Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA4255

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
06/460644-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwerpt het bewijsverweer van verdachte op grond dat niet noodzakelijk is dat bewezen wordt dat verdachte alle handelingen daadwerkelijk zelf (mede) voor zijn rekening heeft genomen. Dat er sprake was van een nauwe en volledige samenwerking, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank tussen verdachte en medeverdachte het geval was, volstaat. Van belang is dat verdachte en medeverdachte in gelijke gezindheid hebben gehandeld. Daarnaast is van belang dat verdachte zich niet van de vernieling heeft gedistantieerd.

Verdachte heeft onder meer opzettelijk brand gesticht in centrale ruimtes en kelderboxen van een flatgebouw, waarbij hij niet alleen goederen, maar ook meerdere keren zelfs personen in (levens)gevaar heeft gebracht.

Overigens houdt de rechtbank rekening met de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460644-06

Uitspraak d.d.: 1 mei 2007

tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op of omstreeks 29 november 2006

in de gemeente Doetinchem

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in de centrale ruimte en bij de kelderboxen

van een flatgebouw aan de Caenstraat,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk uit een jerrycan benzine op de grond gegooid en deze benzine

(vervolgens) met een aansterker aangestoken,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine,

althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan de vloer en de wanden van die centrale hal en/of

kelderboxen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die kelderboxen en dat flatgebouw, in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor de personen in dat flatgebouw, in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen te duchten was;

(zie m.n.incident 2 verklaring verdachte pagina 72 en 76)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 29 oktober 2006

in de gemeente Doetinchem

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in een kelderbox,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk met zijn aansteker een bal met watten aangestokken en in die

kelderbox gegooid,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een bal met

watten, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die kelderbox en de zich daarin bevindende goederen geheel

of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die kelderbox en het flatgebouw, in elk

geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar li

letsel voor de zich in het flatgebouw bevindende goederen, in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen te duchten was;

(zie m.n.incident 4 en de verklaring van verdachte op pagina 78)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 12 november 2006

in de gemeente Doetinchem

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan fietstassen,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk met en aansteker de fietstassen van een fiets in brand gestoken,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met fietstassen,

althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die fietstassen en/of fietsen en/of kelderboxen geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor fietstassen en/of fietsen en/of kelderboxen

en/of flatgebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen in

dat flatgebouw, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen te duchten was;

(zie m.n.incident 6 en verklaring verdachte op pagina 74)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij

op of omstreeks 29 november 2006

in de gemeente Doetinchem

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk drie ruiten van een gymnastieklokaal, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de gemeente Doetinchem,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(zie m.n. incident 9 en de verklaring van verdachte pagina 126)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 29 november 2006 in de gemeente Doetinchem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in de centrale ruimte en bij de kelderboxen van een flatgebouw aan de Caenstraat, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk uit een jerrycan benzine op de grond gegooid en deze benzine vervolgens met een aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die kelderboxen en dat flatgebouw en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen in dat flatgebouw te duchten was.

2.

hij op 29 oktober 2006 in de gemeente Doetinchem, opzettelijk brand heeft gesticht in een kelderbox, immers heeft verdachte opzettelijk met zijn aansteker een bal met watten aangestoken en in die kelderbox gegooid, ten gevolge waarvan die kelderbox en de zich daarin bevindende goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die kelderbox en het flatgebouw, en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

3.

hij op 12 november 2006 in de gemeente Doetinchem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in fietstassen, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk met een aansteker de fietstassen van een fiets in brand gestoken, ten gevolge waarvan die fietstassen en fietsen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de kelderboxen en het flatgebouw, en/of levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen in dat flatgebouw, te duchten was.

4.

hij op 29 november 2006 in de gemeente Doetinchem tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk en wederrechtelijk één ruit van een gymnastieklokaal, toebehorende aan de gemeente Doetinchem, heeft vernield.

Bewijsverweer

De raadsvrouw van verdachte heeft namens verdachte betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde feit, nu er niet voldoende bewijsmiddelen zijn waaruit blijkt dat verdachte de vermeende vernieling zou hebben gepleegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu voor de bewezenverklaring dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van die ruit, niet noodzakelijk is dat bewezen wordt dat verdachte alle handelingen daadwerkelijk zelf (mede) voor zijn rekening heeft genomen. Dat er sprake was van een nauwe en volledige samenwerking, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank tussen verdachte en medeverdachte het geval was, volstaat. Van belang is dat verdachte en medeverdachte in gelijke gezindheid hebben gehandeld. Dat leidt de rechtbank af uit o.a. de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] (p.126), waarin hij verklaart:” Ik zag dat [verdachte] een of meerdere stenen in zijn hand hield. Het volgende moment zag ik dat [verdachte] met kracht de steen tegen een ruit gooide. Ik zag en hoorde dat de steen tegen de ruit kwam.

Bovendien verklaart verdachte (p. 124):” Ik zag vervolgens dat [voornaam] met drie stenen terug kwam. [voornaam] gaf mij er zelf één en hield er zelf twee. [voornaam] en ik stonden naast elkaar. We spraken af dat we zouden tellen en daarna de steen zouden gooien tegen de ramen. We gooiden tegelijkertijd met de steen naar de ramen”.

Daarnaast is van belang dat verdachte zich niet van de vernieling heeft gedistantieerd.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar te duchten is;

Feit 2:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar te duchten is;

Feit 3:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en levensgevaar te duchten is;

Feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachte is door drs. R.R. Beth, forensisch gedragsdeskundige/orthopedagoog en door H.J. Groenhuijzen, psychiater, gerapporteerd.

Beth heeft in het rapport van 15 maart 2007 over verdachte, zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt:

“Betrokkene is lijdende aan een ernstige gedragsstoornis met narcistische- en antisociale kenmerken. Betrokkene is nog erg afhankelijk van een gestructureerde, veilige en voorspelbare leefomgeving. Gevoelens van vijandigheid en agressie worden door hem weggedrukt en verborgen achter een facade van stoer gedrag en zelfvertrouwen. Door de ernstige gedragsstoornis worden impulsen, veroorzaakt door zijn versterkte behoefte aan prikkels, in samenhang met een onvoldoende ontwikkelde gewetensfunctie, gebrek aan empathie en moreel besef onvoldoende geremd en daardoor uitgeleefd. Betrokkene bezit daarnaast onvoldoende begrip met betrekking tot de gevolgen van zijn gedrag; voor hemzelf en voor anderen.

Derhalve zijn de delicten, indien bewezen, [verdachte] slechts in verminderde mate toe te rekenen”.

Groenhuijzen heeft in het rapport van 18 maart 2007 over verdachte, zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt:

“[verdachte] is lijdende aan een ernstige gedragsstoornis met antisociale en narcistische persoonlijkheidskenmerken, daarnaast is er sprake van cannabisafhankelijkheid, enigszins in remissie. In het kader van de vastgestelde ernstige gedragsstoornis reageert [verdachte] direct met uitageren op impulsen van binnenuit. Hij heeft daarbij een sterke hang naar spannende dingen. Zijn herkenning van eigen emoties en motieven is zwak en hij heeft ook onvoldoende begrip voor de gevolgen van zijn gedrag voor hemzelf en anderen. Zo kan hij komen tot gedrag waar hij de oorsprong niet van weet en er onvoldoende controle over heeft. Hij laat zich niet leiden door inzicht en te weinig door normen en waarden. Ook overschat hij zijn eigen mogelijkheden en bagatelliseert hij zijn eigen aandeel in zijn bedroevende carriére.

Betrokkene is mijns inziens verminderd toerekeningsvatbaar, gezien zijn persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling”.

De rechtbank neemt de conclusies van de rapporten over en maakt deze tot de hare. De rechtbank neemt op basis hiervan aan dat het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, gevorderd verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 121 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, daarnaast plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarde van verplicht jeugdreclasseringscontact, ook als dit inhoudt dat hij zich moet laten behandelen bij Groot Batelaar of een soortgelijke instelling. Tevens vordert hij:

- toewijzing van de civiele vordering van [naam 2] tot een bedrag van € 200,-- met

daarbij de schadevergoedingsmaatregel voor de helft van dit bedrag en niet-ontvankelijkheid voor het overige gevorderde;

- toewijzing van de civiele vordering van [naam 3] tot een bedrag van € 100,-- met

daarbij de schadevergoedingsmaatregel voor de helft van dit bedrag en niet-

ontvankelijkheid voor het overige gevorderde;

- niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij Gemeente Doetinchem.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie, in duur gelijk aan het voorarrest, op zijn plaats.

De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich in een periode van twee maanden herhaaldelijk heeft schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten. Zo heeft verdachte onder meer opzettelijk brand gesticht

in centrale ruimtes en kelderboxen van een flatgebouw, waarbij hij niet alleen goederen, maar ook meerdere keren zelfs personen in (levens)gevaar heeft gebracht. Brandstichting is een delict met een groot gevaarzettend karakter en dient als een zeer ernstig strafbaar feit te worden gekwalificeerd, dat naast gevoelens van onrust en onveiligheid bij betrokkenen en omstanders, doorgaans ernstige schade veroorzaakt, welke ook daadwerkelijk is ontstaan. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte zich ernstig misdragen en is hij volledig voorbijgegaan aan de belangen van de benadeelden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van één ruit van een gebouw. Dergelijke feiten veroorzaken doorgaans overlast en brengen voor de slachtoffers financiële schade met zich mee.

De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een substantiële straf.

De rechtbank heeft enerzijds rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens het uittreksel uit het algemeen justitieel documentatieregister reeds eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden om opnieuw strafbare feiten te begaan, en anderzijds dat hij ter terechtzitting enige blijk heeft gegeven van inzicht in de ernst en de strafwaardigheid van dit feit.

Overigens houdt de rechtbank rekening met de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Over de op te leggen maatregel van voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen overweegt de rechtbank als volgt.

In hun rapporten constateren voormelde deskundigen een grote kans op herhaling. Beide deskundigen adviseren een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Beth rapporteert daaromtrent: “ Geadviseerd wordt [verdachte] aan te melden bij de forensische polikliniek “Groot Batelaar” te Arnhem, alwaar gewerkt kan worden aan de grote tekorten en achterstanden in de sociaal-emotionele ontwikkeling, in samenhang met de behandeling van de gesignaleerde gedragsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken. Tevens dient aandacht besteed te worden aan de cannabisafhankelijkheid van de betrokkene.

Geadviseerd wordt [verdachte] te laten begeleiden door een mannelijke begeleider van de Jeugdreclassering, afdeling ITB-Harde Kern, in samenhang met het opleggen van de maatregel van voorwaardelijke Plaatsing in een inrichting voor Jeugdigen (PIJ). Het voorwaardelijk karakter van deze PIJ-maatregel dient onmiddellijk te worden omgezet in een onvoorwaardelijke oplegging indien betrokkene zich niet voegt naar de aanwijzingen van de Jeugdreclassering, ook als dit een ambulante dagbehandeling bij “Groot Batelaar” inhoudt, dan wel hij wederom in recidive van welke aard dan ook vervalt”.

Groenhuijzen rapporteert: ”[verdachte] staat inmiddels wat meer open voor behandeling. Dit wordt door [naam 5] beaamd, maar ook als broos bestempeld. De kans op afhaken blijft z.i. groot. Behandeling zal dan ook moeten geschieden met een stok achter de deur en met toezicht op het resultaat. Gezien het aantal en de ernst van de delicten, zou ik een voorwaardelijke PIJ-maatregel adviseren en een toezicht door de reclassering”.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte intensieve behandeling behoeft, maar dat deze behandeling op dit moment geen residentiële behandeling behoeft te zijn en derhalve kan worden volstaan met een deeltijd- en/of poliklinische behandeling bij “Groot Batelaar” te Lunteren.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met de hierna te noemen bijzondere voorwaarden passend en geboden, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, alsmede ter ondersteuning van een optimale medewerking van verdachte aan de begeleiding van de jeugdreclassering en aan de deeltijd- en/of poliklinische behandeling bij “Groot Batelaar” te Lunteren.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [naam 2], [adres] (bankrekeningnr. [nummer]) , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 375,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De schade zal worden geschat op € 100,--. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Voor zover de benadeelde partij meer of anders vordert, dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij [naam 3], [adres] (bankrekeningnr. [nummer]) , heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 100,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijs¬middelen en hetgeen verder ter terecht¬zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorde¬ring is voor toewijzing vatbaar.

De benadeelde partij Gemeente Doetinchem, Raadhuisstraat 2, 7001 EW Doetinchem, heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 379,74 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde.

Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering niet van zodanig eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 122 dagen.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte in een inrichting voor jeugdigen zal worden geplaatst.

Bepaalt, dat de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroor¬deelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzon¬dere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Gelderland, afdeling Jeugdreclassering, zolang de Jeugdreclassering dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich moeten laten behandelen bij “Groot Batelaar” te Lunteren of een soortgelijke instelling.

Geeft de reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam 2], van een bedrag van € 100,-- vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2] voornoemd, een bedrag te betalen van € 50,--, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[naam 3], van een bedrag van € 100,-- vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 3] voornoemd, een bedrag te betalen van € 50,--, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij Gemeente Doetinchem niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, tevens kinderrechter, Hödl en Doll, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 mei 2007.