Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ9734

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
01-03-2007
Zaaknummer
77271 FA RK 06/668
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vrouw en de man, die beiden zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit bezitten, zijn op 21 januari 1988 op het consulaat van Marokko te Amsterdam met elkaar gehuwd. Eerder zijn zij gehuwd geweest tot 24 augustus 1987.

De rechtbank komt tot de conclusie dat Marokkaans huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Naar Nederlands internationaal privaatrecht is er - als uitgangspunt - geen verdrag van toepassing. Krachtens artikel 21, eerste lid van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 in combinatie met de artikelen 12 en 13 van de Wet Conflictenrecht Huwelijksvermogensregime is het na de inwerkingtreding van dat verdrag echter ook voor echtelieden die voordien in het huwelijk zijn getreden mogelijk staande huwelijk een rechtskeuze te maken. Daarbij dient echter de rechtskeuze wel op de door het verdrag voorgeschreven wijze te worden gedaan om rechtsgeldig te zijn. Nu de rechtskeuze niet is vastgelegd bij notariële akte, is aan deze voorwaarde niet voldaan, zodat geen sprake is van een geldige rechtskeuze voor Nederlands recht.

Gelet op het arrest Chelouche/Van Leer wordt aangesloten bij de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtelieden bij of kort na de huwelijksvoltrekking. In dit geval is dit de Marokkaanse nationaliteit.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij in geval van toepassing van Marokkaans recht aanspraak heeft op een deel van de waardevermeerdering van het vermogen van de man nu zij door haar inspanning en arbeid aan die waardevermeerdering heeft bijgedragen. Het standpunt van de vrouw vindt steun in de toelichting op artikel 49 Mudawwana 2004. Partijen zullen worden toegelaten zich - in eerste instantie schriftelijk - nader uit te laten. De echtscheiding wordt uitgesproken zonder mondelinge behandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 818
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 827
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 77271 FA RK 06/668

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 28 februari 2007

in de zaak tussen:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker, hierna te noemen de man,

procureur: mr. H. Ravenshorst,

en

[verweester],

wonende te [plaats],

feitelijk verblijvende te Warnsveld,

verweerster, hierna te noemen de vrouw,

procureur: mr. P.A. Roscam Abbing.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen op 12 april 2006;

- het exploot van betekening van 25 april 2006;

- het aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 2 mei 2006;

- het verweerschrift, ingekomen op 31 juli 2006;

- het aanvullende verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 10 augustus 2006;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, ingekomen op 4 oktober 2006;

- de brief met bijlagen van mr. Ravenshorst van 3 januari 2007;

- de brief van mr. Roscam Abbing van 15 januari 2007.

De feiten

De vrouw en de man, die beiden zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit bezitten, zijn op 21 januari 1988 op het consulaat van Marokko te Amsterdam met elkaar gehuwd. Eerder zijn zij gehuwd geweest tot 24 augustus 1987.

Het verzoek

De man verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. tussen partijen de echtscheiding zal uitspreken;

2. de verdeling zal bevelen van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen zoals de wet voorschrijft;

3. zal bepalen dat de man huurder zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats];

Hij stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vrouw refereert zich met betrekking tot de echtscheiding en het huurrecht aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft daarnaast de rechtbank verzocht het door de man onder 2. verzochte bevel af te wijzen en voorts:

1. de man te bevelen medewerking te verlenen aan het vaststellen van de waarde van het huis dat door partijen in Marokko is gebouwd en van de olijfgaard;

2. de verdeling te bevelen van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd, aldus dat aan de man worden toegedeeld alle activa en passiva die de gemeenschap van goederen vormen onder de verplichting aan de vrouw de helft van de waarde uit te keren, althans de verdeling vast te stellen op zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie juist zal achten.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

De man heeft verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar deze te ontzeggen. Naar zijn mening vallen, voor zover er al sprake is van een huwelijksgoederengemeenschap van partijen, de Marokkaanse onroerende zaken niet in de gemeenschap.

De beoordeling

Op grond van artikel 3 van EG Verordening 2201/2003 van 27 november 2003 komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, nu de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben.

Ten aanzien van de echtscheiding hebben partijen (impliciet) een rechtskeuze voor Nederlands recht gedaan, gelet op de stellingen van de man, die door de vrouw niet zijn weersproken. Op grond van artikel 1, vierde lid van de Wet van 25 maart 1981, Stb 81, 166 houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van huwelijk enz. bepaalt het Nederlandse recht of echtscheiding kan worden verzocht en op welke gronden Nu de vrouw erkent dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de gevraagde nevenvoorziening met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning heeft deze rechter gelet op het bepaalde in artikel 4, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om met toepassing van het Nederlands recht op dit verzoek te beslissen, nu die woning in Nederland is gelegen. Dit verzoek is eveneens voor toewijzing vatbaar, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

Partijen zijn nog verdeeld over de omvang en (wijze van) verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. In het verzoekschrift heeft de man als standpunt ingenomen dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Hij heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1976, NJ 1977/275 (Chelouche/Van Leer). Het eerste huwelijksdomicilie van partijen is Nederland geweest.

De vrouw heeft bij verweerschrift ingestemd met de keuze voor Nederlands recht. In het zelfstandige verzoek heeft zij hieraan de consequentie verbonden dat tot de huwelijks-goederengemeenschap onder meer een huis in Marokko en een olijfgaard behoren. Hierop heeft de man zijn standpunt in die zin nader bepaald dat de rechtskeuze slechts betrekking heeft op de in Nederland aanwezige goederen. Naar zijn mening is een rechtskeuze met betrekking tot de onroerende zaken in Marokko niet mogelijk. Hierop is naar zijn mening Marokkaans recht van toepassing. Nu de onroerende zaken door vererving aan de man zijn toegekomen, heeft de vrouw hierop geen rechten. De man heeft vervolgens ter onderbouwing en gedeeltelijk ter aanvulling van zijn standpunt een advies van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) te ’s-Gravenhage overgelegd.

Naar aanleiding van de stellingname van de man heeft de vrouw haar verzoek aldus aangepast, dat zij de rechtbank verzoekt haar aanspraken jegens de man vast te stellen op

€ 30.000,-- althans zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist zal achten en de man te veroordelen dit bedrag aan de vrouw uit te keren binnen twee dagen na betekening van de beschikking nadat deze voor wat betreft de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw volgt de man in zijn stelling dat het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht tussen partijen van toepassing is, maar is van mening dat zij een vordering op de man heeft in verband met de waardevermeerdering van het vermogen van de man, die mede is ontstaan doordat de kosten van de bouw van het huis uit het gezinsinkomen van partijen zijn bestreken en doordat de vrouw de man in staat heeft gesteld het merendeel van het gezinsinkomen te verwerven doordat zij het huishouden heeft verzorgd.

Ter zake van de nevenvoorziening tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap komt gelet op hetgeen is bepaald in artikel 827 juncto artikel 4, derde lid Rv, aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

De rechtbank komt evenals partijen tot de conclusie dat Marokkaans huwelijksvermogens-recht van toepassing is op de gehele gemeenschap van partijen. Zij zijn in 1988 hertrouwd. Of hiermee, zoals naar Nederlands recht, de rechtsgevolgen van het eerdere huwelijk van partijen zijn herleefd, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen - hoewel daar gelet op de overgelegde huwelijksakte wel aanwijzingen voor zijn - maar naar het oordeel van de rechtbank is dit gelet op het volgende niet van belang voor de beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is op het vermogen van partijen. Naar Nederlands internationaal privaatrecht is er - als uitgangspunt - geen verdrag van toepassing, nu het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (Trb. 1988/130, hierna: Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978) eerst per 1 september 1992 in werking is getreden. Het Haags Huwelijksgevolgenverdrag 1905 is nimmer van toepassing geweest, nu Marokko bij dat verdrag geen lid is geweest.

Krachtens artikel 21, eerste lid van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 in combinatie met de artikelen 12 en 13 van de Wet Conflictenrecht Huwelijksvermogens-regime is het na de inwerkingtreding van dat verdrag echter ook voor echtelieden die voordien in het huwelijk zijn getreden mogelijk staande huwelijk een rechtskeuze te maken. Daarbij dient echter de rechtskeuze wel op de door het verdrag voorgeschreven wijze te worden gedaan om rechtsgeldig te zijn. Gelet op artikel 11 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 dient de aanwijzing van het toepasselijke recht uitdrukkelijk te zijn overeengekomen of ondubbelzinnig voort te vloeien uit huwelijkse voorwaarden, waarbij ingevolge artikel 13 ook een uitdrukkelijk overeengekomen aanwijzing van het toepasselijke recht dient te geschieden in de vorm die voor huwelijkse voorwaarden is voorgeschreven, hetzij door het aangewezen interne recht, hetzij door het interne recht van de plaats waar die aanwijzing geschiedt. Nu de rechtskeuze niet is vastgelegd bij notariële akte, is aan deze voorwaarde niet voldaan, zodat geen sprake is van een geldige rechtskeuze voor Nederlands recht.

Aldus dient voor de beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is aangesloten te worden bij het hiervoor genoemde arrest Chelouche/Van Leer. Voor zover partijen voor de datum van het wijzen van dit arrest (10 december 1976) gehuwd zouden zijn, overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 7 april 1989, NJ 1990/347 kan worden afgeleid dat bij gebreke van een verdragsrechtelijke bepaling de verwijzingsregels van Chelouche/Van Leer een zekere terugwerkende kracht hebben.

Ingevolge voormeld arrest kan primair een rechtskeuze voor een bepaald recht worden gedaan. Nu deze niet, althans niet rechtsgeldig, is gemaakt, wordt in de eerste plaats aangesloten bij de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtelieden bij of kort na de huwelijksvoltrekking. In dit geval is dit de Marokkaanse nationaliteit, nu partijen eerst geruime tijd na de huwelijksvoltrekking de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. De plaats van het eerste huwelijksdomicilie is dan niet meer van belang. Marokkaans huwelijksvermogensrecht is derhalve van toepassing.

In haar reactie op de rapporten van het IJI d.d. 23 november en 15 december 2006 stelt de vrouw zich op het standpunt dat zij in geval van toepassing van Marokkaans recht aanspraak heeft op een deel van de waardevermeerdering van het vermogen van de man nu zij door haar inspanning en arbeid aan die waardevermeerdering heeft bijgedragen. Zij beroept zich hierbij op het Marokkaans gewoonterecht.

De rechtbank overweegt hierover dat het standpunt van de vrouw steun vindt in het door de man overgelegde rapport van het IJI, te weten waar wordt geciteerd uit de Franstalige toelichting op artikel 49 Mudawwana 2004. Hierin staat vermeld:

“Il arrive que les conjoints ne parviennent pas à conclure un accord à propos de la gestion desdits biens et que l’un d’eux prétend avoir droit sur les biens acquis par l’autre durant la période de mariage. En cas de litige, chacun peut apporter la preuve de sa participation au développement des biens de l’autre. Dans ce cas, il est fait application des règles générales de la preuve.”

Vrij vertaald komt dit neer op het volgende. Het komt voor dat de echtgenoten er niet in slagen tot overeenstemming te komen over het beheer van hun goederen en dat een van hen aanspraak maakt op vermogensbestanddelen die de ander heeft verworven gedurende het huwelijk. In geval van twist kan elk van hen bewijs aandragen van zijn aandeel in de ontwikkeling van de goederen van de ander. In dat geval worden de algemene bewijsregels toegepast.

De rechtbank begrijpt de stellingen van de vrouw aldus dat zij van mening is dat zij (door verrichte inspanningen en financiële bijdragen) een aandeel heeft gehad in de

waardeontwikkeling van de goederen van de man, te weten het huis en de olijfgaard. Zij heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.

Partijen zullen worden toegelaten zich - in eerste instantie schriftelijk - nader uit te laten over het voorgaande en de gevolgen die dit in hun ogen dient te hebben voor de vordering die de vrouw stelt te hebben op de man. Daarbij dienen tevens stukken ter onderbouwing van hun standpunten en de omvang van een eventuele vordering overgelegd te worden. Voor zover partijen behoefte hebben aan een mondelinge behandeling, kunnen zij dit ter gelegenheid van de schriftelijke uitlating kenbaar maken.

Gelet op het voorgaande zal allereerst de vrouw worden toegelaten haar stellingen, waaronder de omvang van haar vordering, schriftelijk nader uit te werken en relevante stukken dienaangaande over te leggen. Vervolgens wordt de man in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen op 21 januari 1988 met elkaar gehuwd;

bepaalt dat de man, vanaf de dag waarop de beschikking voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, huurder is van de woning aan de [adres] te [plaats];

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing omtrent de echtscheiding, tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Alvorens verder te beslissen:

houdt de zaak aan tot 28 maart 2007 pro forma voor nadere uitlating door de vrouw en bepaalt dat de vrouw, indien zij bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding dient te brengen,

houdt de zaak vervolgens aan tot 11 april 2007 pro forma voor uitlating door de man en bepaalt dat de man, indien hij bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding dient te brengen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.