Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA3648

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
24-04-2007
Zaaknummer
06/1573
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Volledige verwijtbaarheid. Vastgestelde boetebedragen zijn niet onevenredig hoog. Artikel 15 IVBPR. Nieuw beleid van verweerder leidt niet tot een lagere boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 06/1573

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Apeldoorns Palletbedrijf B.V.

te Apeldoorn,

eiseres,

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 mei 2006.

2. Feiten

Bij een door de Arbeidsinspectie op 22 februari 2005 uitgevoerde controle op de naleving van de bepalingen krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) zijn op het adres [adres en plaats] twee personen met de Poolse nationaliteit aangetroffen en 1 persoon met de Algerijnse nationaliteit, die aldaar voor eiseres werkzaamheden verrichtten, bestaande uit het repareren van pallets en het rijden op een heftruck.

Voornoemde personen bleken vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 te zijn, waarvoor geen tewerkstellingsvergunningen zijn afgegeven.

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 24.000,--, wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, Wav.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het namens eiseres tegen deze boeteoplegging gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiseres heeft mr. J.V.M. de Jong, advocaat te Apeldoorn, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 februari 2007, waar M. Boezaart namens eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.P.A. Fikken.

4. Motivering

4.1. Ter beoordeling staat of verweerder het boetebesluit op goede gronden in stand heeft

gelaten.

4.2. Artikel 2, eerste lid, Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder een tewerkstellingsvergunning. Ingevolge artikel 18 Wav wordt het niet naleven van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, Wav als beboetbaar feit aangemerkt.

Artikel 19a, eerste lid, Wav bepaalt dat een daartoe door de minister aangewezen,

onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete oplegt aan degene op wie de

verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het naleven daarvan is

aangeduid als een beboetbaar feit. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de ter zake van

deze wet beboetbare feiten gelden ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie

een beboetbaar feit is begaan.

Artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, Wav, bepaalt dat de hoogte van de boete,

die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon,

gelijk is aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,--. Ingevolge het derde lid stelt Onze

Minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden

vastgesteld.

In de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen (Stcrt. 2004, 249; hierna: de Beleidsregels) is bepaald dat bij de berekening van de boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt de normbedragen worden gehanteerd die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Tarieflijst). In de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav gesteld op € 8.000,--.

4.3. Tussen partijen is niet in geding dat sprake is van een drietal overtredingen van artikel

2, eerste lid, Wav, en verweerder in beginsel bevoegd is om ter zake van de beboetbare feiten een boete op te leggen.

4.4. Met betrekking tot de hoogte van een boete ter zake van overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav, overweegt de rechtbank als volgt.

Ter bestrijding van illegale tewerkstelling van personen heeft de wetgever onder meer overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav strafbaar gesteld. De ratio van deze wetgeving is blijkens de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen (kamerstukken Tweede Kamer, 2003-2004, 29 523, nr. 3, pagina 1) gelegen in een viertal doelstellingen.

1. verdringing van legaal arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Economische ruimte op de arbeidsmarkt;

2. overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, die kan leiden tot uitbuiting van de illegaal tewerkgestelde vreemdeling;

3. concurrentievervalsing binnen een sector, waardoor de bedrijfsvoering van bonafide werkgevers wordt geschaad;

4. het feit dat het veelal illegaal verblijvende vreemdelingen zijn die illegale arbeid verrichten en op deze wijze - in strijd met het uitzettingsbeleid van het kabinet - hun verblijf in Nederland kunnen voortzetten.

Gelet op het met de wet beoogde doel is de rechtbank van oordeel dat het door verweerder in de Beleidsregels vastgestelde boetenormbedrag van € 8.000,- per beboetbaar feit, als uitgangspunt, niet onredelijk hoog is. De rechtbank weegt daarbij mee dat verweerder opteert voor een hanteerbaar en consistent straftoemetingsbeleid.

In dit kader overweegt de rechtbank voorts dat het opleggen van een bestuurlijke boete als hier aan de orde een discretionaire bevoegdheid van verweerder is en dat die boete is aan te merken als een sanctie met een punitief karakter waarop (onder meer) de in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) besloten (strafrechtelijke) waarborgen van toepassing zijn te achten. Gelet daarop zal de rechtbank ten volle dienen te toetsen of de hoogte van een opgelegde boete in een evenredige verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de gedraging.

In dit verband stelt de rechtbank vast dat voor de constatering van een overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav, gelet op de redactie van dit artikel, niet relevant is of sprake is van verwijtbaarheid bij de betrokken werkgever. Die (mate van) verwijtbaarheid is evenmin relevant in de door de minister opgestelde Beleidsregels, nu de daarin genoemde boetebedragen - conform hetgeen is bepaald in 19d, derde lid, Wav - in beginsel slechts differentiëren naar gelang het beboetbare feit.

Nu de mate van verwijtbaarheid noch in de wettelijke regeling noch in de in dit verband

gestelde Beleidsregels enige rol van betekenis speelt, biedt de regelgeving - behoudens de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - derhalve niet de mogelijkheid om de hoogte van de boete in de bestuurlijke fase van het proces (in voldoende mate) af te stemmen op de mate waarin de werkgever de overtreding verweten kan worden. Het bepaalde in artikel 6 EVRM brengt alsdan met zich mee dat in de beroepsfase de Beleidsregels, waaronder de daarin vastgestelde boetenormbedragen, niet zonder meer onverkort zullen kunnen worden toegepast.

4.5. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de overtredingen haar niet kunnen

worden verweten, omdat zij niet wist dat tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Het CWI Zoetermeer zou geen informatie hebben verstrekt over het vereiste van tewerkstellingsvergunningen en daarnaast eiseres naar de Belastingdienst hebben verwezen, omdat enkel het verkrijgen van sofinummers voor de desbetreffende personen voldoende zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat dit (impliciete) beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende is onderbouwd, nu onder meer niet is gebleken met wie en op welk moment eiseres zou hebben gesproken bij het CWI Zoetermeer. Met verweerder acht de rechtbank voorts de gestelde verwijzing van het CWI Zoetermeer naar de Belastingdienst onaannemelijk, omdat het CWI Zoetermeer, blijkens mededeling van verweerder ter zitting, ten tijde in geding bij uitstek dè instantie was die op de hoogte was van (het aanvragen van) vereiste tewerkstellingsvergunningen.

Nu aldus niet is gebleken dat van de zijde van verweerder een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan die bij eiseres de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat voor de desbetreffende personen geen tewerkstellingsvergunningen vereist zouden zijn, faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel. Het enkele feit dat eiseres op verweerders internetsite geen informatie over het tewerkstellen van Poolse werknemers heeft kunnen vinden -zoals eiseres ter zitting heeft aangevoerd-, doet hier niet aan af.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige overtredingen aan eiseres volledig kunnen worden verweten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de grief van eiseres dat zij geen enkel voordeel

heeft behaald met het tewerkstellen van de betrokken vreemdelingen, omdat zij loonbelasting en premies heeft afgedragen, geen bijzondere omstandigheid is die dient te leiden tot matiging van de boete. Gelet op de ernst van de overtredingen, alsmede gelet op het feit dat de overtredingen eiseres volledig kunnen worden verweten, acht de rechtbank de conform de Tarieflijst vastgestelde boetebedragen van (in totaal) € 24.000,-- in het onderhavige geval niet onevenredig hoog.

4.6. Ten slotte overweegt de rechtbank dat, nu de door verweerder opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde boete door de rechtbank ook acht behoort te worden geslagen op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag, waaruit volgt dat, voor zover hier van belang, ten voordele van betrokkene toepassing moet worden gegeven aan een na de datum van de normovertreding in werking getreden lichtere sanctiebepaling.

In dit verband is van belang dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij besluit van 15 december 2006 de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2007 (Stcrt. 2006, 250; hierna: Beleidsregels 2007) heeft vastgesteld, welk Besluit met ingang van 1 januari 2007 in werking is getreden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8 van de Beleidsregels 2007 kan een boete per beboetbaar feit worden gematigd tot € 4.000,- voor een rechtspersoon, en tot € 2.000,- voor een natuurlijk persoon, indien de werkgever kan aantonen dat hij zich redelijkerwijze in voldoende mate heeft ingespannen om een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid Wav te voorkomen.

Gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen, is in het geval van eiseres geen sprake van een verminderde verwijtbaarheid op grond waarvan onder het sinds 1 januari 2007 geldende beleid tot een lagere boete zou moeten worden besloten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde boete in zoverre in overeenstemming is met artikel 15 van het IVBPR.

4.7. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat verweerder het boetebesluit bij het bestreden besluit op goede gronden heeft gehandhaafd. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. L.J. Bosch, voorzitter, mrs. E.J.J.M. Weyers en D.S. de Vries, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.