Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA5760

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
Awb 07/165
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster verzoekt om schorsing van het besluit van verweerder om vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, WRO en de reguliere bouwvergunning voor de 1e fase voor de bouw van een woonzorgcomplex met bijgebouwen op het perceel hoek Pastoor Hagenstraat/Deventerstraat te Vaassen te verlenen. De rechter oordeelt dat vooralsnog de verweerder onder verwijzing naar de ruimtelijk onderbouwing en onder afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: Awb 07/165

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen:

de vennootschap onder firma “[naam verzoekster]”,

verzoekster, te Vaassen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe,

verweerder,

Woningstichting De Woonplaats,

derde-partij, te Enschede.

1. Feiten en procesverloop.

Bij besluit van 4 januari 2007 heeft verweerder aan de derde partij vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor de oprichting van een woonzorgcomplex met bijgebouwen op het perceel hoek Pastoor Hagenstraat/Deventerstraat te Vaassen.

Verzoekster heeft bij brief van 30 januari 2007 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij brief van dezelfde datum heeft verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening die strekt tot schorsing van het bestreden besluit.

Bij brief van 7 februari 2007 heeft de derde partij medegedeeld dat zij bereid is te wachten met de aanvang van de bouwwerkzaamheden die betrekking hebben op de verleende vergunning tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 22 maart 2007, waar voor verzoekster zijn verschenen E. Polman en J. Bloemendaal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Oostwoud en A. Dickhof. Voor de derde partij is niemand verschenen.

2. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat nog niet mag worden gebouwd. Verweerder wijst er op dat nog geen volledige aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.

In artikel 56b, eerste lid, van de Woningwet is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning tweede fase aanhouden indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en indien gedurende de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de bouwvergunning eerste fase bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om schorsing van de bouwvergunning eerste fase is ingediend en op dat verzoek positief is beslist. De aanhouding eindigt op de dag dat de schorsing ingevolge artikel 8:85 van de Awb vervalt.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft een derde-belanghebbende, die bezwaren heeft tegen een verleende bouwvergunning eerste fase, er belang bij om te bewerkstelligen dat de besluitvorming die leidt tot de bouwvergunning tweede fase wordt opgeschort. Op die manier kan hij voorkomen dat een bouwtitel ontstaat voor een door hem bestreden bouwplan en wordt het risico weggenomen dat hij (achteraf bezien) onnodig in procedures betreffende de bouwvergunning tweede fase wordt betrokken.

Tot het bewerkstelligen van die opschorting heeft de wetgever in artikel 56b Woningwet een derde-belanghebbende expliciet de mogelijkheid geboden, mits een verzoek tot schorsing van de bouwvergunning eerste fase wordt gedaan gedurende de termijn waarbinnen tegen dat besluit bezwaar kan worden gemaakt en op dat verzoek positief is beslist. Nu aan verzoekster voor het indienen van een schorsingsverzoek - waaraan bij toewijzing daarvan de in artikel 56b Woningwet bepaalde aanhouding is verbonden - slechts een beperkte periode ter beschikking staat, moet zijn belang bij het thans indienen van zijn schorsingsverzoek als spoedeisend worden aangemerkt. Dat de aanvraag van de bouwvergunning tweede fase nog niet (volledig) is ingediend, doet daaraan niet af.

Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet deze worden geweigerd indien, voor zover relevant, een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b,c,d of e, van toepassing is.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet moet een reguliere bouwvergunning onder meer worden geweigerd, indien het bouwplan in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld of in strijd is met redelijk eisen van welstand.

Het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft is gelegen binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan “Oosterhof 7e partiële herziening” (hierna: bestemmingsplan) en heeft daarin de bestemming “Bijzondere Doeleinden”. Ingevolge artikel 2.3.1 van de planvoorschriften is het perceel bestemd voor bijzondere doeleinden waaronder in ieder geval begrepen doeleinden van onderwijs, opvoeding, religie, verenigingsleven, openbare dienstverlening, volksgezondheid en sociale- en/of culturele dienstverlening, met de daarbij behorende gebouwen, een dienstwoning met de daarbij behorende bijgebouwen daaronder begrepen, en andere bouwwerken.

Ingevolge de planvoorschriften mogen op gronden met deze bestemming slechts gebouwen worden gebouwd binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrenzen en moet de bebouwing voldoen aan de aanwijzingen op de plankaart. Ingevolge artikel 4.1.1 onder c, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor een overschrijding van de voorgeschreven bebouwingsgrenzen, maten en afstanden mist die overschrijding beperkt blijft tot 10%

Niet in geschil en ook de voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan past binnen de vigerende bestemming.

Niet in geschil is voorts dat het hoofdgebouw gedeeltelijk en de bijgebouwen geheel buiten de bebouwingsgrenzen is gesitueerd onder meer door een overschrijding met 7 meter, over een breedte van 11 meter van de naar de Pastoor Hagenstraat gekeerde grens. Voorts is niet in geschil dat de toegestane goot- en nokhoogte van 6 respectievelijk 9 meter met 2.60 respectievelijk 2 meter zullen worden overschreden.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge art. 19, eerste lid, van de WRO wordt, voor zover relevant, onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ten behoeve van de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder zich laten adviseren door het stedebouwkundig adviesbureau Witpaard-partners te Zwolle. In het advies van april 2006 is meegedeeld dat op basis van het vigerende bestemmingsplan de realisering van een fors gebouw, breed op de kavel, mogelijk is. Door de drie te onderscheiden delen van het bouwplan wordt het relatief forse bouwvolume van het complex “opgeknipt”. Door de gekozen architectuuruiting zal het op basis van de vigerende bestemmingsplanregeling mogelijke grootschalige forse gebouw naar hoogte en oppervlakte veel minder grootschalig worden ervaren in de gekozen setting en wordt ook de goot- en nokhoogte, in de omgeving passend geacht.

In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat het straatbeeld van de Pastoor Hagenstraat wordt bepaald door vrijstaande bouwmassa’s van het zusterhuis, de kerk en een vrijstaand woonhuis en dat in de directe woonomgeving de woonfunctie primair is. Voorts is aangegeven dat getracht is het bouwplan qua situering, hoogte en architectonische uitstraling in harmonie te brengen met de directe omgeving waarbij aansluiting is gezocht bij de als positief ervaren ruimtelijke uitstraling van rust en harmonie in de bestaande onbebouwde situatie.

Naar voorlopig oordeel voldoet de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing aan de daaraan te stellen eisen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) in de uitspraak van 14 mei 2003 met nr. 200204703/1 (BR 2003, p. 791) is overwogen dat , naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is, minder zware eisen behoeven te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project. In aanmerking nemend dat ingevolge de vigerende bestemming (forse) bebouwing van het perceel is toegestaan en de functie van het gebouw binnen die bestemming past, kan niet worden geoordeeld dat het bouwplan een ingrijpende inbreuk maakt op het vigerende planologische regime. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat het bestemmingsplan met toepassing van binnenplanse vrijstelling een gebouw van omstreeks 4620 m³ toestaat en dat het bouwplan voorziet in een gebouw met een inhoud van omstreeks 5400 m³. Aldus is voor wat betreft de inhoud van het woonzorgcomplex van een ingrijpende afwijking van het bestemmingsplan geen sprake. Van belang is voorts dat zijdens verweerder ter zitting, onweersproken, is opgemerkt dat het krachtens de planvoorschriften toegelaten bebouwingspercentage niet wordt overschreden en dat ingevolge het vigerende bestemmingsplan op de belendende percelen een nok- en goothoogte van 8 respectievelijk 12 meter is toegelaten.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan voorziet in een project voor woonfuncties binnen het stedelijk gebied als bedoeld in categorie 1 van de door gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (GS) op 13 december 2005 vastgestelde nieuwe vrijstellingslijst. Voor het verlenen van een vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO ten behoeve van dat bouwplan is derhalve in beginsel geen verklaring van geen bezwaar van GS vereist.

Blijkens de in de vrijstellingslijst opgenomen algemene voorwaarden is - voorzover van belang - een verklaring van geen bezwaar van GS wél vereist indien het project in strijd is met provinciaal of rijksbeleid of indien het project onevenredig afbreuk doet aan of onevenredig hinder/beperkingen oplevert voor aangrenzende of nabije functies en bestemmingen of zich niet verdraagt met aangrenzende activiteiten en bestemmingen.

Verzoekster meent dat niet is voldaan aan de algemene voorwaarden van de vrijstellingslijst omdat het project zich niet verdraagt met door verzoekster in het naburige voormalige zusterhuis geëxploiteerde “bed en breakfast”. Bovendien zou het bouwplan onevenredige hinder en beperkingen opleveren voor een in de toekomst door verzoekster op het belendende perceel te exploiteren theetuin. Verzoekster heeft daartoe aangevoerd dat de forse bouwmassa zich slecht verhoudt met de rust die zijn gasten zoeken in Vaassen en dat door het bouwplan de bezonning op het terras achter het voormalige zusterhuis wordt beperkt.

De voorzieningenrechter volgt verzoekster vooralsnog niet in dit betoog. Ingevolge het bestemmingsplan zijn de functies van woonzorgcomplex en “bed and breakfast” op de naast elkaar gelegen percelen reeds mogelijk en ziet de vrijstelling derhalve niet op een functiewijziging. Het bestemmingsplan voorzag bovendien reeds in de realisering van een fors gebouw op 10 meter afstand van het perceel van verzoekster. Vooralsnog valt niet in te zien dat verzoekster hinder ondervindt van het bouwplan door de overschrijding van de naar de Pastoor Hagensstraat gekeerde bouwgrens. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de bouwgrens aan de zijde van het perceel van verzoekster niet wordt overschreden doch dat over een lengte van circa 10 meter op ruime afstand van die bouwgrens wordt gebouwd.

Blijkens de in opdracht van verweerder door Rooding Architecten te Ellecom uitgevoerde bezonningsstudie zal het vergunde bouwplan gedurende het voorjaar in de tweede helft van de middag en gedurende de zomer vanaf de tweede helft van de middag in beperkte mate leiden tot toename van de schaduwwerking achter het pand van verzoekster ten opzichte van de schaduwwerking als gevolg van een bouwplan overeenkomstig het bestemmingsplan. Er is er geen verschil geconstateerd in de bezonning in de ochtend en het begin van de middag terwijl gedurende het najaar in de tweede helft van de middag minder schaduwwerking is door het vergunde bouwplan in vergelijking met een bouwplan volgens het bestemmingsplan. Naar voorlopig oordeel is er dan ook geen sprake van een als onevenredige hinder aan te merken verslechtering van de bezonningssituatie van het bij verzoekster in gebruik zijnde perceel. De voorzieningenrechter betrekt in dat oordeel de aanzienlijke oppervlakte van de bij het voormalige zusterhuis behorende als tuin ingerichte terrein. Dat een deel van die tuin door verzoeksters vennoten privé wordt gebruikt doet aan het voorgaande niet af.

De grief van verzoekster dat verweerder te onrechte niet gemotiveerd is ingegaan op alle in onderdeel 2.2 van de gemeentelijke notitie vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO vermelde criteria treft geen doel. Gelet op het feit dat deze criteria facultatief zijn geformuleerd en in aanmerking genomen dat het bouwplan geen ingrijpende inbreuk maakt op het planologische regime, kan voorshands niet worden ingezien dat die criteria in de belangenafweging in bezwaar van zodanige betekenis zijn dat het vrijstellingsbesluit in bezwaar geen stand kan houden. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat zijdens verweerder is gesteld dat de oprichting van voormeld complex geen strijd oplevert met het provinciaal en Rijksbeleid omdat in het onderhavige geval sprake is van een bestaande bouwmogelijkheid binnen stedelijke gebied in de zin van het Streekplan.

Verzoeksters betoog dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand kan vooralsnog niet worden gevolgd. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag verweerder in beginsel afgaan op het door de welstandscommissie op 19 mei 2006 verstrekte (stempel)advies. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat zijdens verzoekster geen tegenadvies is ingebracht. Voorts is niet gebleken dat het welstandsadvies op onjuiste wijze tot stand is gekomen of anderszins gebreken vertoont. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er op dat inzake het bouwplan meerdere malen vooroverleg heeft plaatsgevonden en dat door de welstandscommissie in het advies van 4 augustus 2005 is aangegeven dat de geformuleerde randvoorwaarden hebben geleid tot een plan met een heldere functionele en ruimtelijke opzet, doch dat de krachtige eenduidige vormgeving van het referentiebeeld nog niet gehaald wordt in het voorliggende ontwerp. In de overtuiging dat een verdere kwaliteitsslag zo nodig in overleg gehaald kan worden, concludeert de commissie dat het schetsplan in hoofdopzet welstandshalve geen bezwaren meer oproept.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verweerder onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing en onder afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Naar verwachting zal het bestreden besluit bij de beslissing in bezwaar in stand kunnen worden gelaten. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op

27 maart 2007 in tegenwoordigheid van mr. F.S. Zwerwer als griffier.