Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA1936

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
06/460653-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplegen van poging tot doodslag. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460653-06

Uitspraak d.d.: 27 maart 2007

TEGENSPRAAK / dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [geboortedatum],

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Doetinchem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 01 december 2006 in de gemeente Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander en/of alleen, (telkens) opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, (telkens) met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig voorwerp(en), in de rug(streek) en/of in de maagstreek en/of het hoofd, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gestoten en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 01 december 2006 in de gemeente Harderwijk, tezamen en in vereniging, en/of alleen, (telkens) aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (diverse (diepe) steekwonden), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] (telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met (een) mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en),in de rugstreek en/of in de maagstreek en/of het hoofd, althans het lichaam, te steken en/of te stoten en/of te snijden;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 01 december 2006 in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging, en/of alleen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of de maagstreek en/of het hoofd, althans het lichaam, heeft gestoken/gestoten en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art 47 lid ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 01 december 2006 in de gemeente Harderwijk met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Rabbisstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, met (een) mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en), in het hoofd en/of in de maagstreek en/of in de rugstreek, althans in het lichaam van die [slachtoffer] steken en/of stoten;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 december 2006 te Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

- in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt (terwijl deze [slachtoffer] op

de grond lag), waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie betreffende het onder 2 tenlastegelegde feit gerekwireerd tot vrijspraak. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat zij het feitencomplex dat onder 2 is ten laste gelegd beschouwt als opgaand in het onder 1 tenlastegelegde. Ook de raadsvrouw van verdachte heeft tot vrijspraak geconcludeerd, onder verwijzing naar het door de officier van justitie naar voren gebrachte.

De rechtbank is van oordeel dat het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde niet aan wettige bewijsmiddelen kan worden ontleend, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijsproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 1 december 2006 in de gemeente Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen die [slachtoffer] met een mes of puntig voorwerp, in de rug(streek) en/of het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Het medeplegen van een poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat op zeer ernstige wijze inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte zich samen met een ander heeft doen gelden ten opzichte van het slachtoffer: terwijl hij het slachtoffer vasthield heeft zijn medeverdachte het slachtoffer meermalen in het hoofd gestoken en zelf heeft hij het slachtoffer ook nog eens met een mes meermalen in de rug gestoken. Het toebrengen van steken heeft bij het slachtoffer aanzienlijke verwondingen veroorzaakt en de gevolgen hadden veel ernstiger kunnen zijn. Dat het bij deze verwondingen is gebleven, is een omstandigheid die niet aan verdachte te danken is.

Gedurende het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte er blijk van gegeven de laakbaarheid van zijn handelen niet in te zien. Daarnaast is ook niet gebleken dat verdachte bereid is verantwoordelijkheid voor zijn daad te nemen of dat hij spijt heeft van zijn handelwijze. De rechtbank is er dan ook niet gerust op dat herhaling van een vergelijkbaar vergrijp in de toekomst is uitgesloten.

Misdrijven als de onderhavige hebben niet alleen negatieve gevolgen voor slachtoffers, maar wakkeren daarnaast gevoelens van onveiligheid aan bij het uitgaand publiek, dat zich vrij moet kunnen voelen onbekommerd van een avond uit te genieten.

Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. In zoverre dient dan ook het persoonlijke belang van verdachte om op korte termijn terug te keren in de maatschappij te wijken voor het algemeen belang misdrijven als de onderhavige met strafoplegging te vergelden.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank bij de strafoplegging mee dat hij nog niet eerder voor een soortgelijk feit tot straf is veroordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dat, en de leeftijd van verdachte, dat een lagere straf wordt opgelegd dan de straf die de officier van justitie heeft geëist.

Teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een soortgelijk feit, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf in voorwaardelijke vorm opleggen.

Alles afwegende, acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.050,= gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij wat betreft de materiële schadevergoeding geen onderbouwing heeft gegeven van de door hem geleden schade en acht dat gedeelte van de vordering niet eenvoudig van aard, zodat de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag, welk bedrag verdachte niet heeft weersproken, terwijl verdachte naar burgerlijk recht voor deze immateriële schade aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 47, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 750,=, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2006.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 750,= met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 15 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis en de onmiddellijke invrijheidstelling van veroordeelde af.

Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Van der Hooft en Lucassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Kuipers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 maart 2007.