Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA6295

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
04-06-2007
Zaaknummer
06/920008-04 fp
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een tussenvonnis uit in de strafzaak tegen de verdachte die opvolgend leidinggevende lijkt te zijn geweest in de beleggingsfraudezaak Eco Brasil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/920008-04 fp

Uitspraak d.d.: 4 juni 2007

Tegenspraak / onip

(artikel 279, lid 2, van het WvSv.)

TUSSENVONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1959,

wonende te [adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 mei 2007.

Procesverloop

De rechtbank heeft de strafzaak tegen verdachte op 26 januari 2007 verwezen naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, voor het horen van getuigen. De rechtbank heeft het verzoek om de zaak open te verwijzen afgewezen.

Bij brief van 26 april 2007 hebben de raadslieden de rechtbank verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde:

- terug te komen op de beslissing dat de toegewezen te horen deskundige werkzaam moet zijn bij De Nederlandsche Bank en in plaats daarvan een nieuwe deskundige te benoemen, namelijk een financieel/economisch/juridisch deskundige, verbonden aan de AFM;

- een schouw te laten verrichten in Brazilië.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting van 21 mei 2007 hebben de raadslieden hun verzoek aangevuld met het verzoek om [getuige A], wonende Brazilië, ook als getuige te horen.

Verzoek om getuigen/deskundigen te horen

De rechtbank stelt vast dat in de beslissing van de rechtbank van 26 januari 2007 om getuigen te horen al ligt besloten dat [getuige A] als getuige dient te worden gehoord, aangezien in het verzoek dat daaraan te grondslag lag [getuige A] voornoemd als getuige nummer 4 staat vermeld. De rechtbank is op grond van het onderzoek ter terechtzitting van 21 mei 2007 van oordeel dat deze getuige ook vragen dienen te worden gesteld over de wijze waarop men

– en dan met name degenen die niet de Braziliaanse nationaliteit hebben – rechthebbende kan zijn van grond in Brazilië.

Het verzoek om een deskundige te horen die verbonden is aan de Autoriteit Financiële Markten wordt toegewezen. Dit moet bij voorkeur een juridisch/financieel/economisch deskundige zijn en moet bovendien iemand betreffen die tot nu toe niet op enigerlei wijze bij deze zaak betrokken is geweest.

In voornoemde beslissing van de rechtbank ligt ook besloten dat [getuige B], wonende te Brazilië, als getuige dient te worden gehoord.

De rechtbank is op grond van het onderzoek ter terechtzitting van 21 mei 2007 van oordeel dat deze getuige ook de navolgende vragen dienen te worden gesteld:

1. Is het voor buitenlanders of voor buitenlandse ondernemingen mogelijk om in Brazilië eigendom te verwerven van of (beperkt) zakelijk recht te vestigen op gronden en in het bijzonder op bosbouwgronden, dit ter exploitatie van die gronden?

2. Kan een dergelijk in Brazilië verworven zakelijk recht op enigerlei wijze aan derden, in het bijzonder buitenlanders, worden doorgegeven?

3. Is er bij de onderneming waarbij verdachte betrokken is geweest inderdaad sprake geweest van het doorgeven van zakelijke rechten?

Verzoek tot het houden van een schouw

Namens de verdachte is verzocht dat een door de rechtbank als rechter-commissaris aangewezen rechter in Brazilië op de gronden die destijds behoorden bij Reflorestadora Hollanda Limitada een schouw zal houden ten einde aan te tonen wat het oogmerk van verdachtes organisatie was, hoe professioneel dit oogmerk werd nagestreefd, dit ten einde het beeld dat er in Brazilië feitelijk niets gebeurde naar waarheid te corrigeren.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verzoek als volgt. In de eerste plaats moet vastgesteld worden dat de als rechter-commissaris aangewezen rechter bevoegd is tot het houden van een schouw.

In de memorie van toelichting bij het voorstel van wet (TK 28 477, nr. 3) wordt opgemerkt:

“In het advies van de NOvA wordt het voorgestelde artikel 316 Sv aldus gelezen, dat het tweede lid het onderzoek beperkt tot het horen van getuigen, en het derde lid vervolgens ook bepalingen ter zake van andere onderzoeksactiviteiten van overeenkomstige toepassing

verklaart. Uit de wettekst, die is toegelicht in het voorgaande, vloeit voort dat deze lezing op een misverstand berust. De onderzoeksbevoegdheden van de rechter- en de raadsheer-commissaris worden geregeld in het derde lid, en omvatten meer dan alleen het horen van

getuigen. Het tweede lid regelt geen onderzoeksbevoegdheden, doch bepaalt 1. in welke gevallen de voorzitter of één der rechters als rechter- of raadsheer-commissaris kan worden aangewezen; 2. in welke van die gevallen de betreffende rechter na het verhoor aan het verdere onderzoek ter terechtzitting kan deelnemen.”

Het derde lid van artikel 316 luidt:

“Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de vijfde en achtste afdeling van de Derde titel van dit Boek gevoerd.”

Met dit Boek is bedoeld Boek II.

In de Tweede Afdeling van de Derde Titel in het Tweede Boek is in artikel 192 bepaald dat de rechter-commissaris ambtshalve, of op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte in het verlengde van het horen van getuigen en deskundigen de bevoegdheid omschreven in artikel 150 kan uitoefenen. Dat wil zeggen dat de rechter-commissaris bevoegd is teneinde enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats te betreden. De rechtbank komt derhalve tot de slotsom dat de als rechter-commissaris aangewezen rechter, in beginsel en met in achtneming van de toepasselijke internationaalrechtelijke regels, bevoegd is op iedere plaats enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen.

Nu vaststaat dat de als rechter-commissaris aangewezen rechter de bevoegdheid tot schouwen heeft, moet nog de vraag beantwoord worden of vier jaar na dato de feitelijke omstandigheden ter plaatse niet dusdanig veranderd zijn, dat een schouw geen relevante

– i.c. voor de verdachte ontlastende – gegevens kan opleveren. De officier van justitie heeft zulks betoogd. De raadslieden van verdachte hebben daarentegen naar voren gebracht dat de exploitatie van de gronden op het punt stond rendabel te worden toen door een tekort aan liquiditeiten de zaak failleerde, dat de investeringen die zijn gedaan tussen 1999 en 2003 de verwachting rechtvaardigden dat zeer binnenkort de exploitatie rendabel zou worden en dat in het voortraject van deze zaak ten onrechte is aangenomen dat bewust te weinig investeringen in de exploitatie van de Braziliaanse gronden zijn gedaan.

De conclusie van [getuige C] als getuige of deskundige dat er een infrastructuur was, de bomen waren geïnventariseerd en dat op grond daarvan vergunningen waren waardoor er zo gestart zou kunnen worden, kan de verdachte ontlasten met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde. Het tijdsverloop sluit niet uit dat ook in de huidige toestand nog voldoende feitelijke aanwijzingen te vinden zijn die van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of van oplichting in het kader van het onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie sprake is.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de raadslieden van verdachte van het doen van nader onderzoek door het houden van een schouw te Reflorestadora Hollanda Limitada te Brazilië in het verlengde van het horen van

[getuige C] toegewezen kan worden. De rechtbank zal één van haar leden als rechter-commissaris benoemen teneinde [getuige C] als getuige te horen. Het tot rechter-commissaris benoemde lid kan bij gelegenheid van het horen van de getuige een schouw entameren.

Beslissing:

De rechtbank heropent het onderzoek en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.

De rechtbank benoemt de voorzitter, mr. Brouns, als rechter-commissaris in strafzaken (artikel 316, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).

Zij verwijst de zaak naar het tot rechter-commissa¬ris benoemde lid, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde:

- de bij beslissing van 26 januari 2007 bedoelde getuigen te horen, waarbij:

* aan de getuige [getuige A] aanvullende vragen dienen te worden gesteld over de eigendomsverhoudingen van de grond in Brazilië;

* aan de getuige [getuige B] de hiervoor geformuleerde aanvullende vragen dienen te worden gesteld;

- een deskundige, verbonden aan de AFM, te horen;

- [getuige C] als getuige horen;

- te doen hetgeen de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek verder nodig acht.

Zij beveelt de oproeping van de verdachte tegen een nader te bepalen terechtzitting en kennisgeving van die datum en het tijdstip aan de raadslieden.

Aldus gewezen door mrs. Brouns, voorzitter, Van der Hooft en Van de Wetering, rechters,

in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

4 juni 2007.