Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA4104

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
06/460049-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling tot gevangenisstraf voor huiselijk geweld en mishandeling politieagent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460049-07

Uitspraak d.d.: 02 mei 2007

tegenspraak - dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord te Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

18 april 2007.

Ter terechtzitting gegeven beslissing

Ter terechtzitting is de volgende beslissing gegeven:

Het namens verdachte door de raadsvrouw ter terechtzitting mondeling gedane verzoek tot de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte is vooralsnog afgewezen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 januari 2007 tot en met 23 januari 2007 in de gemeente Ermelo opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of huisraad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (zijnde de moeder van verdachte), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(incident 1)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks van de periode van 22 januari 2007 tot en met 23 januari 2007 in de gemeente Ermelo, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp voorgehouden en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere, althans één, zwaaiende beweging(en) gemaakt naar, althans in de richting van, die [slachtoffer 2] en/of (daarbij) deze [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je pakken", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

(incident 2)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 23 januari 2007 in de gemeente Ermelo, opzettelijk mishandelend één of meer (politie)ambtena(a)r(en), te weten:

- [slachtoffer 3] (inspecteur van politie) gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen, althans eenmaaal in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt en/of

- [slachtoffer 4] (brigadier van politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt,

waardoor voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] letsel heeft/hebben bekomen

en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

(incident 3)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Overweging ten aanzien van partiële nietigheid van het onder 1 tenlastegelegde

Door de raadsvrouwe is namens verdachte aangevoerd dat er sprake is van partiële nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1, omdat de dagvaarding onvoldoende gespecificeerd is. De term “huisraad” is volgens de raadsvrouwe een dusdanig ruim begrip dat verdachte niet, althans onvoldoende duidelijk is van welke vernieling hij wordt verdacht.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de omschrijving van het woord “huisraad” in Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, te weten: “Al wat voor de inrichting van een huis nodig is”, de term huisraad zodanig bepaald is, dat deze niet leidt tot partiële nietigheid van het onder 1 tenlastegelegde.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Feit 1:

Door de raadsvrouwe is ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat er onvoldoende bewijs is voor vernieling van een laptop, servies en Swarovski kristal, omdat:

- verdachte de vernielingen ontkent;

- ten aanzien van de laptop de bestanddelen “wederrechtelijk” en “toebehorend aan [slachtoffer 1] of een ander” niet bewezen kunnen worden, omdat de laptop eigendom is van verdachte.

Met betrekking tot de vernieling van de deur stelt de raadsvrouwe dat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat:

- verdachte deze vernieling ontkent;

- de verklaring van [slachtoffer 1] een de-audituverklaring is;

- aan de foto van de deur (dossierpagina 24) geen bewijskracht toekomt, nu in het proces-verbaal op geen enkele manier naar de foto wordt verwezen.

Nu het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, dient vrijspraak te volgen voor dit feit, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van vernieling van “huisraad”, nu verdachte deze vernielingen ontkent en als enig bewijsmiddel voor dit feit in het dossier een aangifte van [slachtoffer 1] is opgenomen , waarin zij verklaart (dossierpagina 18): “[slachtoffer 2] vertelde mij dat het vannacht een hel geweest was. Ik hoorde dat mijn hele woning was vernield. Wat er vernield is weet ik niet”.

Anders dan de raadsvrouwe is de rechtbank van oordeel dat er voor de vernieling van de deur voldoende wettig bewijs in het dossier voorhanden is.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte - die neerkomen op een ongemotiveerde ontkenning van alle feiten - niet geloofwaardig.

Het proces-verbaal had weliswaar zorgvuldiger opgemaakt kunnen worden, maar de rechtbank heeft geen reden om te betwijfelen dat de foto van de deur (dossierpagina 24) door de politie in het kader van het onderzoek naar de vernieling van deze deur is gemaakt.

In de inhoudsopgave van het proces-verbaal (dossierpagina 3) wordt onder incident 2, nummer 3 vermeld: foto schade deur, pag. 24.

Op dossierpagina 7 van het ambtelijk verslag/proces-verbaal vermeldt de verbalisant:

“Van de vernielde deur werd ook een foto bijgevoegd.”

Tot slot constateert de rechtbank op grond van eigen waarneming van de foto van de deur (dossierpagina 24), dat het een binnendeur betreft en dat deze deur kennelijk buiten is neergezet om de foto te maken.

Feit 2:

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aangezien:

- verdachte ontkent [slachtoffer 2] te hebben bedreigd;

- aan de verklaring van [slachtoffer 1] geen bewijskracht toekomt, omdat dit een de-audituverklaring betreft;

- de aangifte van [slachtoffer 2] de enige belastende verklaring is;

- aan de foto’s (dossierpagina 24 en 25) geen bewijskracht toekomt, nu in het proces-verbaal op geen enkele manier naar deze foto’s wordt verwezen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en is van oordeel dat op grond van de navolgende bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen is.

- De rechtbank acht de verklaringen van verdachte - die neerkomen op een ongemotiveerde ontkenning van alle feiten - niet geloofwaardig;

- In het ambtelijk verslag/proces-verbaal (dossierpagina 6) verklaart [slachtoffer 1] in haar aangifte ter zake van de kort tevoren gepleegde vernielingen, kort samengevat:

- dat [verdachte] begon met drinken en teveel medicijnen tegelijk innam;

- dat [verdachte] met zijn broertje [naam broer] van 13 jaar begon te vechten;

- dat zij met [naam broer] de woning was uitgevlucht en de nacht elders had doorgebracht;

- dat zij ’s morgens door haar zoon [slachtoffer 2] (Rechtbank: [slachtoffer 2]) was gebeld en hij haar vertelde dat hij door [verdachte] bedreigd was met een mes.

- Door [slachtoffer 2] is op 23 januari 2007 aangifte gedaan van bedreiging (dossierpagina 21), waarbij hij zegt, zakelijk weergegeven:

- [verdachte] nam alle medicijnen in die hij voor een week nodig had;

- [verdachte] had een krat bier gehaald, begon te drinken en werd heel vervelend. Hij stond helemaal strak, zoals hijzelf zei;

- Ik heb de deur van mijn afdeling in het huis op slot gedaan;

- Mijn moeder en mijn broer [naam broer] zijn naar de woning van mijn zus gegaan in Ermelo;

- Ik hoorde dat [verdachte] veel lawaai maakte en ik hoorde dat er op mijn deur getrapt en geslagen werd;

- Ik zag dat er een gat van ongeveer 30 centimeter doorsnee in mijn deur ontstond;

- Ik zag dat een hand van [verdachte] erdoor kwam met een mes;

- Hij zwaaide met het mes en bedreigde mij en riep dat hij mij zou pakken, ik vond de situatie zeer bedreigend.

- In het ambtelijk verslag/proces-verbaal (dossierpagina 6) verklaart [slachtoffer 2] [slachtoffer 2] dat hij merkte aan zijn moeder dat ze heel bang was.

- In de inhoudsopgave van het proces-verbaal (dossierpagina 3) wordt onder incident 2, nummer 3 vermeld: foto gebruikt mes, pag. 25.

- In het ambtelijk verslag/proces-verbaal (dossierpagina 7) vermeldt de verbalisant:

“Van het door verdachte gebruikte mes, eigendom van zijn moeder, werd een foto gemaakt, die als bijlage bij de aangifte is gevoegd”.

Feit 3:

De rechtbank is met de raadsvrouwe van oordeel, dat de onder feit 3 tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer 4] niet bewezen kan worden nu niet voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum. Het enige bewijsmiddel in het dossier is de aangifte van [slachtoffer 4] zelf en artikel 344, tweede lid Wetboek van Strafrecht, is in deze niet toepasselijk.

Hoewel dit laatste ook geldt voor de aangifte van [slachtoffer 3] (dossierpagina 29-30), acht de rechtbank de op hem betrekking hebbende mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen, nu deze aangifte steun vindt in de medische verklaring van de arts H. Jansen (dossierpagina 33).

Het namens verdachte subsidiair gevoerde noodweerverweer ex artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, is door de raadsvrouwe tijdens haar pleidooi ter terechtzitting ingetrokken.

De rechtbank overweegt ambtshalve dat van een voor verdachte bestaande noodweersituatie niet is gebleken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 22 januari 2007 tot en met 23 januari 2007 in de gemeente Ermelo opzettelijk en wederrechtelijk een deur geheel of ten dele toebehorende aan mevrouw

[slachtoffer 1] (zijnde de moeder van verdachte), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield;

2.

hij in de periode van 22 januari 2007 tot en met 23 januari 2007 in de gemeente Ermelo, de heer [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 2] een mes, voorgehouden en/of vervolgens met een mes, zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van, die [slachtoffer 2] en/of daarbij deze [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je pakken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op 23 januari 2007 in de gemeente Ermelo, opzettelijk mishandelend een politieambtenaar, te weten de heer [slachtoffer 3], inspecteur van politie, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

3. Mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] van een bedrag van 150 euro en [slachtoffer 3] van een bedrag van 250 euro.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte leeft al jaren in onmin met zijn familie. Toch keert hij iedere keer na zijn vrijlating uit het Huis van Bewaring terug naar zijn ouderlijk huis. Onder invloed van drank en in combinatie met medicijnen, die hij kennelijk niet altijd volgens voorschrift inneemt, wordt hij zeer recalcitrant, agressief en reageert hij op alles buiten-proportioneel.

Verdachte heeft onder invloed van medicijnen en alcohol in het ouderlijk huis een deur vernield en zijn broer bedreigd met een mes. Na zijn aanhouding wilde de hulpofficier van justitie [slachtoffer 3] hem voorgeleiden. Tijdens het gesprek sloeg verdachte [slachtoffer 3] met kracht in het gezicht, waardoor [slachtoffer 3] diverse kneuzingen in het gezicht opliep.

Deze niet op zichzelf staande gedragingen van verdachte hebben veel overlast en gevoelens van angst en onveiligheid bij zijn familie veroorzaakt.

Verdachtes houding ten opzichte van de politieambtenaar verdient eveneens scherpe afkeuring, nu daaruit blijkt dat verdachte geen enkel respect heeft voor het gezag en de ordenende functie, waarmee de samenleving de politie heeft bekleed.

Verdachte is gezien zijn justitiële documentatie van 23 januari 2007 reeds vele malen voor soortgelijke delicten met politie en justitie in aanraking geweest.

Het voorgaande afwegend ziet de rechtbank aanleiding om de navolgende vrijheidsstraf op te leggen.

Gelet op de (gedeeltelijke) vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde (mishandeling van verbalisant [slachtoffer 4]), zal deze strafoplegging lager zijn dan door de officier van justitie gevorderd is.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 3], wonenende te [adres] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 350,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank begroot de immateriële schade op € 250,00 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Wat betreft het meer gevorderde zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij [slachtoffer 4], wonende te [adres], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 150,00, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

Nu, gelet op het boven overwogene, niet wordt voldaan aan de wettelijke ontvankelijkheidvereisten betreffende de vordering van de benadeelde partij, zal deze in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonenende te [adres] (Bank- of gironummer [nummer]) van een bedrag van € 250,00, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart ten aanzien van feit 3 de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering, nu verdachte van het onder 3 ten laste gelegde ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 4] is vrijgesproken.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Aldus gewezen door mr. Elders, voorzitter, mr. Van Harreveld en mr. Lucassen, rechters, in tegenwoordigheid van Beers-de Badts, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 02 mei 2007.