeft gedaan, maar in het geheel niet heeft beslist op de bezwaarschriften, is het beroep in zoverre kennelijk gegrond, gelet op het feit dat artikel 7:10 Awb voor het beslissen op bezwaar een termijn van zes weken geeft, eventueel te verdagen met vier weken. Deze termijn is inmiddels ruimschoots verstreken.

Met betrekking tot het verzoek om inzage in het dossier van F moet het verzoek van eisers worden beschouwd als het verzoek van een derde. De Wet bescherming persoonsgegevens biedt aan derden slechts recht op verstrekking van persoonsgegevens in de gevallen beschreven in artikel 8. Het verzoek van de ouders dient dan ook als zodanig te worden beschouwd. Artikel 105 Wjz noemt echter artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens niet, zodat voor de ontvankelijkheid van het beroep in de eerste plaats beoordeeld moet worden of T als een bestuursorgaan kan worden beschouwd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Onder openbaar gezag dient te worden verstaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten. Bij het uitvoeren van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kan naar het oordeel van de kinderrechter gesproken worden over het bepalen van iemands rechtspositie. Ook is sprake van een publiekrechtelijke bevoegdheidstoebedeling, in die zin dat er een wettelijke grondslag voor de bevoegdheid van T bestaat.

Gelet op de artikelen 4 en 104 Wjz is er een wettelijke basis voor het mandaatbesluit waarbij verweerder een aantal bevoegdheden ter zake van de uitvoering van jeugdbeschermings-maatregelen heeft gemandateerd aan T. De aanwijzing als bedoeld in artikel 104 Wjz heeft plaatsgevonden in de Aanwijzingsregeling instellingen en uitvoerders als bedoeld in de Wet op de jeugdzorg, gepubliceerd in Stcrt. 2005/86, p. 30-31 en in werking getreden op 1 januari 2005. T is een van de aangewezen instellingen.

Gezien het voorgaande dient T voor zover het gaat om de uitvoering van de aan haar gemandateerde bevoegdheden en taken te worden beschouwd als bestuursorgaan. De beslissing om geen inzage in het dossier van F te verlenen is een besluit, nu artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens een wettelijke basis voor het verstrekken van die inzage biedt en deze beslissing in zoverre rechtsgevolg heeft, dat hiermee is komen vast te staan dat van deze mogelijkheid geen gebruik zal worden gemaakt.

Eisers hebben tijdig bezwaar ingediend tegen dit besluit. Verweerder heeft hierop ten onrechte niet beslist, terwijl de termijn daarvoor inmiddels ruimschoots is verstreken. Het beroep is derhalve ook voor zover het betrekking heeft op F kennelijk gegrond, gelet op het bepaalde in artikel 7:10 Awb.

Met toepassing van artikel 8:54 Awb zal de zaak buiten zitting worden afgedaan en het beroep gegrond worden verklaard.

Nu er ten aanzien van de bezwaren inzake G en H slechts één uitkomst mogelijk is, zal de rechtbank in zoverre zelf in de zaak voorzien en de bezwaren alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Verweerder zal daarnaast worden opgedragen binnen een termijn van zes weken alsnog te beslissen op het bezwaar dat betrekking heeft op F, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, nu geen sprake is van hiervoor in aanmerking komende kosten.

4. Beslissing

De kinderrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het (telkens) met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;

- verklaart, zelf in de zaak voorziend, de bezwaren ten aanzien van G en H niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- draagt verweerder op te beslissen op het bezwaar van 9 augustus 2006 ten aanzien van F.

Gewezen door mr. R.A. Eskes en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2007