Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA5773

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
75305 - HA ZA 06-100
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitzondering op de aansprakelijkheid van de producent nu voorshands wordt aangenomen dat het gebrek nog niet bestond op het tijdstip dat het product door gedaagde in het verkeer is gebracht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 185
Burgerlijk Wetboek Boek 6 187
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaringszaken van 7 februari 2007

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 75305 / HA ZA 06-100 van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. M.A. Amende,

advocaat mr. C.M. Brouwer te Eindhoven,

(voorheen mr. N. Lavrijssen)

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NIJBO STACARAVAN INDUSTRIE B.V.,

gevestigd te Winterswijk,

gedaagde,

procureur mr. C.G.M.J. van Kreij,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 78081 / HA ZA 06-546 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NIJBO STACARAVAN INDUSTRIE B.V.,

gevestigd te Winterswijk,

eiseres,

procureur mr. C.G.M.J. van Kreij,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[naam gedaagde firma],

gevestigd te Bredevoort,

2. [vennoot 1],

wonende te Bredevoort,

3. [vennoot 2],

wonende te Bredevoort,

gedaagden,

procureur: mr. TH.G. van Scheppingen

4. de naamloze vennootschap

FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. H.D. van Maanen te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 80560 / HA ZA 06-955 van

1. de vennootschap onder firma

[naam eisende firma],

gevestigd te Bredevoort,

2. [maat 1],

wonende te Bredevoort,

3. [maat 2],

wonende te Bredevoort,

eisende partijen

procureur mr. TH.G. van Scheppingen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DRU VERWARMING B.V.

gevestigd te Duiven,

gedaagde,

procureur: mr. J.M.J.M. Doon,

Partijen zullen hierna [eiser], Nijbo, Tahob c.s., Fortis en Dru genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak, vrijwaring en ondervrijwaring

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 november 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 8 februari 2002 is [eiser], die op dat moment op bezoek was bij een bevriende kennis, de heer [naam kennis 1], op een camping op Texel met die [naam kennis 1] een gaskachel gaan aanmaken en de waterleiding gaan aansluiten in de caravan van de familie [naam kennis 2]. De familie [naam kennis 2], die op dat moment (nog) niet op de camping aanwezig was, had [naam kennis 1] dit verzocht. De betreffende caravan is door de familie [naam kennis 2] gekocht bij de op Texel gevestigde firma [naam eigenaar kampeerc[naam eigenaar kampeercentrum] Kampeercentrum, hierna te noemen: [naam eigenaar kampeercentrum].

2.2. Nadat [eiser] die gaskachel had aangemaakt heeft hij de caravan verlaten om de waterleiding aan te sluiten. Bij terugkomst in de caravan bleek de kachel te zijn uitgegaan. Daarop heeft [eiser] de kachel nogmaals aangemaakt waarop de kachel is geëxplodeerd. Als gevolg van de explosie heeft [eiser] door rondvliegende stukjes glas letsel opgelopen, onder andere aan de linkerhand. Nadat in eerste instantie bij onderzoek in het Gemini Ziekenhuis te Den Helder niet is gebleken van peesletsel in de linkerhand, blijkt enige tijd later toch dat de pees van de duim van de linkerhand van [eiser] onherstelbaar is beschadigd. Ten gevolge van dit letsel ondervindt [eiser] functiebeperkingen aan de linkerhand.

2.3. Naar aanleiding van de ontploffing van de gaskachel heeft de heer [werknemer 1 Dru], hierna: [werknemer 1 Dru], in dienst bij Dru, de fabrikant van dat type kachels, tezamen met een collega, de heer [werknemer 2 Dru], op 21 februari 2002 de caravan van de familie [naam kennis 2] bezocht. [werknemer 1 Dru] heeft naar aanleiding van dat bezoek een verklaring op schrift gesteld, door [eiser] als productie 10 in het geding gebracht. [werknemer 1 Dru] verklaart onder meer:

“Wij hebben geconstateerd dat de rookgasafvoer van het toestel niet goed was aangesloten. De rookgasafvoerpijp Ø 100 van het toestel was in een trekverhogende kap gestoken, met een pijpdiameter Ø 110, zonder gebruik van een verloopstuk. Hierdoor gaat de trek van het toestel verloren en kan het na het ontsteken weer uitgegaan.

(...)

Als niet voldoende lang wordt gewacht, of als de trek door een onjuist geïnstalleerde rookgasafvoer onvoldoende is, kan het toestel inderdaad ontploffen.

Op de dag van de explosie was er een zeer sterke wind. Door de foute installatie is mogelijk onderdruk in de caravan ontstaan. Door het niet werken van de trekverhogende kap is daardoor het toestel tijdens het branden uitgegaan (dus niet tijdens het opstarten). Wij konden dit zien doordat de glassplinters zo heet waren, dat ze in het kleed waren gesmolten.

(...)

Er zijn enkele gevallen meer geweest van explosies, op Texel (jaar 2002) en in Aalten (jaar 2001). (...) In het tweede geval was er weer sprake van dezelfde situatie met een afvoerpijp Ø 100 die zonder gebruik van een verloop in een trekverhogende kap Ø 110 gestoken was (niet geplaatst door Nijbo).

Overigens hebben wij in 2002 ook informatie hierover opgevraagd bij de fabrikant van trekverhogende kappen. Deze gaf aan dat de trekverhogende kappen inwendig zijn voorzien van een aanslag, om te zorgen dat de binnenpijp niet te ver in de buitenpijp gestoken kan worden. De trekverhogende werking blijkt namelijk onmiddellijk verloren te gaan als de binnenpijp te ver wordt ingestoken.”

2.4. Ter comparitie van partijen in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaken heeft [werknemer 1 Dru] foto’s overgelegd, die zijn gemaakt tijdens het onderzoek op 21 februari 2002, van de dan inmiddels gedemonteerde trekkap – door partijen ook aangeduid als trevakap - zoals die op de caravan van de familie [naam kennis 2] was geplaatst. [werknemer 1 Dru] heeft ter comparitie onder meer verklaard:

“(....)Vrijwel direct na het ongeval ben ik destijds in de caravan, waar de kachel was ontploft, gaan kijken. (....)Voor zover ik het mij herinner was er sprake van een vaste aluminium buis van 100 mm. Dit is ook de juiste buis. Hij was weggewerkt achter een schot. De buis was slecht bevestigd en hing met slechts wat draadjes vast. De buis kon alle kanten op bewegen. Dit is niet conform de algemene plaatsingsinstructies van de GAVO-Voorschriften. Iedere installateur behoort dat te weten. (...)

Volgens mij is echter het probleem geweest dat op de aluminium buis van 100 mm een te brede Treva-kap is geplaatst van 110 mm. Daardoor is de buis te ver die kap ingegaan. Ik laat u foto’s van de betreffende kap met daarin de buis zien waaruit dit blijkt. Naar mijn oordeel heeft dat de luchtcirculatie verhinderd. Dat de buis te ver in de Treva-kap stak is het probleem geweest. Daardoor is een goede luchttrek verhinderd en is de kachel als het ware gesmoord in zijn eigen rook. Het in de kachel achtergebleven gas werd daardoor ook niet afgezogen.”

2.5. Bij brief van 1 maart 2002 is Nijbo door Dru op de hoogte gebracht van het door haar uitgevoerde onderzoek van 21 februari 2002 naar de ontploffing van de kachel. Dru meldt in deze brief dat zij door [naam eigenaar kampeercentrum] aansprakelijk is gesteld “voor schade en letsel door een ontploffing van een door ons geproduceerde kachel, welke door uw firma werd geïnstalleerd en geleverd”. Dru wijst Nijbo in deze brief op de door haar geconstateerde tekortkomingen in de installatie van de betreffende kachel en schrijft voorts:

“Op grond van het bovenstaande moge het u duidelijk zijn dat wij de claim, die de heer [naam eigenaar kampeercentrum] bij ons heeft neergelegd niet zullen honoreren. Wij hebben de heer [naam eigenaar kampeercentrum] geadviseerd zich voor de schade tot uw bedrijf te melden. Dit zowel op grond van de geconstateerde feiten, als ook op meer formele gronden (ketenaansprakelijkheid).”

2.6. Bij brief van 17 september 2002 heeft de rechtsbijstandverzekeraar van [eiser] Nijbo aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] ten gevolge van de ontploffing van de kachel geleden schade. De advocaat van [eiser] heeft vervolgens, bij brief van 5 september 2005, Nijbo wederom aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden schade.

3. De vorderingen

In de hoofdzaak (rolnummer 75305 / HA ZA 06-100)

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, Nijbo zal veroordelen om aan [eiser] tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 77.890,27 aan hoofdsom, althans een gedeelte daarvan zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met wettelijke rente over de reeds verschenen schade na 1 december 2005 vanaf de dag waarop de betreffende schade is ingetreden tot de dag der algehele voldoening en voorts wegens buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 1.788,00, met veroordeling van Nijbo in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, onder meer de navolgende stellingen ten grondslag.

Nijbo is aansprakelijk voor de schade die [eiser] door de ontploffing van de kachel heeft geleden op grond van de regeling van de productaansprakelijkheid, artikel 6:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Nijbo is immers aan te merken als de fabrikant van het eindproduct, de stacaravan met daarin de door Nijbo geïnstalleerde kachel. Van een stacaravan met kachel mag worden verwacht dat deze niet ontploft als men die wil ontsteken zodat er sprake is van een gebrekkig product. Dat Dru de producent van de kachel is doet aan de aansprakelijkheid van Nijbo, als eindfabrikant, niet af. Bovendien blijkt uit onderzoek van Dru dat Nijbo fouten heeft gemaakt bij de installatie van de kachel, onder meer door het rookgaskanaal te ver in de trevakap te schuiven. Dit is in strijd met de installatievoorschriften en heeft de ontploffing veroorzaakt. Ook bij drie eerdere gevallen van ontploffingen van dit type kachel is gebleken dat Nijbo de kachels niet volgens de voorschriften heeft geïnstalleerd. Subsidiair beroept [eiser] zich op onrechtmatig handelen van Nijbo door een product in het verkeer te brengen dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd is schade veroorzaakt. Nijbo heeft niet alleen de kachel verkeerd geïnstalleerd doch heeft ook na eerdere ontploffingen nagelaten alle kachels in de door haar geproduceerde caravans te controleren. Daarmee heeft Nijbo moedwillig een gevaarlijke situatie laten voortbestaan hetgeen in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid. Daarmee is de verwijtbaarheid gegeven terwijl bovendien de onrechtmatige daad op grond van de verkeersopvattingen aan Nijbo is toe te reken.

Door de beschadiging van de pees in de linkerhand lijdt [eiser] materiële en immateriële schade. [eiser] berekent zijn schade, bestaande uit verlies aan zelfwerkzaamheid, misgelopen inkomsten uit de verhuur van paardenstallen, smartengeld en wettelijke rente op € 77.890,27 en de incassokosten op € 1.788,00.

In vrijwaring (rolnummer 78081 / HA ZA 06-546)

3.3. Nijbo vordert dat de rechtbank Tahob c.s. en Fortis veroordeelt om aan Nijbo tegen kwijting te betalen al datgeen waartoe Nijbo bij vonnis in de hoofdzaak ten behoeve van [eiser] mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Tahob c.s. en Fortis in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in de vrijwaring.

3.4. Nijbo legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, onder meer de navolgende stellingen ten grondslag.

De betreffende kachel is aan Nijbo geleverd door Tahob c.s. Nijbo wijst op haar incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, die door haar als productie 3 in het geding wordt gebracht.

Fortis is de verzekeraar van Nijbo.

In ondervrijwaring (rolnummer 80560 / HA ZA 06-546955)

3.5. Tahob c.s. vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, Dru zal veroordelen om aan Tahob c.s. datgene te betalen waartoe zij als gedaagde in de vrijwaringszaak tussen Nijbo en Tahob c.s. zal worden veroordeeld, met inbegrip van de proceskostenveroordeling in de vrijwaringszaak en met veroordeling van Dru in de kosten van de ondervrijwaring.

3.6. Tahob c.s. legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

Dru is gehouden Tahob c.s. te vrijwaren omdat zij de betreffende kachel aan Tahob c.s. heeft verkocht en geleverd en daarvan de producent is als bedoeld in artikel 6:185 BW. Uit hoofde van die rechtsverhouding is Dru verplicht Tahob c.s. te vrijwaren.

4. Het verweer

In de hoofdzaak (rolnummer 75305 / HA ZA 06-100)

4.1. Nijbo concludeert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen althans deze af zal wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen met zijn veroordeling in de kosten van dit geding.

4.2. Nijbo voert de volgende verweren aan.

Nijbo betwist de toedracht van het ongeval zoals door [eiser] beschreven. De vordering van [eiser] uit hoofde van productaansprakelijkheid is op grond van de termijn van drie jaar, genoemd in artikel 6:191 lid 1 BW, verjaard nu de aansprakelijkstelling pas van 5 september 2005 is. Nijbo voldoet niet aan het begrip producent in de zin van artikel 6:185 e.v. BW; evenmin voldoet de caravan aan het begrip product uit die regeling. De kachel is door merk en onderscheidingsteken helder een product gebleven van de fabrikant, te weten Dru. Nijbo is gestopt met de verkoop van deze kachels in haar caravans omdat er al vijfmaal ontploffingen zijn geweest en Dru niet in staat bleek dit probleem op te lossen.

Nijbo betwist dat haar met betrekking tot de kachel enig verwijt te maken is. Nijbo levert weliswaar caravans met daarin dit soort kachels, doch zij installeert die kachels niet en sluit ze ook niet aan op het gasleidingnet. De koper, in dit geval [naam eigenaar kampeercentrum], dient die aansluiting zelf te regelen en heeft dat ook gedaan. Nijbo stelt aan de koper al het instructiemateriaal ter beschikking van alle in de caravan aanwezige apparatuur, zo ook van de kachel. De installatie van de betreffende kachel is geheel buiten Nijbo om gegaan, zodat zij ook niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de installatie c.q. problemen bij het inwerkingstellen van de kachel. De aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW stuit daar ook op af, nu Nijbo niets te verwijten valt.

Nijbo betwist de door [eiser] gestelde schade en beperkingen aan de hand. [eiser] heeft geen enkel bewijs van de schade in het geding gebracht. Ook is niet duidelijk wat de feitelijke omstandigheden van [eiser] zijn, zoals zijn werk en inkomsten, gezinssamenstelling, zijn gezondheid voorafgaand aan het ongeval, etc. [eiser] geeft niet aan wat hij nog wel met zijn hand kan, eventueel met behulp van voorzieningen WVG, AWBZ, WAO en AAW hulpmiddelen en dergelijke. Ook maakt [eiser] niet duidelijk hoe hij zijn mogelijkheden om momenteel geld te verdienen benut. Eventuele voordelen, zoals het anders kunnen inzetten van zijn tijd, dienen met de schade te worden verrekend. Nijbo betwist de incassokosten.

In vrijwaring (rolnummer 78081 / HA ZA 06-546)

4.3. Tahob c.s. en Fortis concluderen, ieder voor zich, dat de rechtbank Nijbo in haar vordering niet ontvankelijk zal verklaren, dan wel de vordering van Nijbo zal afwijzen, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Nijbo in de kosten van dit geding.

4.4. Tahob c.s. en Fortis voeren, ieder voor zich, de volgende verweren aan.

Tahob c.s. ontkent bij gebrek aan wetenschap dat de kachel waar het in deze procedure om gaat door haar aan Nijbo is geleverd en voorts dat, indien zij die kachel wel heeft geleverd, het gebrek al ten tijde van de levering aanwezig was. Nijbo heeft aan haar vordering alleen ten grondslag gelegd dat Tahob c.s. de leverancier van de kachel is. Dit is onvoldoende voor toewijzing van de vordering. Een leverancier zal slechts aansprakelijk zijn op grond van artikel 6: 187 lid 4 BW indien Nijbo niet geweten zou hebben wie de producent van de betreffende kachel is. Nijbo weet dat de kachel is geproduceerd door Dru, zodat deze uitzondering zich niet voordoet.

Nijbo heeft de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring in de hoofdzaak enkel als productie in het geding gebracht doch niet aan haar vordering ten grondslag gelegd. Het in die incidentele conclusie aan Tahob c.s. gemaakte verwijt dat zij onvoldoende heeft geadviseerd is onvoldoende concreet. Voorts dient Nijbo het oorzakelijk verband aannemelijk te maken tussen de advisering en de daardoor ontstane schade.

Fortis stelt dat Nijbo niet aangeeft op welke grond zij Nijbo zou dienen te vrijwaren. Fortis begrijpt dat Nijbo zich beroept op dekking onder de bij Fortis afgesloten verzekeringspolis. Fortis wijst die dekking af nu Nijbo pas bijna acht maanden na het ongeval van de heer [eiser] een schadeformulier heeft ingevuld en naar Fortis heeft gefaxt. Nijbo kon op grond van een brief van Dru aan haar van 1 maart 2002 al weten van het ongeval en de (mogelijk) daaruit voortvloeiende schadeclaim. Nijbo heeft, ondanks diverse verzoeken van Fortis, geen nadere informatie kunnen verschaffen over de toedracht van het ongeval en haar mogelijke betrokkenheid bij de betreffende kachel. Aldus is Fortis de mogelijkheid ontnomen om zelf een nader onderzoek in te stellen naar de feitelijke toedracht van het ongeval en de aard en omvang van de geleden schade. Op grond van de polis was Nijbo gehouden om Fortis zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van een aanspraak of omstandigheid die voor Fortis tot een verplichting tot uitkering kan leiden. Voorts is Nijbo op grond van de polis gehouden zo spoedig mogelijk alle gegevens en bescheiden met betrekking tot die aanspraak of omstandigheid aan Fortis te verstrekken. Aan die verplichtingen heeft Nijbo niet voldaan waardoor Fortis daadwerkelijk in een ongunstigere positie is gebracht. Op grond van artikel 8 lid 4 sub a van de polis leidt dit tot verval van het recht op uitkering.

Nijbo heeft haar eis in het petitum onduidelijk geformuleerd, immers: indien enige andere gedaagde jegens haar tot schadevergoeding is gehouden valt de verplichting tot schadevergoeding aan de zijde van Fortis weg. Ook de onduidelijkheid van het petitum leidt tot afwijzing van de vordering van Nijbo.

Ten aanzien van de, door Nijbo in het geheel niet onderbouwde, schade houdt Fortis zich alle rechten voor.

In ondervrijwaring (rolnummer 80560 / HA ZA 06-546955)

4.5. Dru concludeert dat de rechtbank Tahob c.s. in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, respectievelijk dat haar vorderingen dienen te worden afgewezen met veroordeling van Tahob in de kosten van het geding in ondervrijwaring.

4.6. Dru voert de volgende verweren aan.

De grondslag van artikel 6:185 BW is ondeugdelijk nu die regeling van toepassing is op de relatie consument/eindgebruiker en de producent en niet, zoals hier, op de rechtsverhouding tussen producenten. Voorts is de dagvaarding van Tahob erg summier. Tahob c.s. stelt slechts dat Dru tot vrijwaren gehouden is omdat zij de kachel aan Tahob c.s. verkocht en geleverd heeft. Aldus voldoet Tahob niet aan haar substantiëringsplicht en stelplicht. Voor zover Tahob c.s. heeft willen stellen dat dit type kachel ondeugdelijk is, wordt dit betwist. Tahob c.s. laat echter niet alleen na te stellen dat de kachel een gebrek zou hebben gehad, zij laat bovendien na aan te geven waaruit dat gebrek dan zou hebben bestaan.

Dru levert enkel de (kachel)haard. Het materiaal dat noodzakelijk is om de (kachel)haard aan te sluiten wordt niet door Dru geleverd. Het is Dru niet bekend wie de betreffende kachel in de caravan van de familie [naam kennis 2] heeft geïnstalleerd; Dru heeft dat in ieder geval niet gedaan. Tahob c.s. heeft niet gesteld dat Dru jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten, noch waaruit haar tekortkoming heeft bestaan, noch dat Dru in verzuim is noch op welke grond Dru jegens Tahob c.s. aansprakelijk is.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1. [eiser] legt aan zijn vordering tot schadevergoeding primair ten grondslag de wettelijke aansprakelijkheid van de producent voor schade ten gevolge van een gebrek in zijn product, zoals bedoeld in de artikelen 6:185 BW en volgende. Het primaire verweer van Nijbo dat de vordering op die grondslag is verjaard wordt verworpen. Nijbo baseert zijn stelling op de verjaringstermijn van drie jaar genoemd in artikel 6:191 lid 1 BW. Uit de door [eiser] in het geding gebracht stukken blijkt dat zijn rechtsbijstandverzekeraar bij brief van 17 september 2002, derhalve ruim 7 maanden na het ongeval met de kachel, Nijbo aansprakelijk heeft gesteld voor de schade van de [eiser]. Met deze brief is de toen lopende verjaringstermijn van artikel 6:191 lid 1 BW gestuit, zodat een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen op 18 september 2002. Vervolgens is Nijbo bij brief van 5 september 2005, derhalve binnen een termijn van drie jaar, uitdrukkelijk gesommeerd om aansprakelijkheid te erkennen en de schade van [eiser] te vergoeden. Deze brief kan niet anders begrepen worden dan een schriftelijke mededeling waarin [eiser] zich ondubbelzinnig het recht op nakoming van de verbintenis tot het betalen van schadevergoeding voorbehoudt, zodat daarmee de lopende verjaringstermijn wederom is gestuit en een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen op 6 september 2005. [eiser] heeft vervolgens tijdig zijn eis ingesteld, namelijk bij dagvaarding van 4 januari 2006, waarmee de lopende verjaringstermijn wederom is gestuit. De vordering van [eiser] op Nijbo is dan ook niet verjaard.

5.2. Ingevolge artikel 6:185 BW is de producent risico-aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product, tenzij zich een van de onder a tot en met f in dit artikel genoemde omstandigheden voordoet. Nijbo betwist de toepasselijkheid van de wettelijke regeling inzake productaansprakelijkheid, nu er geen sprake zou zijn van “een product” en Nijbo ook niet heeft te gelden als de “producent” van dat product, zoals bedoeld in deze regeling.

Ingevolge artikel 6:187 lid 1 BW wordt voor de toepassing van de bepalingen inzake productaansprakelijkheid onder “product” verstaan “een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel is gaan vormen van een andere roerende of onroerende zaak, alsmede electriciteit.” Naar het oordeel van de rechtbank valt de caravan met de daarin gemonteerde gaskachel onder deze definitie van product. De stelling van Nijbo dat de caravan naar verkeersopvattingen als onroerend moet worden gezien doet daar niet aan af nu, wat daar ook van zij, onder deze definitie ook begrepen wordt de roerende zaak die bestanddeel is geworden van een onroerende zaak.

5.3. Ingevolge artikel 6:187 lid 2 BW wordt voor de toepassing van de bepalingen inzake productaansprakelijkheid onder producent verstaan “de fabrikant van een eindprodukt, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel, alsmede een ieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het produkt aan te brengen.” De wetgever heeft daarmee bedoeld een ruime definitie te geven van het begrip “producent” waarbij het niet is uit te sluiten dat ten aanzien van één en hetzelfde product meerdere schakels in de productie- en distributieketen als de “producent” kunnen worden aangewezen. Dat de kachel, zoals Nijbo stelt, door merk en onderscheidingsteken helder een product is gebleven van Dru, staat er op zich dan ook niet aan in de weg dat ook Nijbo “producent” is als bedoeld in deze regeling. Voor zover Nijbo daarmee heeft bedoeld te stellen dat zij slechts leverancier is en zich heeft willen beroepen op de uitzondering die voor de categorie leveranciers is gemaakt in artikel in artikel 6:187 lid 4 BW, heeft zij haar stellingen onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd zodat daaraan voorbij wordt gegaan. De rechtbank tekent daar bij aan dat voor toepassing van de uitzondering van artikel 6:187 lid 4 BW vereist is dat de leverancier niet (ook) te beschouwen is als producent zoals bedoeld in de wettelijke definitie. Met [eiser] is de rechtbank echter van oordeel dat Nijbo wat betreft de door haar op de markt gebrachte caravans te beschouwen is als “de fabrikant van een eindproduct” zoals bedoeld in de wet. Immers, uit hetgeen ter comparitie van partijen door Nijbo naar voren is gebracht blijkt dat zij caravans bouwt en daarbij alle door de afnemer bestelde inbouwapparatuur en onderdelen monteert. Aldus fabriceert Nijbo voor eigen rekening en risico een bijna geheel voltooid eindproduct, een caravan inclusief alle apparatuur, dat bij verkoop door de detailhandel aan de eindgebruiker als zodanig vrijwel geen wijzigingen meer ondergaat. Dat de detailhandel, zoals Nijbo stelt, die caravans vervolgens op de standplaats plaatst en zorg draagt voor de aansluiting op de buitenleidingen en voorts, in het onderhavige geval, aan de buitenzijde van de caravan op het rookkanaal van de kachel nog een trevakap plaatst, acht de rechtbank in dit verband van ondergeschikte betekenis. Dergelijke werkzaamheden vallen veeleer onder het gebruiksgereed maken van de caravan ten behoeve van de eindgebruiker en doen er niet aan af dat Nijbo als fabrikant te beschouwen is van de caravan met inbouwapparatuur.

5.4. [eiser] stelt dat de ontploffing van de kachel te wijten is aan een gebrek aangezien van een caravan met kachel mag worden verwacht dat deze niet ontploft als men die wil ontsteken. [eiser] heeft, ter onderbouwing van deze stelling, gewezen op het onderzoek dat door Dru is uitgevoerd naar aanleiding waarvan Dru concludeert dat de onjuist gemonteerde trevakap de ontploffing heeft veroorzaakt. Door Nijbo wordt op zich niet betwist dat de foutieve plaatsing van de trevakap de ontploffing kan hebben veroorzaakt en dat [eiser] daardoor schade heeft opgelopen in de zin van letsel door rondvliegende stukjes glas. Daarmee staat vast dat [eiser] schade heeft geleden ten gevolge van een gebrek in de kachel, zodat hij in zoverre heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast ex artikel 6:188 BW.

Nijbo stelt dat haar niets te verwijten valt van het feit dat de kachel is ontploft aangezien zij op geen enkele wijze verantwoordelijk is geweest voor het aansluiten van de leidingen van de caravan en ook niet de trevakap heeft geïnstalleerd. De rechtbank leest in de stellingen van Nijbo op dit punt (mede) een beroep op het bepaalde in artikel 6:185 lid 1 onder b BW. Ingevolge deze bepaling is de producent niet aansprakelijk indien hij, gelet op de omstandigheden, aannemelijk maakt dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat dit gebrek later is ontstaan.

5.5. Uit de verklaring van de heer [werknemer 1 Dru] van Dru, die door [eiser] in het geding is gebracht, alsmede uit de door [werknemer 1 Dru] ter comparitie van partijen afgelegde verklaring, zoals hiervoor aangehaald, volgt dat de ontploffing van de betreffende kachel is veroorzaakt door een onjuiste montage van de trevakap, die te ver over het rookkanaal was geschoven. Hierdoor was er onvoldoende trek in het rookkanaal waardoor de kachel is uitgegaan waarna nog enige tijd gas in het toestel is gestroomd. Dit gas, dat door het ontbreken van luchttrek niet kon ontsnappen, heeft de kachel doen ontploffen toen deze door [eiser] opnieuw werd aangestoken. Weliswaar is door Dru ook nog opgemerkt dat het rookkanaal van de kachel door Nijbo onjuist was bevestigd – hetgeen Nijbo heeft betwist - doch door [werknemer 1 Dru] is expliciet aangegeven dat de oorzaak van de ontploffing in de foutief geplaatste trevakap gelegen is en door partijen is dat niet betwist.

5.6. [eiser] stelt dat Nijbo de betreffende trevakap heeft geplaatst. [eiser] heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportage van Dru, waarin Nijbo wordt aangewezen als degene die verantwoordelijk was voor de installatie van de kachel, inclusief de trevakap. Ter comparitie van partijen heeft Nijbo er op gewezen dat dit onjuist is. De heer [medewerker Nijbo] van Nijbo heeft daarover verklaard:

“Afhankelijk van de afspraak met de groothandel leveren wij de Treva-buitenkap wel of niet mee. De betreffende caravan stond als ik het mij goed herinner op een nieuw gedeelte van de camping. Er stonden daar in totaal ca. 16 chalets. [naam eigenaar kampeercentrum] heeft daar ook de leidingen in de grond en dergelijke verzorgd. Ik ga er dan ook vanuit dat [naam eigenaar kampeercentrum] ook de Treva- kappen heeft geplaatst. Meestal leverden wij die Treva-kap niet aan [naam eigenaar kampeercentrum], want hij kon die zelf elders betrekken. [naam eigenaar kampeercentrum] koopt zelf ook veel spullen in waaronder onderdelen voor dit soort kachels. Ik neem aan dat dit voor hem voordeliger was. Met [naam eigenaar kampeercentrum] hebben wij slechts de afspraak: wij lossen de caravan op de camping, hij zet hem op de juiste plek en maakt hem gebruiksklaar.”

Voorts is door [vennoot 1] van Tahob c.s. ter comparitie van partijen verklaard: “Voor alle duidelijkheid wil ik er op wijzen dat Nijbo het gascomfort, de kachel en alle overige apparatuur in de caravan aansluit. De buitenaansluitingen, dus ook de Treva-kap is de verantwoordelijheid van de caravandealer, in dit geval [naam eigenaar kampeercentrum]”. Bovendien heeft de heer [vertegenwoordiger Dru] namens Dru ter zitting verklaard: “Wij hebben steeds gedacht dat Nijbo die kachels installeerde, maar dat blijkt dus nu niet zo te zijn.” De opmerking van de heer [vertegenwoordiger Dru] betrof de zogeheten buitenaansluitingen, inclusief de trevakap.

Gelet op deze verklaringen en de overige stellingen van partijen acht de rechtbank het voorshands aannemelijk dat Nijbo de betreffende caravan zonder trevakap heeft verkocht en geleverd aan [naam eigenaar kampeercentrum]. Daaruit lijkt te volgen dat het gebrek waar het in deze procedure om gaat, te weten de foutieve bevestiging van de trevakap op het rookkanaal, niet bestond op het tijdstip waarop Nijbo de caravan aan [naam eigenaar kampeercentrum] heeft verkocht en geleverd. Alsdan doet zich de omstandigheid voor zoals bedoeld in artikel 6:185 lid 1 onder b BW zodat de producent, Nijbo, niet op grond van de wettelijke regeling inzake productaansprakelijk voor de schade van [eiser] aansprakelijk is. Dit raakt tevens de subsidiaire grondslag van [eiser], de aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. Immers, onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat Nijbo, toen zij de caravan aan [naam eigenaar kampeercentrum] verkocht, een product in het verkeer heeft gebracht dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was schade veroorzaakt. Dat er, behalve de foutieve aansluiting van de trevakap ook sprake zou zijn geweest van ondeugdelijke bevestiging door Nijbo van het rookkanaal van de kachel, zoals [eiser] stelt en Nijbo heeft betwist, kan buiten beschouwing blijven nu het er, gelet op de stellingen van partijen, voor gehouden moet worden dat de onjuiste aansluiting van de trevakap op het rookkanaal de oorzaak van de ontploffing is geweest.

5.7. Gelet op het door [eiser] gedane bewijsaanbod zal hij worden toegelaten tot het tegenbewijs tegen het voorshandse oordeel dat de caravan, waarvan de kachel is ontploft die de schade bij [eiser] heeft veroorzaakt, op het moment dat deze caravan door Nijbo in het verkeer is gebracht nog niet behept was met een gebrek dat de ontploffing heeft veroorzaakt.

5.8. Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

in de vrijwaringszaak

5.9. Nijbo heeft aan haar vordering voor zover die gericht is tegen Tahob c.s. ten grondslag gelegd dat Tahob c.s. de leverancier van de kachel is. Deze grondslag is ondeugdelijk. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het enkele feit dat Tahob c.s. leverancier is van de ontplofte kachel tot gevolg heeft dat zij verplicht is Nijbo te vrijwaren voor hetgeen waartoe Nijbo in de hoofdzaak wordt veroordeeld. Nijbo heeft haar incidentele conclusie tot vrijwaring in de hoofdzaak als productie 3 overgelegd doch verbindt daar geen enkele gevolgtrekking aan zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering van Nijbo voor zover die gericht is tegen Tahob c.s. wordt afgewezen.

5.10. Wat betreft de vordering jegens Fortis is door Nijbo niet gesteld wat de grondslag daarvan is zodat ook die vordering dient te worden afgewezen.

Ten overvloede en ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank nog op dat, gelet op de stellingen van partijen over en weer en de daarbij in het geding gebrachte stukken, het standpunt van Fortis dat Nijbo haar onvolledig en te laat over het schadevoorval heeft geïnformeerd, haar als juist voorkomt.

5.11. Nijbo zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel aan de zijde van Tahob c.s. als aan de zijde van Fortis.

De kosten aan de zijde van Tahob c.s. worden begroot op:

- vast recht 1.755,00

- salaris procureur 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.659,00

De kosten aan de zijde van Fortis worden begroot op:

- vast recht 1.755,00

- salaris procureur 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal € 2.659,00

in de ondervrijwaringszaak

5.12. Nu de vordering in de vrijwaringszaak niet toewijsbaar is gebleken, moet de vordering in de zaak in ondervrijwaring worden afgewezen.

5.13. Wat betreft de kosten gevallen op de ondervrijwaring overweegt de rechtbank het volgende.

De afwijzing van de vordering van Tahob c.s. brengt mee dat zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Het is vaste rechtspraak dat de kosten gevallen op de vrijwaring, in dit geval: de ondervrijwaring, door de eisende partij in de hoofdzaak, in dit geval: de eisende partij in de vrijwaringszaak (Nijbo), worden gedragen indien blijkt dat diens vordering ten onrechte is ingesteld. Aldus onder andere de Hoge Raad in zijn arrest van 26 maart 1993 (NJ 1993, 613). In dit geval zou dat betekenen dat de veroordeling van Tahob c.s. in de proceskosten, in de vrijwaringszaak ten laste dient te worden gebracht van Nijbo. Een voorwaarde voor het toepassen van deze regel is dat eiser in (onder)vrijwaring voldoende belang heeft bij de door hem ingestelde vordering. Tahob c.s. heeft aan haar vordering slechts ten grondslag gelegd dat Dru als producent van de kachel gehouden is haar te vrijwaren. Die stelling is door haar nauwelijks onderbouwd. Aldus heeft Tahob c.s. het belang bij de door haar ingestelde vordering in onvoldoende mate aangetoond zodat de rechtbank de proceskosten gevallen op de ondervrijwaring in dit geval bij Tahob c.s. laat.

De kosten aan de zijde van Dru worden begroot op:

- vast recht 1.755,00

- salaris procureur 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal € 2.659,00

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. laat [eiser] toe tegenbewijs te leveren tegen het voorshandse oordeel dat de caravan, waarvan de kachel is ontploft die de schade bij [eiser] heeft veroorzaakt, op het moment dat deze caravan door Nijbo in het verkeer is gebracht nog niet behept was met een gebrek dat de ontploffing heeft veroorzaakt,

6.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 februari 2007 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3. bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4. bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2007 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. P.F.A. Bierbooms in het gerechtsgebouw te Zutphen aan de Martinetsingel 2,

6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7. houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak in vrijwaring

6.8. wijst de vorderingen af,

6.9. veroordeelt Nijbo in de proceskosten, aan de zijde van Tahob c.s. tot op heden begroot op € 2.659,00 en aan de zijde van Fortis tot op heden begroot op € 2.659,00,

6.10. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak in ondervrijwaring

6.11. wijst de vordering af,

6.12. veroordeelt Tahob c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Dru tot op heden begroot op € 2.659,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op

7 februari 2007.?