Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ9599

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
06-802653-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voormalige eigenaar van een beveligingsbedrijf is veroordeeld tot een werkstraf van 160 uur omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing. Hij twijfdelde ernstig aan de kredietwaardigheid van de persoon die werd beveiligd en heeft onder het uiten van ernstige bedreigingen getracht een substantieel, niet tevoren overeengekomen bedrag te innen. Anderzijds heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf er ook rekening mee gehouden dat verdachte een blanco strafblad had, terwijl hij langdurig in de beveiligingsbranche actief is geweest. Voorts heeft de rechtbank rekening met de gevolgen die het gebeurde uiteindelijk voor de verdachte heeft gehad. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/802653-05

Uitspraak d.d.: 28 februari 2007

Tegenspraak / dnip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te Rotterdam op [1974],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 augustus 2005 tot en met 30 augustus 2005 in de gemeente(n) Apeldoorn en/of Arnhem en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffers] te dwingen tot de afgifte van Euro

13.500,-- en/of Euro 20.000,--, althans een een (fors) geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s)

-aan die [slachtoffers] medegedeeld dat verdachte en/of zijn mededader(s) Euro 13.500,-- moesten hebben voor gemaakte (hotel)kosten en dat het anders helemaal verkeerd zou aflopen en/of

-aan die [slachtoffers] medegedeeld dat er voor 17.00 uur (op 29 augustus 2005) geld moest komen, anders zou de stemming anders worden en/of

-aan die [slachtoffers] medegedeeld dat het geldbedrag (van Euro 13.500,--) inmiddels was verhoogd tot Euro 20.000,-- en/of

-aan die [slachtoffer 1] gevraagd of het geld geregeld was en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffers] gezegd "ik moord jouw hele gezin uit en je familie en alle andere familieleden" en/of

-tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezegd dat hij hun hele familie zou vinden en dat hij hen in brand zou steken en/of

-tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezegd "Ik wil geld, als ik geen geld krijg (terwijl hij op een aansteker wees), steek jij met deze aansteker je kinderen aan, één voor één en daarbij moet je kijken en daarna doe ik bij jullie hetzelfde" en/of

-tegen die ruins en/of [slachtoffer 2] gezegd "woensdag 17.00 uur en anders maken we jou en je gezin af en je hele familie" en/of

-tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezegt "er zijn genoeg bossen om Apeldoorn en/of

-verdachte en/of zijn mededader(s) behoorlijk tekeer gegaan tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], want terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) genoemde

dreigementen uitte(n) wa(s)ren verdachte en/of zijn mededader(s) aan het vloeken en/of aan het tieren en/of gooide(n) verdachte en/of zijn mededaders met de deuren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 augustus 2006 tot en met

30 augustus 2005 in de gemeente(n) Apeldoorn en/of Arnhem en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffers] heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :

-dat verdachte en/of zijn mededader(s) Euro 13.500,-- moesten hebben voor gemaakte (hotel)kosten en dat het anders helemaal verkeerd zou aflopen en/of

-dat er voor 17.00 uur (op 29 augustus 2005) geld moest komen, anders zou de stemming anders worden en/of

-"ik moord jouw hele gezin uit en je familie en alle andere familieleden" en/of

-tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezegd dat hij hun hele familie zou vinden en dat hij hen in brand zou steken en/of

-tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezegd "Ik wil geld, als ik geen geld krijg (terwijl hij op een aansteker wees), steek jij met deze aansteker je kinderen aan, één voor één en daarbij moet je kijken en daarna doe ik bij jullie hetzelfde" en/of

-woensdag 17.00 uur en anders maken we jou en je gezin af en je hele familie

, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 30 augustus 2005 in de gemeente Apeldoorn opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Nietigheid van de dagvaarding

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding wat betreft het onder 2 tenlastegelegde feit nietig moet worden verklaard, hoewel een daartoe strekkend verweer niet door of namens verdachte is gevoerd.

In het onder 2 ten laste gelegde feit is niet opgenomen waaruit het handelen van verdachte heeft bestaan. De officier van justitie heeft tijdens de voordracht van dit feit dat handelen als "slaan" benoemd, maar de verdachte heeft verklaard (voetnoot 1) dat hij het slachtoffer heeft geraakt terwijl hij zich afweerde. Hij weet niet hoe en waar hij [slachtoffer 1] zou hebben geraakt.

Aldus is de tenlastelegging te weinig specifiek in de beschrijving van het feitelijk gebeuren. De dagvaarding voldoet ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en zal daarom voor wat betreft dat deel nietig worden verklaard.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde.

2. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden. Hoewel er voldoende wettig bewijs aanwezig is, ontbreekt bij hem de overtuiging dat zijn cliënt bedreigingen heeft geuit in de richting van aangever [slachtoffer 1] en zijn gezinsleden.

3. [slachtoffer 1] heeft op aangifte op 31 augustus 2005 aangifte (voetnoot 2) gedaan tegen verdachte. Hij heeft verklaard dat hij en zijn gezinsleden in verband met persoonsbeveiliging zijn overgebracht naar een hotel, in eerste instantie in Arnhem en vanaf 28 augustus 2005 in Rotterdam. Op 29 augustus 2005 kwam verdachte met de mededeling dat er € 13.500,-- betaald moest worden. Later die dag is hem gezegd dat, indien het bedrag niet voor 17.00 uur die dag zou worden betaald, het bedrag zou worden verhoogd tot € 20.000,--. Verdachte heeft hem dreigend gezegd:

- dat hij voor 17.00 uur € 13.500,-- wilde hebben in contanten voor hotelkosten;

- dat hij het geld moest hebben voor 17.00 uur en zo niet dan zou de stemming anders worden;

- dat het bedrag inmiddels € 20.000,-- was geworden;

- dat hij hun hele familie zou vinden;

- tegen [slachtoffer 2]: Met deze aansteker steek jij je kinderen aan, één voor één en daarbij moet je kijken en daarna doe ik bij jullie hetzelfde;

4. [slachtoffer 2] heeft verklaard (voetnoot 3) dat de verdachte in de hotelkamer te Rotterdam op 29 augustus 2005 tegen haar en [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze voor 17.00 uur een bedrag van € 13.500,-- moesten betalen, dat ze anders niet meer zo lief zouden zijn, dat het bedrag op een gegeven moment is verhoogd tot € 20.000,-- en dat verdachte op een gegeven moment - waarbij de in de kinderen aanwezig waren - een aansteker heeft aangereikt en tegen haar heeft gezegd: "Ik wil geld, als ik geen geld krijg steek jij met deze aansteker je kinderen aan, één voor één en daarbij moet je kijken en daarna doe ik bij jullie hetzelfde". [slachtoffer 2] is doodsbang geweest dat hen iets aangedaan zou worden.

5. [medeverdachte] heeft verklaard (voetnoot 4) dat hij er bij is geweest toen [verdachte] [slachtoffer 1] mondeling bedreigde. Hij vond hem zeer kwaad en bedreigend naar [slachtoffer 1] toe. [verdachte] heeft een aantal malen gevraagd of [slachtoffer 1] kon betalen en heeft hem op een gegeven moment een deadline gesteld. [slachtoffer 2] heeft gevraagd wat er zou gebeuren als die deadline niet gehaald zou worden en [medeverdachte] heeft gezien dat [slachtoffer 2] die maandag een aantal keren heeft gehuild. Ook heeft [medeverdachte] flarden van een gesprek opgevangen en heeft hij onder andere gehoord, "kinderen, opensnijden, overgieten met benzine".

6. De getuige [naam getuige] heeft verklaard (voetnoot 5) dat hij met [verdachte] en [slachtoffer 1] naar een bank is gegaan. Hij heeft begrepen dat er geen bankgaranties gegeven konden worden en zag aan de gelaatsuitdrukking van [verdachte] dat hij boos was. Toen ze weer terug waren in het hotel wilde [verdachte] met [slachtoffer 1] (rechtbank: [slachtoffer 1]) spreken. Even later kwam [slachtoffer 2] (rechtbank: [slachtoffer 2]) bij hem. Ze was emotioneel en moest huilen. Ze zei dat [verdachte] en [medeverdachte] behoorlijk tekeer gingen tegen [slachtoffer 1]. Even later kwam [slachtoffer 1]. Hij was emotioneel, tegen huilen aan en zei dat hij bang was dat ze [slachtoffer 2] en hem iets zouden aandoen. In het gesprek was gezegd dat er voor 17.00 uur geld moest zijn omdat hen anders iets aangedaan zouden worden. [naam getuige] vond het voor zichzelf ook geen veilige situatie meer.

7. De rechtbank volgt niet de visie van de officier van justitie dat er sprake zou zijn van medeplegen. Zij is van oordeel dat er geen zodanige bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] is geweest dat sprake is van medeplegen van de aan verdachte ten laste gelegde strafbare feiten.

De situatie waarin [medeverdachte] kwam te verkeren overkwam hem en op de momenten

waarop hij bij verdachte gedrag bespeurde waar enige dreiging van uitging, heeft

[medeverdachte] verdachte daarop aangesproken en zich van dat gedrag gedistantieerd.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 29 augustus 2005 tot en met 30 augustus 2005 in de gemeente Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van Euro 13.500,-- of Euro 20.000,--, toebehorende aan die [slachtoffer 1], immers heeft verdachte

-aan die [slachtoffers] medegedeeld dat verdachte Euro 13.500,-- moest hebben voor gemaakte (hotel)kosten en dat het anders helemaal verkeerd zou aflopen en

-aan die [slachtoffers] medegedeeld dat er voor 17.00 uur op 29 augustus 2005 geld moest komen, anders zou de stemming anders worden en

-aan die [slachtoffers] medegedeeld dat het geldbedrag van Euro 13.500,-- inmiddels was verhoogd tot Euro 20.000,-- en

-tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij hun hele familie zou vinden en

-tegen die [slachtoffer 2] gezegd "Ik wil geld, als ik geen geld krijg (terwijl hij op een aansteker wees), steek jij met deze aansteker je kinderen aan, één voor één en daarbij moet je kijken en daarna doe ik bij jullie hetzelfde",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Poging tot afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel.

1. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van inverzekeringstelling, gevorderd.

De officier van justitie heeft zijn eis gebaseerd op bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. In zijn visie kan het onder 1 ten laste gelegde medeplegen bewezen worden verklaard.

De officier van justitie heeft enerzijds de ernst van de feiten en de gevolgen die de bedreigingen voor de slachtoffers en hun kinderen heeft gehad benadrukt. Verdachte had een beveiligingsbedrijf, zodat van hem professioneel optreden verwacht mocht worden, ook toen bleek dat de beveiligingskosten waarschijnlijk niet door [slachtoffer 1] konden worden voldaan. Anderzijds rekening heeft de officier van justitie gehouden met het blanco strafblad van verdachte.

2. De raadsman heeft gelet op het door hem ingenomen standpunt, namelijk dat er algehele vrijspraak dient te volgen, geen strafmaatverweer gevoerd.

3. Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan

en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting naar voren is

gekomen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat

verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf waarbij er sprake is geweest van

bedreiging met zeer ernstig geweld. Verdachte was op dat moment eigenaar van een

beveiligingsbedrijf en twijfelde aan de kredietwaardigheid van het latere slachtoffer

[slachtoffer 1]. Terwijl van hem mocht verwacht worden dat hij professioneel zou optreden,

heeft hij onder het uiten van zeer ernstige bedreigingen getracht een substantieel, niet

tevoren overeengekomen bedrag te innen. De slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben

gedurende een lange tijd gevreesd dat hen en hun kinderen iets vreselijks zou worden

aangedaan.

Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat het bewezenverklaarde een oud

- want meer dan 17 maanden geleden gepleegd - feit betreft en dat verdachte een

blanco strafblad heeft, terwijl hij langdurig in de beveiligingsbranche actief is geweest. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat het gebeurde ingrijpende financiële gevolgen voor de verdachte heeft gehad. Hij heeft zijn vergunning verloren, zijn beveiligingsbedrijf is daardoor opgehouden te bestaan en hij heeft dientengevolge nog aanzienlijke schulden.

De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is

gevorderd, aangezien de rechtbank komt tot een geringere bewezen verklaring en omdat

de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig zal worden verklaard.

Alles overwegende acht de rechtbank dat de oplegging van een werkstraf op zijn plaats

is.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 9.224,16 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde tandartskosten

ad € 1.228,90 en een voorschot op geleden immateriële schade van een bedrag van € 750,--. Het overige deel dient niet ontvankelijk te worden verklaard, aanzien dit deel van de vordering niet eenvoudig van aard is.

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, daarbij stellende dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu het deel van de tenlastelegging onder 2 nietig zal worden verklaard en voor het overige zij van oordeel is dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart de dagvaarding nietig wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 160 (honderdzestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen.

Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mrs. Elders, voorzitter, Krijger en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

28 februari 2007.

Voetnoten:

1. Zie proces-verbaal van de terechtzitting van 14 februari 2007 (verklaring verdachte).

2. Zie hiervoor het als bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0620/05-208139, gesloten en ondertekend op 1 november 2005 door Hamming, hoofdagent van politie Team Recherche, District Apeldoorn, gevoegde proces-verbaal, genummerd PL0620/05-347069, opgemaakt op 31 augustus 2005 door Hamming voornoemd en Meuleman, hoofdagent van politie Team Recherche, District Apeldoorn, van aangifte door [slachtoffer 1].

3. Zie het als bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal vermeld onder voetnoot 2, gevoegde proces-verbaal (ambtelijk verslag), genummerd PL0620/05-347069, gesloten en ondertekend op 15 september 2005 door Hamming en Meuleman voornoemd en het proces-verbaal van verhoor van getuige(n) van 28 november 2006, afgelegd tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken.

4. Zie de als bijlage van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, vermeld onder voetnoot 2, gevoegde proces-verbaal van verhoor, genummerd PL0620/05-347069, gesloten en ondertekend op 21 en 22 september 2005 door Hamming voornoemd en Scholte, hoofdagent van politie Team Apeldoorn Binnenstad en onder voetnoot 3 vermelde proces-verbaal van verhoor van getuige(n).

5. Zie de als bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, vermeld onder voetnoot 2, gevoegde proces-verbaal, genummerd PL0620/05-347069, gesloten en ondertekend op 10 september 2005 door Hamming voornoemd, van verhoor van [naam getuige].