Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ8936

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
06/460654-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisuitspraak: Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Na een telefoontje van zijn dochter, waarin zij vertelde dat slachtoffer haar zou hebben geduwd en geslagen, is verdachte in opgewonden toestand naar café gegaan. Aldaar heeft hij niets ontziend een glas in het gezicht van het slachtoffer gedrukt. Het slachtoffer heeft daardoor blijvend letsel opgelopen in zijn gezicht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460654-06

Uitspraak d.d.: 21 februari 2007

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1969 te [plaats],

wonende te [adres en plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

7 februari 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 december 2006 in de gemeente Apeldoorn aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere snijwonden in het gezicht/gelaat), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, (met kracht), met een bierglas, althans een breekbaar en/of scherp voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd te slaan, althans met kracht, een bierglas, althans een breekbaar en/of scherp voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd te drukken;

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 03 december 2006 in de gemeente Apeldoorn, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met kracht met een bierglas, althans een breekbaar en/of scherp voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen, althans met kracht, een bierglas, althans een breekbaar en/of scherp voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft gedrukt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (meerdere snijwonden in het gezicht/gelaat), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 3 december 2006 in de gemeente Apeldoorn opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met een glas, althans een breekbaar en/of scherp voorwerp, in het gezicht heeft geslagen, althans dat glas, althans dat voorwerp, tegen het gezicht heeft gedrukt waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

2. De advocaat van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte zich niet herinnert met een bierglas te hebben geslagen en voorts dat het niet duidelijk is of er bij het slachtoffer sprake is van blijvend letsel.

3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewijs aanwezig aangaande het primair ten laste gelegde.

4. Verdachte verklaart: 'Ik liep op [slachtoffer] af en gaf hem een enorme harde vuistslag op zijn gezicht. Ik raakte hem opzettelijk en met kracht vol op zijn gezicht.' (voetnoot 1) Aangever [slachtoffer] heeft verklaard: 'Op 3 december 2006 bevond ik mij in café [naam] te [plaats]. Ik zag dat er iemand langskwam. De deze man drukt mij gelijk een glas in mijn gezicht.(voetnoot 2).' De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige], die verklaart: 'Ik zag dat er plotseling een man op [slachtoffer] afliep en hem een glas in het gezicht drukte.(voetnoot 3)

5. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen de bij het dossier gevoegde verklaring van een arts, inhoudende dat er diverse snijwonden in het gelaat van het slachtoffer zijn geconstateerd(voetnoot 4), alsmede de bij het dossier gevoegde foto's van de verwondingen(voetnoot 5).

6. De rechtbank is van oordeel dat het toegebrachte letsel, met name de lengte, diepte, hoeveelheid en plaats van de snijwonden, als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, nu het een feit van algemene bekendheid is dat dergelijke (gehechte) verwondingen in het gelaat een blijvende ernstige ontsierende werking zullen hebben en in het maatschappelijk verkeer een belemmering kunnen vormen. Dat de littekens volledig en onzichtbaar zullen herstellen, zodat van zwaar lichamelijk letsel geen sprake zou zijn, is een aanname van de zijde van de verdediging die niet nader is onderbouwd.

7. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 december 2006 in de gemeente Apeldoorn aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, meerdere snijwonden in het gezicht, heeft toegebracht, door deze opzettelijk, met kracht, met een bierglas in het gezicht te drukken.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf: zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer [slachtoffer]. Na een telefoontje van zijn dochter, waarin zij vertelde dat slachtoffer haar zou hebben geduwd en geslagen, is verdachte in opgewonden toestand naar café [naam] gegaan. Aldaar heeft hij niets ontziend een glas in het gezicht van het slachtoffer gedrukt. Het slachtoffer heeft daardoor blijvend letsel opgelopen in zijn gezicht. Verdachte heeft door aldus te handelen de openbare veiligheid geschaad, hetgeen tot gevoelens van onrust leidt in de samenleving.

2. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 227 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een leerstraf (training agressiebeheersing) voor de duur van 26 uren subsidiair 13 dagen hechtenis.

3. De verdediging heeft bepleit de geëiste werkstraf voor de helft voorwaardelijk op te leggen.

4. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dit is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

5. Zware mishandeling is een ernstig feit, waarop in beginsel moet worden gereageerd met oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft echter in aanmerking genomen dat verdachte de laatste 12 jaren niet met justitie in aanraking is geweest en in het geheel geen geweldsdocumentatie heeft. Verdachte heeft ter zitting verklaard veel spijt te hebben van zijn handelen en dat hij tot het inzicht is gekomen dat hij geen eigen rechter had mogen spelen. Tevens heeft hij aangegeven, als het slachtoffer dit zou willen, mee te willen werken aan een gesprek met het slachtoffer. Tenslotte heeft verdachte verklaard mee te willen werken, en daartoe ook de noodzaak te zien, aan een training die hem inzicht geeft in het ontstaan van deze explosie van agressie en de wijze waarop een dergelijke situatie kan worden voorkomen en daarmee de kans op recidive te verkleinen. Verder heeft de rechtbank ermee rekening gehouden dat de voorlopige hechtenis die verdachte reeds heeft ondergaan in zijn privé-situatie, op het gebied van zijn werk en in de inkomenssfeer al ernstige gevolgen heeft gehad.

6. Dit alles brengt de rechtbank ertoe geen aanvullende onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank acht een lange aanvullende voorwaardelijke gevangenisstraf, een maximale taakstraf en daarnaast de leerstraf agressiebeheersing in deze zaak een passende sanctie en zal deze aldus opleggen.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van ? 2.239,07 gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft de toewijzing gevorderd van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van ? 2.239,07 alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor eenzelfde bedrag, subsidiair 44 dagen hechtenis.

De verdediging heeft matiging van het toe te wijzen bedrag aan de benadeelde partij bepleit. Het immateriële deel is voor ? 250,= toewijsbaar. Van het materieel gevorderde dienen de kosten voor nieuwe oorbellen, zijn de ? 350,=, te worden uitgesloten, aangezien er tussen die kosten en het delict geen causaal verband bestaat.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding ter hoogte van ? 1.500,= overweegt de rechtbank dat zij deze, gelet op de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan billijk acht. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de gemiste oorbellen ad ? 350,=, niet kan worden toegewezen wegens het ontbreken van bewijs van causaal verband met het bewezenverklaarde feit.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot een bedrag van ? 1.889,07 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De benadeelde partij zal voor het overige (zijnde 'vervanging oorbellen dochter' ad ? 350,=) niet-ontvankelijk worden verklaard, nu het overige geen betrekking heeft op een bewezen verklaard feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wetsartikelen

De oplegging van straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 227 dagen.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot de navolgende taakstraffen, te weten:

- een werkstraf gedurende 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

- een leerstraf, zijnde een training agressiebeheersing, gedurende 26 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 13 dagen.

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende aan de

[adres en plaats], (rekeningnummer [nummer]), van een bedrag van Euro 1.889,07, vermeerderd met betaling van kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van Euro 1.889,07, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 37 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

De rechtbank verstaat daarbij dat, indien en voor zover veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee zijn verplichting jegens de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voorzover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat van het betreffende bedrag komt te vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, Elders en Hemrica, rechters, in tegenwoordigheid van Wiering, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting

van 21 februari 2007.

Voetnoot:

1 Proces-verbaal van verhoor d.d. 03-12-06, pag. 59.

2 Proces-verbaal van aangiftte d.d. 03-12-06, pag. 21.

3 Proces-verbaal van verhoor d.d. 505-12-06, pag. 36.

4 Medische informatie d.d. 05-12-06, pag. 25.

5 Foto's pag. 26 en 27.