Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:BA0239

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
76648 FARK 06-480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verhouding tussen voortgezet gebruik woning en inboedel en verdeling. Gevolgen van pensionering van de man rond tijdstip uiteengaan voor de behoefte van de vrouw. Interen op vermogen in het kader van draagkracht en jusvergelijking.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 827
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 76648 FARK 06-480

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 7 maart 2007

in de zaak tussen:

[verzoeker],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

verzoeker, hierna te noemen de man,

procureur: mr. A.J. Zeyl,

advocaat: mr. I.H. Grandjean te Zwolle,

e n

[verweerster],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

verblijvende te Deventer,

verweerster, hierna te noemen de vrouw,

procureur: mr. J.U. van der Werff.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen op 15 maart 2006;

- het exploot van betekening van 24 maart 2006;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 20 oktober 2006;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, ingekomen op 17 november 2006;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 5 december 2006;

- de brief met bijlagen van 8 februari 2007 van mr. Grandjean;

- de brief met bijlagen van 12 februari 2007 van mr. Van der Werff;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 21 februari 2007.

De feiten

De vrouw en de man, die de Nederlandse nationaliteit bezitten, zijn op 9 mei 1985 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

Het verzoek

De man verzoekt - na wijziging ter zitting - dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) tussen partijen de echtscheiding zal uitspreken;

b) de verdeling zal bevelen van hun gemeenschappelijke bezittingen, voor zover aanwezig, met benoeming van een notaris en onzijdige personen;

c) zal bepalen dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten.

Hij stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en dat hij belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning en de inboedel.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) tussen partijen de echtscheiding zal uitspreken;

a) zal bepalen dat de man vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 3.000,--, althans een bijdrage in goede justitie door de rechtbank te bepalen, aan de vrouw zal voldoen;

c) de overige verzoeken van de man zal afwijzen.

Zij stelt dat zij behoefte heeft aan en de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage, dat de man geen belang heeft bij het verzoek omtrent de bewoning van de echtelijke woning nu daarover tussen partijen geen verschil van mening bestaat en dat het de man alleen te doen is om het gebruik van de inboedel.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

De man voert verweer tegen de door de verzochte alimentatiebijdrage. Hij betwist de behoefte van de vrouw en stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage te kunnen voldoen.

De beoordeling

Nu de vrouw niet betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

De gevraagde nevenvoorziening met betrekking tot de verdeling van de gemeenschappelijke bezittingen is eveneens voor toewijzing vatbaar, nu de vrouw daartegen geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd.

Partijen zijn verdeeld over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1:165, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter - voor zover van belang - bij de echtscheidingsbeschikking bepalen dat de echtgenoot die ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

De vrouw heeft zich op zich niet verzet tegen het voortgezet gebruik van de woning door de man. Haar stelling dat de man bij zijn verzoek geen belang zou hebben, passeert de rechtbank, nu het enkele feit dat partijen hierover op dit moment niet van mening verschillen onvoldoende is om te komen tot de conclusie dat de man bij zijn verzoek geen belang heeft. Dit belang is er immers juist in gelegen dat de man ook na de echtscheiding nog enige tijd ongestoord in de woning kan blijven.

Daarnaast heeft de vrouw de vrees geuit dat de man bij toepassing van voornoemd artikel alle inboedel die zich nog in de woning bevindt onder zich zal houden met een beroep op zijn gebruiksrecht. Gezien de uitlatingen van de man ter zitting dat de vrouw reeds de nodige inboedel heeft meegenomen, acht de rechtbank deze vrees van de vrouw niet op voorhand ongegrond.

De in artikel 1:165, eerste lid BW bedoelde maatregel heeft geen verdere strekking dan te voorzien in de moeilijkheden die een echtscheidingsprocedure kan meebrengen in verband met de huisvesting van de echtgenoten; het artikel beïnvloedt de rechten van de echtgenoten niet verder dan het doel van de maatregel meebrengt. Het betreft een ordemaatregel ten aanzien van de echtelijke woning en de gezamenlijke inboedel die zich in de woning bevindt. Gelet op het gemeenschappelijke karakter van de eigendom daarvan vindt een inbreuk op het gebruiks- en beschikkingsrecht van de andere echtgenoot plaats. Enkel ter voorkoming van vorderingen op die grond is het uitsluitende gebruiksrecht van een wettelijke grondslag voorzien. Daarmee wordt echter geenszins beoogd afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de andere echtgenoot verdeling te vorderen van de inboedel. In dat licht heeft de vrouw dan ook geen belang bij haar verzoek tot afwijzing van het verzoek van de man, nu dit gebruiksrecht de man niet ontslaat van zijn gehoudenheid mee te werken aan de verdeling. Mocht blijken dat de man in de praktijk niet meewerkt aan een verdeling van de inboedel, dan staan de vrouw andere middelen ter beschikking om deze verdeling te effectueren.

Partijen zijn verdeeld over de door de vrouw verzochte bijdrage in haar levensonderhoud.

In de eerste plaats heeft de man gesteld dat de vrouw zou samenleven met een ander als ware zij gehuwd in de zin van artikel 1: 160 BW. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Weliswaar heeft zij goed contact met de heer [naam], op wie de man doelt, maar van samenleven in vorenbedoelde zin is geen sprake. Zij stelt dat zij de heer [naam] slechts in de weekeinden ziet. Hierop heeft de man nader aangevoerd dat hij van de dochter van partijen, [naam dochter], heeft gehoord dat de heer [naam] altijd bij de vrouw is wanneer zij daar is. De vrouw heeft daarover opgemerkt dat dit juist is. [naam dochter] verbleef - volgens de verklaring van beide partijen - in de afgelopen periode alleen tijdens weekeinden bij de vrouw.

Gelet op het over en weer gestelde is de rechtbank van mening dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Kennelijk is zijn enige informatiebron [naam dochter], die slechts over de weekeinden kan verklaren. Gelet op de uitleg van de vrouw kan uit die verklaring de door de man getrokken conclusie niet volgen. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat niet is aangetoond dat sprake is van een situatie van samenleven met een ander in de zin van artikel 1:160 BW, zodat niet toegekomen wordt aan de vraag wat de gevolgen van een dergelijke situatie zouden moeten zijn nu partijen nog gehuwd zijn.

Partijen zijn voorts verdeeld over de behoefte van de vrouw.

De rechtbank schat het besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk op ten minste circa € 4.500,-- per maand. Dit bedrag is gebaseerd op de uitlating van de man dat hij normaal gesproken een inkomen van zo’n € 3.750,-- per maand had, maar dat partijen daarmee niet altijd uitkwamen, in welk geval het bedrag werd verhoogd tot € 4.000,-- of soms tot

€ 4.500,--. In de laatste jaren heeft de vrouw daarnaast parttime gewerkt, zij het een zeer beperkt aantal uren, zodat het netto maandinkomen van de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen op circa € 500,-- per maand kan worden gesteld. Gelet hierop kan de levensstandaard van partijen op ten minste € 4.500,-- netto per maand worden gesteld. Op dit bedrag komen de kosten van [naam dochter] in mindering, die onder verwijzing naar het rapport kosten van kinderen, laatstelijk gepubliceerd in de Tremaspecial van september 2006 en de daarbij behorende tabel die jaarlijks wordt aangepast kunnen worden vastgesteld op € 690,--.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het resterende besteed-baar inkomen ad € 3.810,-- per maand, aldus € 2.286,-- netto per maand, nu een eenpersoons-huishouden in zijn algemeenheid duurder is dan een tweepersoons.

Voor de bepaling van de behoefte aan een bijdrage van de man dient het eigen inkomen van de vrouw te worden vastgesteld. De vrouw is 54 jaar en is ruim 21 jaar gehuwd geweest met de man. Uit het huwelijk van partijen is hun dochter [naam dochter], die inmiddels net 18 is, geboren. Gebleken is dat de vrouw gedurende het huwelijk van partijen grotendeels de verzorging en opvoeding van deze minderjarige kinderen van partijen en de zorg voor de gezamenlijke huishouding voor haar rekening genomen heeft, terwijl de man fulltime werkte. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw werkzaamheden verricht voor het kantoor van de man, die notaris was. In 1996 is zij begonnen met een opleiding in het onderwijs. Zij heeft op vrijwillige basis vanaf die periode werkzaamheden verricht als lerares Frans op een basisschool. Vanaf 2001 heeft zij een betaalde werkkring als lerares Frans, en later ook als lerares Nederlands, telkens op tijdelijke basis en parttime. Momenteel geeft de vrouw 19 uren per week les. Haar contract eindigt echter eind februari. Hoe veel uren zij daarna nog zal kunnen werken, is niet zeker. Op dit moment verdient de vrouw € 530,17 bruto per week. Daarnaast geeft zij op dit moment bijles aan een leerlinge waarvoor zij € 17,50 per week ontvangt. De vrouw heeft aannemelijk gemaakt voldoende in het werk te stellen een andere baan te vinden. Vanwege het ontbreken van een eerstegraads en tweedegraads lesbevoegdheid zijn haar mogelijkheden echter voorlopig beperkt. Op zijn vroegst in 2009 zal hierin verandering komen, omdat zij dan haar aanvullende opleiding hoopt te hebben afgerond. Gelet daarop acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat het voor de vrouw op dit moment niet mogelijk is fulltime (laat staan op basis van een vaste arbeidsovereenkomst) aan het werk te komen, nog daargelaten of is te verwachten dat zij bij een fulltime baan een zodanig inkomen zal genereren dat daarmee haar behoefte volledig gedekt is, omdat deze mede wordt bepaald door de mate van welstand tijdens het huwelijk.

De rechtbank acht het redelijk voor de bepaling van het inkomen dat de vrouw zelf kan genereren aan te sluiten bij hetgeen zij thans verdient, hetgeen (inclusief bijles en inclusief vakantiegeld, maar gelet op haar tijdelijke contracten uitgaand van 46 weken per jaar) neerkomt op circa € 1.450,-- netto per maand.

Naast voormeld inkomen beschikt de vrouw over inkomen uit vermogen. Partijen verschillen over de hoogte van dit vermogen en over het te behalen rendement daaruit. De rechtbank acht het gelet op haar stellingen dienaangaande redelijk ervan uit te gaan dat de vrouw de aan haar uit te keren overwaarde van de echtelijke woning zal gebruiken om een nieuwe woning te kopen, nu het voor haar gelet op haar tijdelijke arbeidscontracten moeilijk zal zijn een hypothecaire geldlening te verkrijgen. Ten aanzien van de erfenis die de vrouw heeft ontvangen, heeft de man aangevoerd dat het om een bedrag van ten minste ruim € 42.000,-- zou moeten gaan. Daarbij is echter slechts verwezen naar een bankafschrift van de vrouw waarop een dergelijk bedrag zou staan, maar de herkomst van dat totaalbedrag staat daarmee niet vast. Deze stelling acht de rechtbank dan ook een onvoldoende betwisting van de stelling van de vrouw dat de erfenis ca. € 33.000,-- heeft bedragen. Haar stelling dat zij hierop heeft moeten interen sinds september 2005 komt de rechtbank niet onaannemelijk voor nu zij eerst per 1 oktober 2006 een bijdrage van de man in haar levensonderhoud heeft ontvangen, terwijl partijen toen reeds geruime tijd feitelijk uit elkaar waren. De rechtbank zal de vrouw dan ook volgen in haar stelling dat van dit bedrag nog € 15.000,-- resteert. Van andere vermogensbestanddelen is niet gebleken. Uitgaand van een in redelijkheid met dit vermogen te behalen rendement van 3 % per jaar levert dit de vrouw op jaarbasis € 450,-- op, omgerekend € 37,50 per maand, wat gelet op de hoogte van het vermogen een netto bedrag is.

Gezien haar huidige inkomen ad € 1.487,50 netto per maand heeft de vrouw daarom behoefte aan een bijdrage van de man van € 798,50 netto per maand, hetgeen gebruteerd een bedrag van € 1.376,-- per maand oplevert.

De man heeft aangevoerd dat vanwege zijn pensionering thans niet bij de huwelijksgebonden behoefte kan worden aangesloten. Immers, als partijen bij elkaar waren gebleven, zou het inkomen eveneens gedaald zijn. Hiertegenover heeft de vrouw aangevoerd dat niet valt in te zien dat van de man niet gevergd zou kunnen worden - in ieder geval gedeeltelijk - op zijn vermogen in te teren. De rechtbank overweegt hieromtrent dat een ten tijde van het uit elkaar gaan van partijen nog toekomstige gebeurtenis in beginsel niet van invloed is op de hoogte van de behoefte, nu de behoefte als zodanig daardoor niet wijzigt. De gevolgen van deze gebeurtenis komen tot uitdrukking in de afnemende draagkracht van de man en zullen hierna bij de beoordeling van de draagkracht worden gewogen.

Het is gelet op het voorgaande redelijk dat de man naar draagkracht in de huwelijksgebonden behoefte voorziet.

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man.

Ter beoordeling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank in box 1 (inkomsten uit werk en woning) op grond van de overgelegde bescheiden en het onderzoek ter terechtzitting met een bruto AOW-uitkering van € 948,21 per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, en een inkomen uit pensioen van € 31.994,-- per jaar.

De rechtbank houdt vervolgens rekening met de inkomensafhankelijke bijdrage inzake de Zorgverzekeringswet ad € 1.577,--, (te weten 6,5 % over de AOW-uitkering en 4,4 % over (een deel van) het pensioen), het eigenwoningforfait ad € 3.041,-- (0,55 % van € 553.000,--), de aftrekbare hypotheekrente ad € 12.111,-- en de inkomstenbelasting in box I ad € 8.350,--.

Ter zake van de aandelen in de BV gaat de rechtbank uit van het overzicht dat de man heeft overgelegd, waaruit een netto vermogen (na aftrek latente belasting aanmerkelijk belang) van

€ 235.375,-- blijkt. De man heeft aangevoerd dat hij slechts een rendement van 1,75 % zou kunnen behalen, maar hij heeft dit standpunt niet voldoende onderbouwd. De rechtbank ziet geen reden af te wijken van het ook ten aanzien van de vrouw in redelijkheid gehanteerde rendement van 3 % per jaar, te meer daar uit het stuk van de accountant reeds blijkt dat uitgaand van het rendement van direct opneembare rekeningen ten minste een rendement van 2,6 % en maximaal 3 % per jaar behaald zou kunnen worden. Dit levert een bedrag van bruto € 7.059,-- op in box II. De rechtbank berekent de inkomstenbelasting daarover - volgens het vaste tarief van 25 % - op € 1.764,--.

In box III is sprake van vermogen in de vorm van een effectenportefeuille. Deze portefeuille heeft een waarde van € 207.016,--. Wederom uitgaande van een in redelijkheid te behalen jaarrendement van 3 % becijfert de rechtbank de feitelijke rente-inkomsten van de man uit dit vermogen op een bedrag van € 6.210,-- bruto per jaar. De door de man te betalen inkomsten-belasting over voormeld vermogen bedraagt, rekening houdend met het consumptief krediet van € 40.300,--, een heffingsvrij vermogen (zonder ouderentoeslag, nu daarvoor het belastbaar inkomen in box I te hoog is) van € 20.014,-- per jaar en een forfaitair rendement van 4%, volgens het vaste tarief (van 30%) € 1.760,-- per jaar.

Geen rekening houdt de rechtbank met het feit dat er per jaar € 20.000,-- door de man wordt ingeteerd op zijn vermogen, nu de man hiermee kennelijk bedoelt te zeggen dat hij te kort komt en niet dat van hem gevergd kan worden op zijn vermogen in te teren ten gunste van de vrouw. Waarom hiermee bij de bepaling van de draagkracht niettemin rekening zou dienen te worden gehouden, is door de vrouw niet onderbouwd.

Rekening houdend met - alles per jaar - de hiervoor in box 1 berekende inkomensheffing van

€ 8.350,--, de in box 2 en 3 berekende inkomstenbelasting van respectievelijk € 1.764,-- en

€ 1.760,--, de algemene heffingskorting ad € 957,--, de alleenstaande ouderkorting ad € 673,--, berekent de rechtbank het besteedbaar maandinkomen van de man op afgerond € 4.074,--.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man is de rechtbank in navolging van partijen uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 866,-- per maand minus de wooncomponent van € 197,-- en met de navolgende, door de vrouw niet betwiste lasten op maandbasis:

- de hypotheekrente ad € 1.009,28;

- het forfait overige eigenaarslasten ad € 95,--;

- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 259,05, zijnde de basis- en aanvullende premie ad € 127,63 vermeerderd met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ad € 131,42;

- de premie begrafenisverzekering ad € 14,85.

Tevens rekent de rechtbank met de noodzakelijke kosten van [naam dochter], nu partijen het erover eens zijn dat het het meest bij de feitelijke situatie en de toekomstverwachtingen aansluit om de reële kosten van [naam dochter] mee te nemen in plaats van de man als eenoudergezin te beschouwen. Het door de man ter zitting overgelegde overzicht is door de vrouw onvoldoende betwist, zodat de rechtbank de kosten van [naam dochter] op een bedrag van € 982,50 zal stellen.

Geen rekening houdt de rechtbank met de rente op het consumptieve krediet ad € 198,14 per jaar, in het kader van “gelijkheid boven en onder de streep”, nu de schuld ter hoogte van

€ 40.300,-- door de rechtbank reeds in mindering is gebracht op het vermogen en het daarop door de man te behalen rendement. De keuze van de man de schuld niet af te lossen dient in het kader van de alimentatievaststelling voor zijn rekening te blijven.

Van de draagkrachtruimte is 60 % beschikbaar voor alimentatie.

Rekening houdend met het belastingvoordeel dat de man heeft wegens alimentatiebetaling aan de vrouw, welk voordeel de rechtbank aan de vrouw toerekent, heeft de man ruimte voor een bedrag van € 934,-- per maand voor de vrouw.

Vergelijking van ieders inkomen en lasten - waarbij de rechtbank aan de zijde van de vrouw is uitgegaan van haar hiervoor genoemde inkomsten, een huur van € 700,-- per maand, en de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 259,77, bestaande uit de inkomensafhankelijke werkgevers-bijdrage van € 143,-- en de basis- en aanvullende premie van € 116,77 - leert de rechtbank dat de vrouw bij deze alimentatie weliswaar iets meer vrij te besteden overhoudt dan de man, maar waar het gaat om de “jus”, de extra luxe in het leven, acht de rechtbank het niet onredelijk van de man te vergen - indien hij in eenzelfde positie als de vrouw wenst te verkeren - zijn vermogen aan te spreken, nu ervan uitgegaan mag worden dat het in de BV opgebouwde vermogen juist is bedoeld als oudedagsvoorziening voor de man om zijn oude levensstijl voort te zetten, gelet op de relatief bescheiden omvang van het pensioen van de man. Overigens gaat het om een bedrag van bijna € 4.000,-- per jaar, hetgeen gelet op het totale vermogen in de BV niet bovenmatig wordt geacht, te meer daar ter zitting is gebleken dat ook tijdens het huwelijk voor luxe uitgaven regelmatig extra geld door de man op de bankrekening werd gestort.

Voormeld bedrag van € 934,-- acht de rechtbank dan ook in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor terzake de behoefte van de vrouw is overwogen,

ziet de rechtbank geen aanleiding om van de wettelijke alimentatieduur af te wijken en

zal zij het verzoek van de man tot limitering afwijzen. Dit verzoek van de man is onvoldoende onderbouwd, nu de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw op het door hem vermelde tijdstip volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij met een fulltime baan een zodanig inkomen kan genereren dat daarmee haar huwelijksgerelateerde behoefte kan worden gedekt.

Het verzoek deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is toewijsbaar, behoudens ten aanzien van de beslissing omtrent de echtscheiding.

De beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen op 9 mei 1985 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd;

bepaalt dat de man, vanaf de dag waarop de beschikking voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan de vrouw voor levensonderhoud zal betalen de som van € 934,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

beveelt dat partijen, nadat deze beschikking voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, met elkaar overgaan tot verdeling van de gemeenschappelijke bezittingen ten overstaan van een (door hen zelf te kiezen) notaris;

benoemt – echter alleen voor het geval dat zij over de keuze van een notaris niet tot overeenstemming kunnen komen – mr. G. Vermeulen, notaris gevestigd te Epe, of diens waarnemer of opvolger en bepaalt dat:

- als de vrouw niet meewerkt aan de verdeling, mr. H.C. Brandsma, advocaat en procureur te Apeldoorn, als haar vertegenwoordiger zal optreden;

- als de man niet meewerkt aan de verdeling, mr. J.J. Douwes, advocaat en procureur te Apeldoorn, als zijn vertegenwoordiger zal optreden;

bepaalt dat de man, als deze op het ogenblik van de inschrijving van de beschikking, voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken, de echtelijke woning aan de [adres en plaats] bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden voort te zetten;

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing omtrent de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.