Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA4266

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
06/460649-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in een periode van één maand herhaaldelijk heeft schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten. Zo heeft verdachte onder meer opzettelijk brand gesticht in een woning en in diverse auto’s, waarbij hij niet alleen goederen en aangrenzende woningen, maar ook herhaaldelijk zelfs personen in (levens)gevaar heeft gebracht. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een aantal vernielingen van diverse auto’s en een ruit van een woning.

De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een substantiële straf.

De rechtbank ziet in de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals weergegeven in het psychologische en psychiatrische onderzoek en de voorlichtingsrapportages en de positieve en constructieve houding ter terechtzitting en de indruk die de rechtbank ter zitting van de verdachte heeft gekregen, aanleiding om aan het voorwaardelijk op te leggen deel een bijzondere voorwaarde –zoals hierna te melden- te verbinden, teneinde verdachte langs die weg structuur en houvast te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460649-06

Uitspraak d.d.: 1 mei 2007

tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op 18 juli 1990,

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in JPC De Sprengen te Zutphen.

Ter terechtzitting gegeven beslissing

Ter terechtzitting van 17 april 2007 is het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling afgewezen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

in of omstreeks de periode van 25 november 2006 tot en met 26 november 2006

in de gemeente Montferland,

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (aan de [adres]),

immers heeft verdachte met een aansteker twee gordijnen aangestoken, in elk

geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met gordijnstof, althans

met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die gordijnen en/of het woonhuis en/of de inboedel geheel

of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woning en genoemde goederen en

aangrenzende woningen en/of opstallen en/of (andere) goederen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor de zich in die woningen en/of opstallen bevindende

personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen, te duchten was;

(incident 1 en 13, verklaring verdachte o.a. op pagina's 144 e.v. en 286 e.v.)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

in of omstreeks de periode van 25 november 2006 tot en met 26 november 2006

in de gemeente Montferland,

opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (een grijze volvo met het

kenteken [kenteken1]),

immers heeft verdachte in die auto met een aansteker een doek aangestoken en

die doek brandend in de auto achtergelaten, in elk geval opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met een doek, althans met (een) brandbare

stof(fen),

ten gevolge waarvan de auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval

brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de auto, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen te duchten was;

(incident 1 en 13, verklaring verdachte o.a. op pagina's 144 e.v. en 286 e.v.)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op of omstreeks 18 november 2006

in de gemeente Montferland,

opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (een volkswagen golf met het

kenteken [kenteken2]),

immers heeft verdachte met een aansteker het plastic van een daarmee afgeplakt

ruitje van de auto aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met plastic, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan de auto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en andere daar vlakbij geparkeerde

auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

(incident 2, verklaringen verdachte pagina 210 e. v.)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij

op of omstreeks 17 november 2006

in de gemeente Montferland,

opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (een witte renault expres met het

kenteken [kenteken3]),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de aansteker een katoenen

doek aangestoken en die brandend in de auto achtergelaten, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een katoenen doek, althans

met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan de auto en/of een coniferenhaag en/of een woning geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de auto en/of de coniferenhaag en/of de

woning en/of aangrenzende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen

en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in

die woning of woningen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

(incident 4, verklaring verdachte pagina's 223 e. v.)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

hij

op of omstreeks 26 november 2006

in de te gemeente Montferland,

opzettelijk brand heeft gesticht een garage ([adres]),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker een aantal

jassen aangestoken en/of (even later) met een aansteker een wollen doek over

een fietszadel, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

jassen en/of een wollen doek, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan die jassen en/of wollen doek en/of die garage en of de daaraan

grenzende woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand

is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor die jassen en/of die doek en/of

die garage en/of die woning en/of de aangrenzende woningen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor zich in die woning of woningen bevindende personen, in

elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een

ander of anderen, te duchten was;

(incident 11 en verklaring verdachte pagina's 273 e. v.)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

6.

hij

in of omstreeks de periode van van 4 november 2006 tot en met 26 november 2006

in de gemeente Montferland,

opzettelijk en wederrechtelijk hierna te noemen auto's, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan hierna te noemen eigenaren, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt (door het afrukken en of verbuigen van

ruitenwissers en/of antennes en/of spiegels en/of het gooien en/of leggen

en/of schuiven van een fiets op het dak):

a. een grijze citroën met het kenteken [kenteken4] van [slachtoffer1] (inc 8)

b. een rode ford escort met het kenteken [kenteken5] van [slachtoffer2] (inc 9)

c. een gele suzuki alto met het kenteken [kenteken6] van [slachtoffer3] (inc 12)

d. een rode volvo 440 met het kenteken [keteken7] van [slachtoffer4] (inc 14)

e. een groen nissan primera met het kenteken [kenteken8] van [slachtoffer5] (inc 16)

f. een grijze opel astra met het kenteken [keteken9] van [slachtoffer6] (inc 17);

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij

op of omstreeks 26 november 2006

in de gemeente Montferland,

opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer7], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt (een bloempot door de ruit gegooid);

(incident 10 verklaringen verdachte pagina's 266 e. v.)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 25 november 2006 tot en met 26 november 2006 in de gemeente Montferland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (aan de [adres]),

immers heeft verdachte met een aansteker twee gordijnen aangestoken, ten gevolge waarvan die gordijnen en het woonhuis en de inboedel geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woning en genoemde goederen en aangrenzende woningen en opstallen en andere goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die woningen en opstallen bevindende personen, te duchten was;

2.

hij in de periode van 25 november 2006 tot en met 26 november 2006 in de gemeente Montferland, opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (een grijze Volvo met het

kenteken [kenteken1]), immers heeft verdachte in die auto met een aansteker een doek aangestoken en die doek brandend in de auto achtergelaten, ten gevolge waarvan de auto geheel is verbrand.

3.

hij op 18 november 2006 in de gemeente Montferland, opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken2]), immers heeft verdachte met een aansteker het plastic van een daarmee afgeplakt ruitje van de auto aangestoken, ten gevolge waarvan de auto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor andere daar vlakbij geparkeerde auto's te duchten was.

4.

hij op of omstreeks 17 november 2006 in de gemeente Montferland, opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (een witte Renault expres met het kenteken [kenteken3]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de aansteker een katoenen doek aangestoken en die brandend in de auto achtergelaten, ten gevolge waarvan de auto en een coniferenhaag en een woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die woning of woningen bevindende personen, te duchten was.

5.

hij op 26 november 2006 in de te gemeente Montferland, opzettelijk brand heeft gesticht in een garage ([adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker een aantal jassen en even later met een aansteker een wollen doek over een fietszadel aangestoken, ten gevolge waarvan die jassen en wollen doek en die garage of de daaraan grenzende woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de aangrenzende woning, en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor zich in die woningen bevindende personen, te duchten was.

6.

hij in de periode van 4 november 2006 tot en met 26 november 2006 in de gemeente Montferland, opzettelijk en wederrechtelijk hierna te noemen auto's, toebehorende aan hierna te noemen eigenaren, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt (door het afrukken en/of verbuigen van ruitenwissers en/of antennes en/of spiegels en/of het gooien en/of leggen en/of schuiven van een fiets op het dak):

a. een grijze Citroën met het kenteken [kenteken4] van [slachtoffer1] (inc 8)

b. een rode Ford escort met het kenteken [kenteken5] van [slachtoffer2] (inc 9)

c. een gele Suzuki alto met het kenteken [kenteken6] van [slachtoffer3] (inc 12)

d. een rode Volvo 440 met het kenteken [keteken7] van [slachtoffer4] (inc 14)

e. een groen Nissan primera met het kenteken [keteken8] van [slachtoffer5] (inc 16)

f. een grijze Opel astra met het kenteken [keteken9] van [slachtoffer6] (inc 17).

7.

hij op 26 november 2006 in de gemeente Montferland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, toebehorende aan [slachtoffer7], heeft vernield.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar te duchten is;

Feit 2:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 3:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 4:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar te duchten is;

Feit 5:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar te duchten is;

Feit 6:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

Feit 7:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachte is door mw. drs. A. de Jong, orthopedagoog/gz-psycholoog en door P.M. Boeting, kinder- en jeugdpsychiater, gerapporteerd.

De Jong heeft in het rapport van 20 maart 2007 over verdachte, zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt:

“Er is sprake van een Pervasieve ontwikkelingsstoornis en een disharmonisch intelligentieprofiel ten gunste van de verbale vermogens. [verdachte] is een jongen die veel erkenning nodig heeft. Vanuit zijn sociale beperkingen en onhandigheden krijgt hij nauwelijks die erkenning. In plaats van dat hij kan triomferen en stralen, is hij nauwelijks iemand, wordt hij niet gezien, met als gevolg een sterk gevoel van afwijzing en vergroting van angst en onzekerheid. Dit is voor [verdachte] een uiterst frusterend en destructief patroon. Het is zeer waarschijnlijk dat hij vanuit een passief-agressief patroon, door middel van het delictgedrag, uiting heeft kunnen geven aan deze frustraties.

Na de eerste daad van brandstichting, was [verdachte] geschrokken. Echter in plaats van dat zijn redelijk ontwikkelde gewetensfuncties hem ondersteunen het niet nogmaals te doen, gaat hij persevereren. Hij geraakt ook gebiologeerd door de brand en zijn daden. De gewetensfuncties zijn onvoldoende in de persoon geïntegreerd. Het is vanwege de beperkte empatische vermogens dat hij hier in stress-situaties niet naar kan handelen. Dit omdat hij innerlijk en emotioneel geen contact heeft met dit weten. Het alcoholgebruik zal ongetwijfeld een belangrijke rol hebben gespeeld ten tijde van de delictpleging. Het is vanwege het alcoholgebruik dat de overwegend sterke remmingen bij [verdachte] verdwijnen en hij gedrag durft te vertonen dat hij in een normale toestand nooit zou durven.

Gelet op het gegeven dat [verdachte] nauwelijks inzicht in en overzicht over zijn daden en in oorzaak en gevolg heeft, wordt hij licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht”.

Boeting heeft in het rapport van 14 maart 2007 over verdachte, zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt:

“Er is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een aan autisme verwante contactstoornis (PDD-NOS).

[verdachte] kan ten tijde van het hem ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar worden aangemerkt. Hij lijkt gehandeld te hebben vanuit factoren passend bij zijn stoornis en vanuit een sterke behoefte aan erkenning en gezien willen worden. Hij kan zijn gedrag echter niet overzien”.

De rechtbank neemt de conclusies van de rapporten over en maakt deze tot de hare. De rechtbank neemt op basis hiervan aan dat het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten, gevorderd verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 333 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daarbij als bijzondere voorwaarde verplicht jeugdreclasseringscontact, ook als dit inhoudt het volgen van de diverse behandelingen bij GGNET.

Tevens vordert hij:

- toewijzing van de civiele vordering van [slachtoffer8] tot een bedrag van € 135,-- met

daarbij de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkheid voor het overige gevorderde;

- toewijzing van de civiele vordering van [slachtoffer3] tot een bedrag van € 511,70 met

daarbij de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de civiele vordering van [slachtoffer4] tot een bedrag van € 170,69 met daarbij

de schadevergoedingsmaatregel;

- niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij [slachtoffer9], daar deze vordering niet

van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie, in duur gelijk aan het voorarrest, op zijn plaats.

De rechtbank heeft in haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich in een periode van één maand herhaaldelijk heeft schuldig gemaakt aan meer ernstige strafbare feiten. Zo heeft verdachte onder meer opzettelijk brand gesticht in een woning en in diverse auto’s, waarbij hij niet alleen goederen en aangrenzende woningen, maar ook herhaaldelijk personen in (levens)gevaar heeft gebracht. Brandstichting is een delict met een groot gevaarzettend karakter en dient als een zeer ernstig strafbaar feit te worden gekwalificeerd. Naast gevoelens van onrust en onveiligheid bij betrokkenen en omstanders veroorzaakt brandstichting doorgaans ernstige schade, welke ook daadwerkelijk is ontstaan. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte zich ernstig misdragen en is hij volledig voorbijgegaan aan de belangen van de benadeelden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een aantal vernielingen van diverse auto’s en een ruit van een woning. Dergelijke feiten veroorzaken doorgaans overlast en onrustgevoelens en brengen voor de slachtoffers financiële schade met zich mee.

De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een substantiële straf.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat in belangrijke mate rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en met de omstandigheid dat verdachte nog een behandeling dient te ondergaan. Voorts is er rekening mee gehouden dat de feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

Het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank ziet in de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals weergegeven in het psychologische en psychiatrische onderzoek en de voorlichtingsrapportages en de positieve en constructieve houding ter terechtzitting, aanleiding om aan het voorwaardelijk op te leggen deel een bijzondere voorwaarde - zoals hierna te melden - te verbinden, teneinde verdachte langs die weg structuur en houvast te bieden.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer9], [adres] (bankrekeningnr. [nummer]), heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.987,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering niet van zodanig eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding.

De benadeelde partij [slachtoffer8], [adres] (bankrekeningnr. [nummer]), heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.153,65 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 135,00 (eigen risico), waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Voor zover de benadeelde partij meer of anders vordert, dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, nu de overige schade niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding.

De benadeelde partij [slachtoffer3], van [adres] (bankrekeningnr. [nummer]), heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 511,70 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijs¬middelen en hetgeen verder ter terecht¬zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorde¬ring is voor toewijzing vatbaar.

De benadeelde partij [slachtoffer4], [adres] (bankrekeningnr. [nummer]) , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 170,67 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 97,28 (inzake de ruitenwisser, de antenne en 1/3 van de kosten betreffende klein materiaal en werkplaatstarief, exclusief de kosten inzake spuiten van de spiegel), waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Voor zover de benadeelde partij meer of anders vordert, dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en

7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 332 dagen.

Bepaalt, dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 180 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Gelderland, afdeling Jeugdreclassering, zolang de Jeugdreclassering dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt het volgen van diverse behandelingen bij GGNET.

Geeft de reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer8], van een bedrag van € 135,00 vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer8] voornoemd, een bedrag te betalen van € 135,00, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 2 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer3], van een bedrag van € 511,70 vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer3] voornoemd, een bedrag te betalen van € 511,70, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 7 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer4], van een bedrag van € 97,28 vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer4] voornoemd, een bedrag te betalen van € 97,28, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer9] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Hödl, voorzitter, tevens kinderrechter, Krijger en Doll, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 mei 2007.