Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA3994

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
06/552525-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een vrouw met een rollator aangereden, waardoor deze vrouw is komen te overlijden. Omdat echter niet is komen vast te staan dat de verdachte zeer roekeloos en/of onvoorzichtig heeft gereden legt de rechtbank hem een lichte straf op, te weten: een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 maanden, met aftrek van de tijd die het rijbewijs reeds ingehouden is geweest.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/43

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/552525-06

Uitspraak d.d.: 27 april 2007

Tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1949,

wonende te [adres en woonplaats]

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 november 2006 te Ulft, althans in de gemeente Oude IJsselstreek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Debbeshoek, althans enige weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

immers heeft hij -verdachte-

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

bij het naderen van een voetgangersoversteekplaats op voornoemde weg, niet voortdurend de aandacht aan de weg en/of het verkeer besteed en/of onvoldoende snelheid geminderd, althans gereden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of daarbij en/of daardoor geen voorrang verleend aan een op dat moment zich op een voetgangersoversteekplaats (moeilijk voortbewegende) voetgangster (met rollator), zijnde [slachtoffer], bevond,

waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en het door hem -verdachte- bestuurde motorrijtuig,

waardoor [slachtoffer], althans een ander, is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (een of meerdere schedelfractu(u)r(en) en/of een of meerdere breuk(en) in het lichaam) heeft bekomen;

art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 24 november 2006 te Ulft, althans in de gemeente Oude IJsselstreek, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg, de Debbeshoek, althans enige weg,

immers heeft hij -verdachte-

bij het naderen van een voetgangersoversteekplaats op voornoemde weg, niet voortdurend de aandacht aan de weg en/of het verkeer besteed en/of onvoldoende snelheid geminderd, althans gereden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of daarbij en/of daardoor geen voorrang verleend aan een op dat moment zich op een voetgangersoversteekplaats (moeilijk voortbewegende) voetgangster (met rollator), zijnde [slachtoffer], bevond,

waarbij (vervolgens) een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en het door hem -verdachte- bestuurde motorrijtuig,

waarbij [slachtoffer], althans een ander, is overleden, althans letsel heeft bekomen en/of schade aan goederen heeft geleden;

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan. Ten laste is gelegd dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan, zich op dat moment op een voetgangersoversteekplaats bevindende, [slachtoffer]. De rechtbank is van oordeel dat ter plaatse geen sprake was van een voetgangersoversteekplaats en derhalve dient de verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 24 november 2006 te Ulft, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg, de Debbeshoek,

immers heeft hij -verdachte-

niet voortdurend de aandacht aan de weg en het verkeer besteed en onvoldoende snelheid geminderd,

waarbij vervolgens een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en het door hem -verdachte- bestuurde motorrijtuig,

waarbij [slachtoffer] is overleden;

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, te weten: een werkstraf 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij haar straftoemeting aansluiting gezocht bij door rechtbanken gehanteerde oriëntatiepunten. Zij heeft daarbij enerzijds in aanmerking genomen dat door de handelwijze van verdachte een persoon is komen te overlijden. Het onomkeerbare gevolg van het overlijden van het slachtoffer zal blijvend leed en gevoelens van onmacht bij de nabestaanden tot gevolg hebben. Een strafoplegging in welke vorm dan ook zal dat leed nimmer ongedaan kunnen maken. Anderzijds heeft de rechtbank in haar strafoplegging meegewogen de lichte mate van onoplettendheid, dat verdachte nog niet eerder met justitie in aanraking is geweest en het feit dat verdachte bij de politie heeft aangegeven contact te willen met de nabestaanden.

De rechtbank acht derhalve een onvoorwaardelijke ontzegging op zijn plaats.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte onder subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ontzegt verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 maanden.

Bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 167 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. Buijs, voorzitter, en mrs. Kuiken en Eijkelestam, rechters, in tegenwoordigheid van Damink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 april 2007.