Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA4428

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
78467 - HA ZA 06-621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident; provisionele vordering en vordering ex art. 843A Rv (exhibitieplicht). Beide vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 78467 / HA ZA 06-621

Vonnis in incident van 17 januari 2007

in de zaak van

de stichting

STICHTING ATLANT ZORGGROEP,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. H. Krans,

tegen

de stichting

STICHTING SUTFENE,

gevestigd te Zutphen,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. A.V.P.M. Gijselhart.

Partijen zullen hierna Atlant en Sutfene genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 september 2006

- het procesverbaal van comparitie van 30 oktober 2006 waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor conclusie van repliek aan de zijde van Atlant

- de incidentele conclusie tot voorlopige voorzieningen

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vorderingen en het verweer in het incident

2.1. Atlant vordert dat de rechtbank bij vonnis in het incident

I. Sutfene zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Atlant te betalen een bedrag van € 67.650,07 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 18 januari 2005;

II. Sutfene zal gebieden binnen drie weken na dit vonnis aan Atlant te verschaffen afschriften van alle schriftelijke stukken gewisseld tussen Sutfene en Albron, waarbij de medewerkers van Atlant werkzaam ten behoeve van de maaltijdvoorziening van Sutfene onderwerp waren van die stukken;

kosten rechtens.

2.2. Sutfene voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

I. De voorlopige voorziening tot betaling van € 67.650,07

3.1. Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer Atlant daarbij voldoende belang heeft. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat Atlant de afloop van de hoofdzaak niet kan afwachten of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is. Nu geen van deze omstandigheden zich voordoet en er ook geen sprake is van een andere grond die voldoende belang bij de toewijzing oplevert, zal de provisionele vordering worden afgewezen.

1.2. Ten overvloede wordt opgemerkt dat Atlant er ten onrechte van uitgaat dat het om een niet betwiste vordering in de hoofdzaak zou gaan. Verwezen wordt in het bijzonder naar pagina's 16 - 19 en 29 van de conclusie van antwoord alsmede het in de conclusie van antwoord in het incident verwoorde verweer van Sutfene.

II. De vordering ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

1.3. In de hoofdzaak gaat het kort samengevat om het volgende, voor zover voor dit incident van belang. Tijdens besprekingen over maaltijdverzorging door Atlant voor de instellingen van Sutfene, is Atlant maaltijden gaan verzorgen voor Sutfene. In dat kader zijn werknemers van Sutfene die voorheen in de keuken van Sutfene werkzaam waren, overgegaan naar Atlant. Omdat Sutfene niet tevreden was over de maaltijdvoorziening door Atlant, zijn partijen overeengekomen dat de maaltijdvoorziening beëindigd zou worden. Sutfene heeft na de beëindiging Albron bereid gevonden maaltijden te verzorgen.

Atlant stelt in de hoofdzaak primair dat partijen afspraken hebben gemaakt over (onder meer) de (terug)overname van personeel van Sutfene bij beëindiging en de betaling van de (salaris)kosten van sommige werknemers door Sutfene, hetgeen Sutfene betwist. Bovendien voert Sutfene aan dat zij zich heeft ingespannen boventallige oud-werknemers in dienst te krijgen bij Albron, evenwel zonder daartoe verplicht te zijn. Omdat Atlant volgens haar de betrokken werknemers een werkgarantie had aangeboden en ook overigens niets deed om de zogenaamde boventallige werknemers te laten (over)plaatsen, heeft Sutfene niet verder willen onderhandelen over beëindigingvoorwaarden.

1.4. In het incident voert Atlant ter onderbouwing van haar vordering aan dat zij, gelet op het verweer van Sutfene, recht en belang heeft bij afschriften van de stukken die gaan over de afspraken tussen Sutfene en Albron over de betrokken medewerkers. Omdat Sutfene, volgens Atlant, ter comparitie heeft toegezegd dat zij die stukken in het geding zou brengen, brengen de eisen van een goede procesorde met zich dat Sutfene dat doet voordat Atlant haar conclusie van repliek neemt. Atlant meent ook een recht te hebben op deze stukken omdat ze betrekking hebben op personeelsleden die centraal staan in de rechtsbetrekking tussen Atlant en Sutfene. Atlant verwijst daarvoor naar een concept -beëindigingovereenkomst die zij tevens ten grondslag heeft gelegd aan haar vorderingen in de hoofdzaak.

1.5. Sutfene heeft onder meer aangevoerd dat Atlant geen partij is als bedoeld in artikel 843a Rv. Daarover wordt als volgt overwogen. In de hoofdzaak lijkt tussen partijen niet alleen in geschil te zijn of tussen hen op grond van de concept-beëindigingsovereenkomst afspraken bestaan over de (terug)overname van werknemers en de betaling van de salarissen, maar ook bij welke partij deze werknemers in dienst zijn. Het is dan ook de vraag of er op dit punt een rechtsbetrekking tussen Atlant en Sutfene bestaat en zo ja, welke inhoud deze heeft. Een rechtsbetrekking tussen Atlant en Albron op de voet van artikel 7:662 e.v. BW kan mede in het licht hiervan (nog) niet worden aangenomen, nog daargelaten dat Albron geen partij in de hoofdzaak is. Eén van de voorwaarden voor de toewijzing van een vordering op de voet van artikel 843a Rv is dat het moet gaan om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin Atlant of haar rechtsvoorganger partij is. Of aan die voorwaarde is voldaan, kan thans dus nog niet beoordeeld worden.

1.6. Verder heeft Sutfene terecht aangevoerd dat het volgens de stellingen van Atlant gaat om stukken ter onderbouwing van (een deel van) het verweer van Sutfene. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij de door Atlant gewenste stukken slechts in het geding zal brengen indien dat naar aanleiding van eventueel door Atlant te leveren bewijs nuttig en nodig is. Die fase zal eerst zijn aangebroken indien de rechtbank na de te nemen conclusies van repliek en dupliek oordeelt dat Atlant - mede in het licht van het door Sutfene gevoerde verweer - voldoende heeft gesteld om aan haar bewijs op te dragen. Dat er in dit stadium van de hoofdprocedure een recht van Atlant op inzage in het bewijs van Sutfene is, kan volgens Sutfene niet worden aangenomen. Dit standpunt is juist.

1.7. Ook vanwege dit verweer is er op dit moment onvoldoende aanleiding aan te nemen dat Atlant een rechtmatig belang heeft bij haar vordering, zodat de vordering moet worden afgewezen.

1.8. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

in de hoofdzaak

1.9. Op 30 oktober 2006 is de zaak verwezen naar de rol van 13 december 2006 voor conclusie van repliek. Atlant heeft in plaats van een conclusie van repliek, een incidentele conclusie tot voorlopige voorzieningen op die datum genomen. Mede in het licht van artikel 20 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal de zaak verwezen worden naar de rol over vier weken, ambtshalve peremptoir, voor conclusie van repliek.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.wijst het gevorderde af,

4.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

4.3. verwijst de zaak naar de rol van 14 februari 2007, ambtshalve peremptoir, voor conclusie van repliek.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2007.?