Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ9730

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
01-03-2007
Zaaknummer
07/285
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester van Doetinchem heeft een demonstratie van het "Comité Stop Extreem Rechts" op zaterdag 24 februari 2007 in het centrum van Doetinchem verboden. Het gaat om een demonstratie tegen een demonstratie van de Nederlandse Volksunie (NVU) op dezelfde dag, die eerder was aangemeld bij de gemeente.

Een lid van het Comité heeft de rechtbank Zutphen verzocht om het verbod van de burgemeester te schorsen. Dit verzoek is vrijdag 23 februari ter zitting behandeld. De voorzieningenrechter heeft daarna het verzoek om schorsing afgewezen. Het verbod van de burgemeester blijft dus in stand.

De rechter acht de vrees van de burgemeester voor ernstige wanordelijkheden door confrontaties tussen beide groeperingen gegrond. Daarbij is vooral van belang dat de demonstratie van de NVU om 13.00 uur start bij het station en dat de tegendemonstratie op dat tijdstip bij het station zou eindigen. Wel heeft de vertegenwoordiger het Comité zich bereid verklaard de tegendemonstratie in te korten tot 12.00 uur. Er is echter onvoldoende zekerheid dat de organisatie in staat is de demonstratie daadwerkelijk op dat tijdstip te laten eindigen, terwijl ook onvoldoende zicht bestaat op het aantal deelnemers. Het evidente risico van zich vermengende conflicterende groepen demonstranten is daarmee gegeven.

De rechter kan de burgemeester daarom volgen in diens standpunt dat de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden ernstig in het gedrang komt, ondanks de grote politiemacht die beschikbaar is voor de ordehandhaving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 07/285

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker]

verzoeker,

en

de burgemeester van de gemeente Doetinchem

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van 19 februari 2007, waarbij verweerder een door verzoeker aangekondigde demonstratie op 24 mei 2007 in het centrum van Doetinchem op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft verboden.

2. Procesverloop

Bij brieven van 21 februari 2007 heeft mr. M. Schuckink Kool, advocaat te Den Haag, namens verzoeker een bezwaarschrift bij verweerder ingediend en tevens verzocht om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 februari 2007, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. Voerman, advocaat te Doetinchem, R.P.J. Hengeveld en G.J. van Setten.

3. Motivering

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

3.2. Bij e-mail van 12 februari 2007 heeft verzoeker verweerder in kennis gesteld van het voornemen om op 24 februari 2007 van 11.00 tot 13.00 met het Comité Stop Extreem Rechts (hierna: het Comité), waarin onder meer AFA Nederland is vertegenwoordigd, een demonstratie te houden in het centrum van Doetinchem. Deze demonstratie is gericht tegen een demonstratie van de Nederlandse Volksunie (NVU) op dezelfde dag van 13.00 tot

17.30 uur in het centrum van Doetinchem. De demonstratie van de NVU is, omdat daarvan eerder een kennisgeving was ontvangen, niet door verweerder verboden, maar wel bij besluit van 19 februari 2007 aan een routebeperking onderworpen, onder meer ter voorkoming van wanordelijkheden. Dit besluit van verweerder staat in dit geding niet ter discussie.

3.3. Bij e-mail van 14 februari 2007 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen om de demonstratie van het Comité te verbieden en verzoeker in de gelegenheid gesteld daarop uiterlijk 16 februari 2007 om 11.00 uur zijn zienswijze te geven. Van deze mogelijkheid heeft verzoeker geen gebruik gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit de demonstratie verboden en daaraan ten grondslag gelegd dat met het plaatsvinden van twee demonstraties, met voornamelijk tegenstrijdige intenties, de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden ernstig in het gedrang komt. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat in het recente verleden bewust gezochte confrontaties tussen groeperingen van de NVU en de AFA hebben geleid tot wanordelijkheden, ondanks een grote inzet van de politie.

3.4. Nadat verzoeker bezwaar had gemaakt tegen dit besluit, heeft op 22 februari 2007 overleg plaatsgevonden tussen verzoeker en verweerder over alternatieven. Daarbij heeft verzoeker aangegeven de demonstatie een uur eerder, derhalve om 12.00 uur, te willen laten eindigen en bereid te zijn tot aanpassing van de route, echter met behoud van het station als start- en eindpunt, evenals de demonstratie van de NVU.

Verweerder heeft na dit overleg geen aanleiding gezien het gegeven verbod te herroepen.

Daarbij heeft verweerder, zoals ter zitting is uiteengezet, in aanmerking genomen dat verzoeker niet heeft aangetoond dat het Comité onder zijn leiding staat en dat hij de demonstranten met macht en gezag kan toespreken en aanspreken, en dat verzoeker geen zekerheid kan verschaffen over het aantal demonstranten van AFA en van de twee andere deelnemende groeperingen, Aksi en DHD. Niet in de laatste plaats heeft verweerder in aanmerking genomen dat verzoeker niet kan garanderen dat de demonstratie om 12.00 uur daadwerkelijk beëindigd is. Het evidente risico van zich vermengende conflicterende groepen demonstranten is daarmee gegeven, aldus verweerder.

3.5. Verzoeker heeft in dit verband aangevoerd – kort samengevat – dat hij wel concrete aantallen demonstranten heeft kunnen noemen (100 tot 250), dat in dit geval te hoge eisen worden gesteld aan de leiding van de demonstratie en dat ten onrechte wordt tegengeworpen dat er verschillende actiegroepen aan de demonstratie deelnemen. Gelet op de jurisprudentie gaat het immers om de vraag of voldoende politie kan worden ingezet om wanordelijkheden te voorkomen of te bestrijden. Volgens verzoeker heeft verweerder niet aangetoond dat dit niet mogelijk is.

3.6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat, gelet op het grondwettelijk karakter van het recht van betoging, een verbod van een betoging op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wom ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden slechts gerechtvaardigd is indien er een bestuurlijke overmachtsituatie dreigt te ontstaan. Dat is het geval wanneer de betoging naar redelijke verwachting gepaard zal gaan met dermate ernstige wanordelijkheden, dat er niet voldoende politie kan worden ingezet om de veiligheid van burgers en goederen adequaat te beschermen. De rechter dient binnen dit kader met de nodige terughoudendheid te beoordelen of de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verbieden van de aangekondigde demonstratie.

3.7. Gelet op eerdere ervaringen in verschillende gemeenten bij extreemrechtse betogingen, zoals die van de NVU, dan wel tegen “extreemrechts” gerichte betogingen, zoals die van het Comité, kan de voorzieningenrechter verweerder volgen in diens standpunt dat de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden ernstig in het gedrang komen, als beide aangekondigde demonstraties op dezelfde dag in elkaar overlopend (om 13.00 uur bij het station) zouden plaatsvinden. Dit wordt door verzoeker ook niet betwist.

Ter beoordeling staat thans – gegeven de bereidheid van verzoeker tot aanpassingen – of verweerder, in plaats van een verbod te geven, de demonstratie van het Comité zou behoren toe te staan met de beperking dat deze eindigt om 12.00 uur bij het station en met eventuele beperkingen ten aanzien van de route tussen start- en eindpunt bij het station.

In dit verband kan – gelet op het verhandelde ter zitting – verweerder worden gevolgd in zijn opvatting dat onvoldoende zicht bestaat op het aantal te verwachten deelnemers aan de demonstratie van het Comité, vooral ook van de zijde van de aan het Comité gelieerde groeperingen DHD en Aksi, en dat onvoldoende zekerheid bestaat dat verzoeker en zijn medeorganisatoren in staat zullen zijn de demonstratie daadwerkelijk om 12.00 uur te laten eindigen en de deelnemers huiswaarts te laten keren. De verwachting dat conflicterende groepen demonstranten zich zullen vermengen – vooral tussen 12.00 en 13.00 uur bij het station – is dan ook alleszins gerechtvaardigd. Hiervan uitgaande kan redelijkerwijs worden verwacht dat dermate ernstige wanordelijkheden ontstaan, dat de beschikbare politiemacht – naar ter zitting is verklaard circa 200 manschappen – onvoldoende is om de veiligheid van burgers en goederen adequaat te beschermen.

3.8. Dit leidt tot het (voorlopig) oordeel dat verweerder de aangekondigde demonstratie van het Comité – ook als deze in tijd beperkt zou worden tot 12.00 uur – in redelijkheid heeft kunnen verbieden. Er is derhalve geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

3.9. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.