Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ8153

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
09-02-2007
Zaaknummer
06/552073-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval met dodelijke afloop. De rechtbank overweegt dat het hier gaat om een verkeersdeelnemer waarvan meer mag en ook moet worden verwacht waar het gaat om het zich ervan vergewissen dat zich verkeer in de dode hoek van het voertuig kan bevinden. Dat heeft in het bijzonder te gelden in gevallen als de onderhavige, waarbij verdachte naar links heeft moeten sturen om vervolgens een haakse bocht naar rechts te nemen, te weten de inrit naar het fabriekscomplex waar hij moest zijn. Een dergelijke beweging brengt immers met zich dat het zicht op het parallel lopende fietspad enige tijd wegvalt. Uit het proces-verbaal verkeersongevalanalyse blijkt dat verdachte de bocht met een onverminderde snelheid van circa 30 km/u heeft genomen. Daarbij heeft hij de snorfietser geen voorrang verleend. Betreffende het nemen van de bocht heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij onvoldoende zicht had op het rechts van hem gelegen fietspad, aangezien zijn zicht werd belemmerd door enkele bomen. Die combinatie van factoren (een haakse bocht en onvoldoende zicht) had de verdachte ervan moeten weerhouden om de bocht te nemen op de wijze zoals hij heeft gedaan. In plaats daarvan had hij zich ervan moeten verzekeren dat hij een volledig, althans voldoende, gezichtveld had, of -in het uiterste geval- zijn voertuig tot stilstand moeten brengen alvorens af te slaan. Nu verdachte evenwel met onverminderde snelheid is doorgereden, terwijl hij voor het verantwoord uitvoeren van een dergelijke manoeuvre niet beschikte over het benodigde zicht op het fietspad, moet zijn verkeersgedrag naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig. Volgt veroordeling voor overtreding van artikel 6 WVW1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 130
Module Verkeer 2007/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/552073-06

Uitspraak d.d.: 9 februari 2007

TEGENSPRAAK / dnip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [geboortedatum],

zonder bekende vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,

wonende te [postcode, land], [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 juli 2006 in de gemeente Epe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorvoertuig, zijnde een vrachtauto met oplegger, daarmede rijdende over de weg, de Vaassenseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, bij het afslaan naar rechts, zich er niet van vergewist dat een, gelet op zijn, verdachtes, rijrichting, rechtsgelegen fietspad -dat door middel van een grasberm was gescheiden van de rijbaan waar hij, verdachte, zich op bevond-

vrij was van verkeer en/of (daarbij), is hij, verdachte, voornoemd fietspad (gedeeltelijk) op gereden zonder voorrang te verlenen aan de bestuurder van een bromfiets, zijnde de heer [slachtoffer], die zich op voornoemd fietspad bevond en die op dezelfde weg rechtdoor ging,

waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het voertuig van hem, verdachte, en het voertuig van voornoemde [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] werd gedood, althans zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen (een schedelbasisfractuur en/of een ingedrukte borstkas en/of meerdere, althans één ribfractu(u)r(en) en/of een onderbeenfractuur);

art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 18 juli 2006 in de gemeente Epe, als bestuurder van een voertuig (vrachtauto met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de Vaassenseweg, waarbij hij, verdachte, bij het afslaan naar rechts, zich er niet van heeft vergewist dat een, gelet

op zijn, verdachtes, rijrichting, rechts gelegen fietspad -dat door middel van een grasberm was gescheiden van de rijbaan waar hij, verdachte, zich op bevond- vrij was van verkeer en/of voornoemd fietspad (gedeeltelijk) is opgereden zonder voorrang te verlenen aan de bestuurder van een bromfiets, zijnde de heer [slachtoffer], die zich op voornoemd fietspad bevond en die op dezelfde weg rechtdoor ging, waarbij een botsing en/of een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het voertuig van hem, verdachte, en het voertuig van voornoemde [slachtoffer], door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 juli 2006 in de gemeente Epe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorvoertuig, zijnde een vrachtauto met oplegger, daarmede rijdende over de weg, de Vaassenseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, bij het afslaan naar rechts, zich er niet van vergewist dat een, gelet op zijn, verdachtes, rijrichting, rechtsgelegen fietspad -dat door middel van een grasberm was gescheiden van de rijbaan waar hij, verdachte, zich op bevond-

vrij was van verkeer en daarbij, is hij, verdachte, voornoemd fietspad (gedeeltelijk) op gereden zonder voorrang te verlenen aan de bestuurder van een bromfiets, zijnde de heer [slachtoffer], die zich op voornoemd fietspad bevond en die op dezelfde weg rechtdoor ging,

waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het voertuig van hem, verdachte, en het voertuig van voornoemde [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] werd gedood;

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat het onder primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, aangezien het ontstaan van het ongeval niet zozeer het gevolg was van aanmerkelijke schuld aan de zijde van verdachte, maar van een ongelukkige samenloop van omstandigheden die als zodanig bijzonder moet worden beschouwd, dat van verdachte in redelijkheid geen ander rijgedrag kon worden verwacht dan hij heeft getoond. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte een uitgebreide ervaring heeft als vrachtwagenchauffeur. Uit het proces-verbaal verkeersongevalanalyse blijkt dat verdachte een rotonde heeft genomen en vervolgens zijn weg heeft vervolgd met een snelheid van ca. 30 km/u. Na circa vijftig meter naderde hij de inrit naar een fabriekcomplex en is toen rechtsaf geslagen. Bij die manoeuvre heeft hij een snorfietser geschept, die op hetzelfde moment op het parallel aan de rijbaan lopende fietspad reed. Als gevolg van deze aanrijding is de snorfietser overleden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de snorfietser op geen moment na het nemen van de rotonde heeft gezien, ondanks dat hij wel gekeken heeft. Naar het oordeel van de raadsman ligt met name hierin besloten dat van verdachte niet meer kon worden gevergd dan hij heeft gedaan. De rechtbank kan zich in die analyse evenwel niet vinden. Van belang is dat het hier gaat om een verkeersdeelnemer waarvan meer mag en ook moet worden verwacht waar het gaat om het zich ervan vergewissen dat zich verkeer in de dode hoek van het voertuig kan bevinden. Dat heeft in het bijzonder te gelden in gevallen als de onderhavige, waarbij verdachte naar links heeft moeten sturen om vervolgens een haakse bocht naar rechts te nemen, te weten de inrit naar het fabriekscomplex waar hij moest zijn. Een dergelijke beweging brengt immers met zich dat het zicht op het parallel lopende fietspad enige tijd wegvalt. Uit het proces-verbaal verkeersongevalanalyse blijkt dat verdachte de bocht met een onverminderde snelheid van circa 30 km/u heeft genomen. Daarbij heeft hij de snorfietser geen voorrang verleend.

Betreffende het nemen van de bocht heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij onvoldoende zicht had op het rechts van hem gelegen fietspad, aangezien zijn zicht werd belemmerd door enkele bomen. Die combinatie van factoren (een haakse bocht en onvoldoende zicht) had de verdachte ervan moeten weerhouden om de bocht te nemen op de wijze zoals hij heeft gedaan. In plaats daarvan had hij zich ervan moeten verzekeren dat hij een volledig, althans voldoende, gezichtveld had, of -in het uiterste geval- zijn voertuig tot stilstand moeten brengen alvorens af te slaan.

Nu verdachte evenwel met onverminderde snelheid is doorgereden, terwijl hij voor het verantwoord uitvoeren van een dergelijke manoeuvre niet beschikte over het benodigde zicht op het fietspad, moet zijn verkeersgedrag naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat als gevolg van verdachtes handelen een ander, te weten [slachtoffer], het leven heeft gelaten. Hoewel de rechtbank in de richting van verdachte aantekent dat hem niet wordt verweten dat hij [slachtoffer] met opzet heeft gedood, staat op grond van de bewijsmiddelen wel vast dat hij schuld had aan een ongeval, als gevolg waarvan uiteindelijk een ander kwam te overlijden. Dat verdachte onder die wetenschap gebukt gaat, is de rechtbank gedurende het onderzoek ter terechtzitting wel gebleken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank straf passend en geboden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit tot straf is veroordeeld, terwijl zijn staat van dienst als vrachtwagenchauffeur tot op heden vlekkeloos is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.000,-- (éénduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Buijs, voorzitter, Kuiken en Eijkelestam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Kuipers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 februari 2007.