Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA4423

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
79590 / HA ZA 06-796
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade; internationaal vrachtwagenchauffeur loopt een postwhiplash syndroom op; berekening schadeposten en dan met name het verlies aan verdienvermogen; overuren; Europese regelgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 79590 / HA ZA 06-796

Vonnis van 10 januari 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. J.H. Lefers,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

procureur mr. J. Schep.

Partijen zullen hierna [eiser] en Achmea genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 oktober 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] - geboren op [geboortedatum] 1963 - is op 19 juli 1997 op de snelweg richting Oberhausen in Duitsland betrokken geraakt bij een aanrijding. Het ongeval is veroorzaakt door een verzekerde van een rechtsvoorgang-ster van Achmea. Bij brief van 26 februari 1998 heeft Achmea aansprakelijkheid erkend.

2.2. [eiser] heeft tengevolge van het ongeval een postwhiplash syndroom ontwikkeld.

2.3. Ten tijde van het ongeval werkte [eiser] als internationaal vrachtwagenchauffeur voor een werkgever te Duitsland op basis van een 39-urig contract. Na het ongeval is hij tijdelijk volledig arbeidsongeschikt geraakt. Per 1 april 1998 is de arbeidsovereenkomst beëindigd.

2.4. Na een voor [eiser] succesvol verlopen bestuursrechtelijke procedure, heeft hij vanaf 12 juli 1999 recht op een WAO-uitkering op basis van 80-100 % arbeidsongeschiktheid. Deze uitkering ontvangt [eiser] nog steeds.

2.5. Partijen hebben zeer langdurig onderhandeld over de schadeafwikkeling. Zij zijn niet tot overeenstem-ming gekomen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

I Achmea zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te voldoen de navolgende bedra-gen:

• terzake van materiële kosten: € 129.130,74

• terzake van geleden schade terzake verlies aan verdienvermogen vanaf 19 juli 1997 tot 1 januari 2003: € 161.944,00

• terzake van de wettelijke vertragingsrente over het verlies aan verdienvermogen tot

1 maart 2004: € 11.244,00, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente over het totaal op die datum van € 173.188,00 vanaf 1 maart 2004 tot aan de dag der algehele voldoening

• terzake van toekomstig verlies aan arbeidsvermogen vanaf 1 januari 2003: € 448.826,00

• terzake van de vermogensrendementsheffingsschade over voornoemd bedrag € 58.358,00

• terzake van de wettelijke vertragingsrente over het toekomstig verlies aan verdienvermogen vanaf 1 januari 2003 met de bijbehorende vermogensrendements-heffingsschade van in totaal € 507.184,00 (vanaf 1 januari 2003 tot 1 maart 2004):

€ 35.019,00, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente over het totaal op die datum van € 542.203,00 vanaf 1 maart 2004 tot aan de dag der algehele voldoening

• terzake van smartengeld: € 30.000,00, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf 19 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening

• terzake van buitengerechtelijke kosten, medische kosten en kosten voor het opstellen van de schadeberekening: € 36.539,94

zulks met aftrek van het in totaal al betaalde bedrag van € 152.594,99,

althans bedragen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, alles vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente over deze bedragen vanaf het moment dat de bedragen verschuldigd zijn, althans subsidiair vanaf 25 juli 2006, dit alles tot aan de dag der algehele voldoening.

II primair: voor recht zal verklaren dat Achmea in dient te staan voor de door [eiser] eventueel nog te lijden belastingschade als gevolg van het door de Belastingdienst aanmerken van enigerlei bedrag uit hoofde van de in deze procedure door de rechtbank aan [eiser] toe te wijzen bedragen, als zijnde bedragen conform box I van het huidige belastingstelsel, althans op basis van een vergelijkbaar systeem in de toekomst

subsidiair: Achmea zal veroordelen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, een belastinggarantie af te geven aan [eiser] conform het in het lichaam van de dagvaarding gespecificeerde model, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of per gedeelte van een dag dat Achmea nalatig blijft om aan deze veroordeling gevolg te geven

meer subsidiair: de onderhavige zaak op dit punt aan zal houden, zodat door [eiser] overleg gevoerd kan worden met de Belastingdienst over haar standpunt ten aanzien van de alsdan reeds door de rechtbank in deze toegewezen schadeposten, en de zaak vervolgens op een tijdsbestek van twee maanden weer op de rol van de rechtbank te plaatsen voor akte houdende uitlating aan de zijde van [eiser] ten aanzien van dit standpunt

III Achmea zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Achmea voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn het, weliswaar op andere gronden, eens over het toepasselijk recht. Met partijen wordt geoordeeld dat het Nederlands recht op deze zaak van toepassing is en wel op grond van het te dezen toepasse-lijke artikel 3 van het Haags Verkeersongevallen Verdrag.

Medische gevolgen

4.2. In opdracht en samenspraak met partijen hebben deskundigen over [eiser] gerapporteerd. In zijn rapport van 6 april 2000 (productie 16 van [eiser]) concludeert neuroloog dr. M.W.I.M. Horstink dat [eiser] lijdt aan een postwhiplash syndroom en dat een medische eindtoestand is bereikt. Volgens hem zijn de klachten en beperkin-gen die [eiser] ondervindt ongevalsgerelateerd en zijn er geen relevante pre-existente factoren aanwezig. De ar-beidsdeskundige J.A.M. Pigge heeft in zijn rapport van 29 maart 2002 (productie 27 van [eiser]) geconcludeerd dat, gelet op de door de medische adviseur aangegeven fysieke en psychische belastbaarheid, waaruit volgens Pigge blijkt dat [eiser] op beide gebieden fors is beperkt, er voor [eiser] geen mogelijkheden op de arbeidsmarkt zijn.

4.3. Achmea stelt zich op het standpunt dat voornoemde rapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen om de huidige schade en toekomstschade vast te stellen. Dit verweer wordt gepasseerd. Nu Horstink reeds in 2000 uitging van een medische eindtoestand, [eiser] ter comparitie heeft aangegeven dat er in zijn situatie de afgelopen jaren niets noemenswaardig is veranderd en de WAO-herkeuring geen wijziging in het arbeidsongeschiktheid-percentage heeft teweeggebracht (productie ter comparitie van [eiser]), is er onvoldoende aanleiding om te ver-onderstellen dat de bevindingen van de deskundigen Horstink en Pigge niet meer geldend zouden zijn voor de huidige en toekomstige medische toestand van [eiser].

4.4. Bij de berekening van de schade dient dan ook te worden uitgegaan van het ontbreken van resterende verdiencapaciteit en een stationaire toestand op medisch gebied.

Pre-existente factoren en predispositie

4.5. [eiser] heeft enige tijd voor het ongeval een beentje in de rechterhand/pols gebroken waardoor bij hem sympathische reflexdystrofie is ontstaan. Deze aandoening brengt mee dat de hand/pols op gezette tijden minder (gecontroleerd) beweeglijk en pijnlijk is. Na verloop van tijd neemt de aandoening af in intensiteit.

4.6. Achmea stelt dat [eiser] vanwege deze aandoening "een aantal periodes arbeidsongeschikt is geweest". Weliswaar valt uit de door [eiser] overgelegde stukken op te maken dat hij een enkele keer vanwege de pols heeft verzuimd, maar dit brengt niet zonder meer mee dat aangenomen moet worden dat [eiser] het ongeval wegge-dacht door deze aandoening minder of korter zou hebben gewerkt of gefunctioneerd. Daarvoor zijn de aanwij-zingen in het dossier te gering. Achmea heeft haar standpunt ook niet nader onderbouwd. Bovendien kennen Horstink noch Pigge enige beperking toe aan de pols in het kader van de arbeidsmogelijkheden van [eiser]. Ten slotte heeft [eiser] ter comparitie verklaard dat hij de hand inmiddels weer volledig kan gebruiken. Volgens zijn zeggen heeft hij vanwege de hand nimmer hoeven verzuimen.

4.7. In het kader van de bestuursrechtelijke procedure zijn in opdracht van de rechtbank rapporten opge-steld. Uit het rapport van revalidatiearts prof. dr. G. Zilvold van 18 april 2001 met daaraan gehecht een rapport van GZ-psycholoog M.G.B.G. Blokhorst (productie 20 van [eiser]), wordt opgemaakt dat bij [eiser] sprake is (ge-weest) van Minimal Brain Damage (MBD). In zijn kindertijd heeft hij een behandeling ondergaan voor ge-dragsproblematiek. Volgens Achmea is er bij [eiser] sprake van een psychische pre-existente kwetsbaarheid die, het ongeval weggedacht, in het zware beroep van internationaal vrachtwagenchauffeur zijn tol zou zijn gaan eisen.

4.8. Ook op dit punt wordt Achmea in het ongelijk gesteld. Achmea heeft haar standpunt niet nader onder-bouwd. Dit had wel op haar weg gelegen. Uit het rapport van Blokhorst wordt immers begrepen dat de gedrags-problemen van [eiser] op jonge leeftijd op dit moment slechts tot uitdrukking kunnen komen in zijn (gebrek aan) sociale relaties. Blokhorst merkt daarover op dat de oorzaak voor de geringe sociale contacten en het gebrek aan de behoefte daaraan bij [eiser] "waarschijnlijk" voortvloeit uit de gedragsproblemen uit de jeugd. Dat deze factor voor de functie van internationaal vrachtwagenchauffeur, een functie die bij uitstek solistisch wordt uitgevoerd, een negatieve invloed zou hebben, ligt niet voor de hand. Verder is [eiser] niet alleen geslaagd voor het diploma gevaarlijke stoffen maar heeft hij volgens zijn zeggen ook met gevaarlijke stoffen gereden. Daarnaast heeft [eiser] ter comparitie verklaard dat hij exceptioneel vervoer tot 35 meter reed waarvoor een hoge stressbestendigheid benodigd is. Ook persoonlijkheidstest zouden hebben uitgewezen dat [eiser] stressbestendig is. Op dat gebied is er dus geen aanleiding te veronderstellen dat [eiser] relevant gepredisponeerd is. Aan het voorgaande doet niet af dat Pigge op de laatste bladzijde van zijn rapport heeft opgemerkt dat uit de medische gegevens blijkt dat [eiser] voor het ongeval van 19 juli 1997 "reeds kwetsbaar was op zowel geestelijk als lichamelijk gebied". Deze con-clusie wordt immers slechts gedragen door de aan dat oordeel ten grondslag gelegde rapport van medisch advi-seur C.S.H. Haarsma. Dit rapport is aan het rapport van Pigge aangehecht. Haarsma baseert zich op zijn beurt op het hiervoor besproken rapport van Blokhorst en verwijst voorts naar de ook al besproken sympathische reflex-dystrofie.

4.9. De slotsom is dan ook dat bij de schadebegroting geen rekening zal worden gehouden met pre-existente factoren of predispositie. In het hiernavolgende zullen de door [eiser] opgevoerde posten één voor één worden beoordeeld.

Algemene uitgangspunten

4.10. Als kapitalisatiedatum zal 1 juli 2007 worden genomen. De rekenrente is 3 procent, opgebouwd uit een verwacht rendement van 6 procent en een inflatie van 3 procent.

Verlies verdienvermogen

4.11. [eiser] vordert een bedrag van € 161.944,00 aan verschenen schade, berekend tot

1 januari 2003, € 448.826,00 aan toekomstige schade en aan belastingschade een bedrag van € 58.358,00. Hij baseert dit bedrag op het door het Instituut Voor Berekening Letselschade BV (IVBL) opgemaakte rapport van 24 februari 2004 (productie 36 van [eiser]). Achmea is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het rap-port zodat het in zoverre wordt aangemerkt als een partijrapport. Achmea heeft voorts bezwaren aangevoerd tegen de gehanteerde uitgangspunten in het rapport. Mede op basis van hetgeen hieronder wordt overwogen, is er aanleiding een nieuwe berekening van de door [eiser] geleden schade te maken. Dat laat onverlet dat sommige niet betwiste uitgangspunten uit het rapport van IVBL kunnen worden overgenomen. Anders dan [eiser] heeft aangevoerd, staat het Achmea vrij om de uitgangspunten voor zijn schadeberekening ter zake van het verlies aan verdienvermogen in rechte te bestrijden, ook al heeft Achmea buiten rechte op een of meer van die uitgangspun-ten geen commentaar geleverd. In het door [eiser] gestelde is geen deugdelijke grondslag gelegen om zijn impli-ciet gedane beroep op een rechtsverwerking te honoreren.

Bruto inkomen voor ongeval

4.12. IVBL is op basis van de door [eiser] verstrekte inkomensgegevens uitgegaan van een bruto jaarinkomen van DM 53.508,50 en DM 2.300 vakantiegeld ten tijde van het ongeval. Begrepen wordt dat dit jaarinkomen betrekking heeft op een 39-urig contract. Achmea heeft deze bedragen erkend alsmede de door IVBL toegepaste indexatie tot 2003 tot een bedrag aan bruto jaarinkomen van € 33.747,45. Genoemde bedragen zullen dus als uitgangspunt dienen voor de berekening. Tevens wordt het uitgangspunt overgenomen dat het Nederlandse (loon)belastingregime op de inkomsten van [eiser] toepasselijk is.

Overwerkvergoeding

4.13. In opdracht van [eiser] heeft IVBL gerekend met een netto overwerkvergoeding voor 100 uren per maand à DM 25,- per uur en dientengevolge een bedrag van € 15.339,00 als jaarlijkse netto schadefactor in de berekening opgenomen. Achmea keert zich tegen zowel het aantal overwerkuren als de berekening van de ver-goeding ervan.

4.14. Ter onderbouwing van de overwerkuren heeft [eiser] bij productie 50 enkele "Bescheinigungen" (attes-ten) van kennelijk zijn Duitse werkgever overgelegd. Volgens deze attesten heeft [eiser] in 1993 1389 uren over-gewerkt, in 1994 1612, in 1995 1116 en in 1996 1461 uren overgewerkt. Hij heeft daarvoor DM 25,- per over-uur ontvangen. Ter toelichting heeft [eiser] aangegeven dat voor de berekening van de verschenen en toekomstige schade gerekend zou moeten worden met een gematigd gemiddelde van 100 uren per maand.

4.15. Hoewel met Achmea wordt geconstateerd dat de "Bescheinigungen" niet uitblinken in helderheid en authenticiteit, moet tevens worden opgemerkt dat geen al te hoge eisen gesteld kunnen worden aan de admini-stratie in het internationaal wegvervoer in die periode. Vanwege het feit dat [eiser] in de jaren 1993-1997 een jonge vrijgezelle rijder was en er in die tijd in de branche vele overuren werden gemaakt, komt het mede in sa-menhang met de "Bescheinigungen" voorts niet onaannemelijk voor dat [eiser] in genoemde jaren zeker 100 uren per maand heeft overgewerkt. Dit komt neer op een werkweek van 62 uur. In het licht hiervan is er onvoldoende aanleiding [eiser] te belasten met het bewijs dat hij voor het ongeval tenminste 100 overuren per maand maakte. Ook voor de jaren na 1997 waarin het nog goed ging met het internationaal vrachtverkeer, moet worden aange-nomen dat [eiser] overuren zou hebben gemaakt in de orde van grootte als daarvoor. Aan de dit oordeel doet niet af dat het UWV bij de bepaling van het dagloon van [eiser] met niet meer dan 10 overuren per week rekening heeft gehouden.

4.16. Gelet op het feit dat [eiser] per 1 mei 2003 is gaan samenwonen met zijn echtgenote die uit een eerder huwelijk twee kinderen had, wordt aangenomen dat [eiser], het ongeval weggedacht, op enig moment een gezin zou hebben gesticht. Verder is in de loop der jaren de regelgeving voor het internationaal vrachtvervoer gewij-zigd. Daarnaast speelt een rol dat sinds enige jaren het internationaal vrachtvervoer kampt met sterke concurren-tie uit Oost Europa. Daar komt bij dat de combinatie van de steeds stijgende benzineprijzen en toenemende con-currentie van ook andere wijzen van vervoer maken dat de branche onder druk is komen te staan. Al deze facto-ren in samenhang beschouwd zouden ertoe geleid hebben dat het voor [eiser] minder goed mogelijk zou zijn ge-weest 100 overwerkuren te maken en te handhaven tot het einde van zijn loopbaan.

4.17. In het voorgaande wordt aanleiding gezien in de berekening rekening te houden met 100 overuren per maand tot 1 januari 2003. In de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2012 zal gerekend worden met gemid-deld 70 overuren per maand (een werkweek van 55 uur), beginnend met 100 overuren per maand, aflopend tot en eindigend met ongeveer 40 overuren. Dit oordeel vindt mede steun in de door [eiser] overgelegde publicaties over arbeidstijden in het internationaal wegvervoer en de reactie daarop van Achmea alsmede in toekomstige ontwikkelingen. Op grond van Europese regelgeving (Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen van 23 maart 2002), zal de werkweek van een internationaal chauffeur immers niet meer dan 48 uren mogen bedragen. Deze richtlijn is op vervoersbedrijven reeds van toepassing vanaf 23 maart 2005 en wordt op zelfstandige bestuurders ("eigen rijders") van toepassing op 23 maart 2009. Omdat er-van wordt uitgegaan dat het nog enige tijd zal duren voordat de richtlijn niet alleen is omgezet maar ook daad-werkelijk strikt nageleefd en gehandhaafd zal worden, wordt eerst vanaf 1 januari 2012 gerekend met 39 (48-39 x 4,35) overuren per maand.

4.18. Achmea betwist dat [eiser] DM 25,00 per gewerkt overuur heeft ontvangen. Met verwijzing naar het-geen hiervoor is overwogen over de "Bescheinigungen" wordt geoordeeld dat op [eiser] geen zwaardere bewijs-last wordt gelegd. Het verweer van Achmea wordt dus gepasseerd.

4.19. Wel wordt Achmea gevolgd in haar standpunt dat op de voet van Hoge Raad

24 november 2000 (NJ 2001/195) het netto equivalent van het kennelijk zwart uitbetaalde bedrag van DM 25,00 (€ 12,78) gehanteerd moet worden. Nu het uitgangspunt is dat het Nederlands belastingstelsel van toepassing is, zal het netto equivalent berekend dienen te worden naar het ten tijde van het ongeval geldende belastingregime.

Looptijd

4.20. Ten tijde van het ongeval werkte [eiser] voor een Duits vervoersbedrijf waarop geen met de Nederlandse cao vergelijkbare regeling van toepassing was. Kennelijk heeft IVBL op grond hiervan geen rekening gehouden met prepensionering en een looptijd tot 65 jaar aangenomen.

4.21. Achmea heeft onder verwijzing naar pre-existente klachten en predispositie aangevoerd dat [eiser] niet zonder meer tot zijn 65-jarige leeftijd het zwaar werk van internationaal vrachtwagenchauffeur had kunnen ver-richten. Daarbij wijst zij tevens op een feit van algemene bekendheid dat boven de 50 jaar, althans 55 jaar een vrachtwagenbestuurder niet meer internationaal actief zal zijn. In elk geval zal [eiser] niet de overuren kunnen maken die hij in zijn jeugd maakte, aldus Achmea.

4.22. Over predispositie en pre-existente factoren is hiervoor reeds geoordeeld. Ook de overuren zijn al vast-gesteld. Dat het een feit van algemene bekendheid is dat internationale chauffeurs na hun 50e - 55e niet meer internationaal rijden, valt niet zonder meer in te zien, nog daargelaten dat Achmea dit "feit van algemene be-kendheid" niet heeft doen vergezellen van enige onderbouwing. Dan rest nog de toekomstverwachting en het eventueel bestaan van pensioenvoorzieningen die stoppen met werken voor het 65e levensjaar aannemelijk of mogelijk maken.

4.23. [eiser] heeft verklaard dat het internationaal vrachtvervoer zijn lust en zijn leven was. Uit de rapportages van Blokhorst en Pigge wordt afgeleid dat dat beroep bij uitstek bij hem paste. [eiser] wordt gekenschetst als een eenzelvige man, met een aversie voor routinematig werk in een hiërarchische omgeving, die het best functio-neert als ondernemer in een vak waarin hij zelfstandig kan werken. Gelet hierop moet in beginsel worden aan-genomen dat [eiser] het beroep van internationaal vrachtwagenchauffeur zeker tot boven zijn 60e levensjaar zou hebben uitgevoerd. Wanneer hij gestopt zou zijn, hangt mede af van de pensioenvoorziening waarover [eiser] zou hebben beschikt. Dit aspect is tot op heden niet aan de orde gekomen.

4.24. Achmea heeft erop gewezen dat het aannemelijk is dat [eiser] voor een Nederlands bedrijf zou zijn gaan rijden omdat hij naar Etten-Leur is verhuisd. Nu die verhuizing na het ongeval heeft plaatsgevonden en gesteld noch gebleken is dat in 1997 de huidige echtgenote van [eiser] al in beeld was, of een verhuizing naar Etten-Leur voorzien was, kan die verhuizing niet redengevend zijn voor het oordeel over hoe de toekomst er voor [eiser] zou hebben uitgezien. Voorheen woonde [eiser] in Ulft, in de grensstreek dus. Het wordt er dan ook voor gehouden dat [eiser] zowel voor Duitse als voor Nederlandse vervoersondernemingen zou hebben gewerkt, afhankelijk van het aanbod en de voorzieningen in beide landen. In Nederland zal [eiser] - indien hij als werknemer zou werken - aan een pensioenregeling hebben deelgenomen. Als eigen rijder zou hij zelf voor een pensioenvoorziening zorggedragen hebben. Onduidelijk is of [eiser] in Duitsland pensioen heeft opgebouwd of aangesloten was bij een pensioenregeling. Indien dat niet het geval was, komt de vraag op op welke wijze [eiser] tot aan het ongeval voorzien heeft in een reservering voor zijn pensioen en of die voorziening ruimte liet eerder te stoppen met wer-ken dan vanaf het 65e levensjaar. Tenslotte is bij dit alles van belang de vraag of de eventuele prepensioenuitke-ring voor [eiser] hoger zou zijn geweest dan de WAO-uitkering die in elk geval doorloopt tot zijn 65e levensjaar. Alleen dan is immers sprake van verlies aan arbeidsvermogen voor de periode waarin [eiser] met prepensioen zou zijn gegaan.

4.25. [eiser] wordt verzocht zich over zijn pensioenvoorziening vóór 19 juli 1997 uit te laten. Hij zal, zo aan-wezig, zijn pensioenopgave van 1997 en daarnaast de meest recente pensioenopgave dienen over te leggen. Ook wordt hij in de gelegenheid gesteld aanknopingspunten en stukken aan te reiken voor hetgeen overigens over de pensioenvoorziening van [eiser] na het ongeval is overwogen. Achmea zal bij antwoordakte mogen reageren. Afhankelijk van het alsdan gevoerde debat tussen partijen, zal over de looptijd en de consequenties daarvan worden geoordeeld.

Inkomen na ongeval

4.26. Nu daartegen geen enkel verweer is aangevoerd, zal worden uitgegaan van de berekeningen van IVBL tot 1 januari 2003. Vanaf het jaar 2003 rekent het IVBL met louter het uit de WAO-uitkering bestaand bruto jaarinkomen inclusief vakantiegeld tot een bedrag van € 16.724,36. De WAO-uitkering is tot 12 juli 2009 we-derom toegekend. [eiser] wordt verzocht de jaaropgaven/belastingaangiften van 2003 tot en met 2006 over te leggen. Gelet op het reeds hiervooroverwogene, valt niet te verwachten dat de uitkering in de toekomst vermin-derd of ingetrokken zal worden. Het moet er dus voor worden gehouden dat [eiser] tot zijn 65e levensjaar de hui-dige WAO-uitkering zal ontvangen.

Fiscale component/belastingschade

4.27. IVBL heeft een belastingschade berekend van € 58.358,00. Op basis van de herberekening volgens de voormelde uitgangspunten, zal ook deze post dienen te worden herberekend, met inachtneming van de destijds geldende en huidige regelingen.

4.28. Of in dat kader vanaf 1 januari 2006 de gehele vermogensvrijstelling voor een of twee personen kan worden meegenomen, is afhankelijk van het vermogen van [eiser] en zijn echtgenote en de vraag of zij aange-merkt worden als fiscale partners. Hij wordt verzocht hierover uitsluitsel te geven.

Overige materiële schade

Reiskosten

4.29. Achmea erkent de verschuldigdheid van de gevorderde reiskosten tot een bedrag van € 834,31 zodat deze zullen worden toegewezen.

Reiskosten van en naar de fysiotherapeut in Zevenaar

4.30. [eiser] vordert een totaalbedrag van € 17.932,80 voor de reiskosten die gemoeid zijn (geweest) met het vervoer van en naar zijn fysiotherapeut te Zevenaar, eerst vanuit Ulft en later vanuit Etten-Leur. Hetgeen voors-hands ter comparitie is overwogen, wordt gehandhaafd. Dit brengt mee dat toewijsbaar is de geleden schade tot een bedrag van

€ 4.586,40 voor de reiskosten tussen Ulft en Zevenaar. Ten aanzien van de overbrugging rondom de verhuizing naar Etten-Leur, zijn vijf ritten Etten-Leur - Zevenaar in redelijkheid toewijsbaar tot een bedrag van € 304,50. Omdat niet valt in te zien dat [eiser] niet eerder dan in juni 2005 een fysiotherapeut in of vlakbij Etten-Leur zou hebben kunnen vinden, komt de rest van de opgevoerde schadepost voor geleden en toekomstige schade, be-staande uit ritten Etten-Leur – Zevenaar, niet voor vergoeding in aanmerking.

Extra kosten fysiotherapie en acupunctuur vanaf 1 januari 2006

4.31. [eiser] vordert een totaalbedrag van € 27.875,00. Omdat hij thans niet verzekerd is voor meer dan 9 be-handelingen fysiotherapie en slechts beperkt voor acupunctuur, dient hij over het jaar 2006 een bedrag te betalen van € 4.375,00. Voor de toekomstige schade heeft hij gerekend met een bedrag van € 4.700,00 per jaar. Ter comparitie is aan de orde gekomen de mogelijkheid voor [eiser] een andere (aanvullende) verzekering te kiezen. Hij bleek daarmee al doende en het gevolg zou zijn dat alle behandelingen voor fysiotherapie voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Of de nieuwe verzekering ook zal voorzien in (volledige) vergoeding van acu-punctuur is niet aan de orde gekomen. Indien dat het geval is, rest - behoudens de verschenen schade van € 4.375,00 - geen schade op dat punt. [eiser] wordt verzocht zich uit te laten over zijn zorgverzekering vanaf 1 ja-nuari 2007 en de regels voor vergoeding van fysiotherapie en acupunctuur waarvoor hij zich heeft verzekerd.

4.32. Achmea heeft de medische noodzaak van de behandelingen betwist. Nu [eiser] ter comparitie heeft aan-gegeven dat zijn huisarts elk halfjaar of elk jaar fysiotherapie tot het maximum voorschrijft en hij bereid is de stukken daarvan in het geding te brengen, zal [eiser] verzocht worden dat bij akte te doen. Tevens dient hij daar-bij de medische noodzaak van acupunctuur nader te onderbouwen.

Kosten aanpassingen

4.33. Het voor deze post totaal gevorderde bedrag komt op € 28.739,71. Het betreft (nominale) bedragen voor de aanschaf in het verleden en in de toekomst van een stofzuiger, een droger, een speciale stoel, een fiets met voorvorkvering en een titanium bril met betere glazen.

4.34. Nog daargelaten dat de bedragen voor de toekomst niet zijn gekapitaliseerd, is geen enkele post met bescheiden onderbouwd. [eiser] wordt verzocht zich nader uit te laten, zo mogelijk onder bijvoeging van stukken, over de medische noodzaak van de genoemde aanpassingen en de kosten daarvan. Achmea zal bij antwoordakte mogen reageren.

Huishoudelijke hulp

4.35. De kosten voor het indicatieonderzoek naar huishoudelijke hulp tot een bedrag van € 158,82 komen voor toewijzing in aanmerking. Daarnaast vordert [eiser] tot het moment dat hij op 1 mei 2003 ging samenleven met zijn echtgenote een bedrag van € 11.500,00. Dit is gebaseerd op de indicatie van vier uren huishoudelijke hulp per week. Ter comparitie heeft [eiser] aangegeven dat hij in de periode tot 1 mei 2003 geen (betaalde) huis-houdelijke hulp heeft gehad. Nu geleden schade is gevorderd en de schade zo concreet mogelijk moet worden begroot, wordt geoordeeld dat op dit punt door [eiser] geen schade is geleden.

Schilderwerk

4.36. [eiser] stelt dat hij zonder ongeval zijn huis zelf eens in de acht jaar zou hebben geschilderd hetgeen hij nu niet meer kan. Achmea heeft aangevoerd dat [eiser] met een drukke baan als internationaal vrachtwagenchauf-feur geen tijd over zou hebben om zijn huis te schilderen.

4.37. Voordat [eiser] naar Etten-Leur verhuisde, had hij een eenpersoonshuishouding in een woning waarin ook andere mensen woonden. Pas daarna kreeg hij de beschikking over een eensgezinswoning die regelmatig schilderonderhoud behoeft. Niet valt in te zien dat [eiser] geen tijd zou hebben om zijn huis te schilderen, nu hij uiteraard recht op vakantiedagen had en aangenomen is dat hij werkweken maakte van 62 uur per week, aflo-pend tot 48 uur per week. Het uitgangspunt dat een schilderbeurt eens in de acht jaar nodig is, is redelijk te ach-ten, eveneens de daarvoor door [eiser] berekende kosten van € 4.000,00 per keer.

4.38. Dit brengt mee dat op jaarbasis vanaf 1 mei 2003 een bedrag van € 500,00 berekend zal moeten wor-den.

Tuinonderhoud

4.39. Ter zake van het tuinonderhoud vordert [eiser] vanaf het ongeval inclusief toekomstige schade een be-drag van € 26.090,10. Hij gaat daarbij uit van twee uur tuinonderhoud gedurende 30 weken tegen een tarief van € 15,00. Ter toelichting heeft hij ter comparitie verklaard dat hij in Ulft weliswaar over een tuin beschikte, maar daar nooit in werkte omdat andere bewoners dat deden en soms zijn ouders. In Etten-Leur beschikt [eiser] over een tuin van 150 tot 160 vierkante meter. Nu zijn vrouw die tuin volledig zelf verzorgt, gaat het om verplaatste schade in de zin van artikel 6: 107 BW.

4.40. Gelijk geoordeeld is over de verschenen schade aan huishoudelijke hulp, moet worden geoordeeld dat [eiser] in Ulft geen schade ter zake van het tuinonderhoud heeft geleden. Wel is er aanleiding kosten te vergoeden voor de tuin vanaf mei 2003. Het gaat om een redelijk omvangrijke tuin. [eiser] heeft niet gesteld dat hij het on-geval weggedacht alleen voor die tuin zou hebben gezorgd zodat wordt aangenomen dat de tuin een gezamenlij-ke verantwoordelijkheid van beide echtelieden zou zijn geweest. Het ontbreken van de zelfwerkzaamheid van [eiser] dient in dat kader te worden vergoed. In redelijkheid wordt de schade die daarmee verband houdt, bepaald op hetgeen ter comparitie reeds voorshands is overwogen, te weten éénmaal drie uren tuinonderhoud per maand gedurende 10 maanden van het jaar tegen een tarief van € 15,00 per uur. Dit levert een kostenpost van € 450,00 per jaar op die bij de berekening moet worden betrokken.

Looptijd ten aanzien van de overige materiële kosten

4.41. Bij gebreke van andersluidende feiten of omstandigheden, wordt ervan uitgegaan dat [eiser] - zonder ongeval - zelfredzaam zou zijn geweest tot aan zijn 70e levensjaar. Daarna zou hij ook zonder ongeval hulp voor tuin- en schilderwerk hebben moeten inroepen.

Smartengeld

4.42. [eiser] vordert een bedrag van € 30.000,00 aan smartengeld. Een deel daarvan betreft vergoeding van-wege secundaire victimisatie omdat schaderegelaar N.E. Slond van Achmea zich grievend over [eiser] heeft uit-gelaten, de onderhandelingen nodeloos heeft gerekt, steeds is teruggekomen op besliste uitgangspunten en ook nadat de vertegenwoordigers van [eiser] Achmea verzocht hadden de schaderegeling door een ander te laten ver-richten, niet is teruggetreden. In de dagvaarding is een en ander zeer uitgebreid uit de doeken gedaan en tevens is alle correspondentie overgelegd. Ter onderbouwing van dit onderdeel heeft [eiser] aangegeven dat hij hoopt dat op die manier een signaal wordt afgegeven aan Achmea.

4.43. Nu Achmea bereid is smartengeld te vergoeden tot een bedrag van € 20.000,00, zal dit bedrag worden toegewezen. Het bedrag komt overeen met de gebruikelijk in dit soort zaken door rechters in Nederland toege-wezen bedragen. Verwezen wordt in het bijzonder naar Smartengeldgids Verkeersrecht 2006, nummers 512 en 517.

4.44. Hoewel met [eiser] wordt geoordeeld - hetgeen Achmea ook heeft toegegeven - dat de schaderegeling onnodig lang heeft geduurd, en voorts dat de toon en inzet van Slond niet op alle momenten professioneel ge-noemd kan worden, is er onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat [eiser] daardoor is gaan lijden aan secun-daire victimisatie. Dit heeft [eiser] ook niet aangetoond. Nu ook overigens onvoldoende feiten zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat Achmea onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat [eiser] daardoor geestelijk letsel heeft ondervonden als bedoeld in artikel 6: 106 BW, dient de vordering voor het overige te worden afge-wezen.

Wettelijke rente

4.45. De wettelijke rente over het smartengeld zal worden toegewezen vanaf 19 juli 1997. Ten aanzien van de verschenen schade wordt voorshands geoordeeld dat de rente jaarlijks berekend zal moeten worden ten aan-zien van de doorlopende posten. Voor wat betreft de overige posten, voor zover voor toewijzing vatbaar, is de datum waarop de schade is geleden beslissend. De wettelijke rente over de toekomstige schade zal verschuldigd zijn vanaf de kapitalisatiedatum 1 juli 2007. Omdat dit onderdeel van de vordering niet besproken is ter compa-ritie en Achmea verzocht heeft de discussie over de omvang van de wettelijke rente aan te houden totdat over de uitgangspunten is beslist, zal Achmea worden toegestaan zich uit te laten over deze voorshandse uitgangspun-ten.

Buitengerechtelijke kosten en voorschotten

4.46. Aan voorschotten onder algemene titel heeft Achmea een bedrag van € 110.146,91 voldaan. Aan bui-tengerechtelijke kosten, waaronder de kosten voor medische onderzoeken en de schadeberekening, heeft Ach-mea in totaal een bedrag van € 36.593,94 (€ 28.768,85 +

€ 7.771,09) voldaan. Tenslotte is voor autoschade en autoverhuur een bedrag betaald van

€ 5.908,14. In totaal is derhalve aan voorschotten voldaan een bedrag van € 152.594,99.

Belastinggarantie

4.47. Nu Achmea onvoorwaardelijk heeft toegezegd garant te staan voor eventuele schade indien de belas-tingdienst het te betalen bedrag in box 1 als fiscaal belastbaar zou aanmerken en een gebruikelijke belastingga-rantie af zal geven, heeft [eiser] geen belang meer bij de beoordeling van onderdeel II van zijn vordering.

Ten slotte

4.48. Partijen zullen zich over enkele punten nog dienen uit te laten. Partijen wordt in overweging gegeven alsnog tot een minnelijke regeling te komen, nu de belangrijkste verschilpunten zijn beslecht. Indien zij daarin niet slagen, kunnen zij in hun aktes tevens voorstellen doen voor het rekencentrum dat de herberekening zal dienen uit te voeren. Achmea zal in dat geval belast worden met de voldoening van het voorschot voor de bere-kening.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 februari 2007 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 4.25, 4.26, 4.28, 4.31, 4.32, 4.34,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 februari 2007 voor het nemen van een akte door Achmea over hetgeen is vermeld onder 4.45,

5.3. bepaalt dat partijen over en weer op deze aktes mogen reageren,

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2007.?