Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ8124

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
09-02-2007
Zaaknummer
06/460531-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisuitspraak: TBS met dwabgverpleging in verband met poging doodslag en bedreiging te Zutphen op 23 september 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460531-06

Uitspraak d.d.: 7 februari 2007

tegenspraak/ dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres en woonplaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2007.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 september 2006 in de gemeente Zutphen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het

leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in en/of tegen de borst en/of

het hoofd heeft gestoken/geprikt en/of gesneden, althans stekende/prikkende

en/of snijdende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 23 september 2006 in de gemeente Zutphen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp in en/of tegen de borst en/of het hoofd heeft gestoken/geprikt

en/of gesneden, althans stekende/prikkende en/of snijdende bewegingen heeft

gemaakt in de richting van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 september 2006 in de gemeente Zutphen met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee messen, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 23 september 2006 in de gemeente Zutphen [slachtoffer] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de

woorden toegevoegd:

"Elke dag kom ik langs en sla je in elkaar, steek je neer en schiet ik je neer

totdat ik het geld heb",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Vrijspraak

De officier van justitie heeft het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen geacht. Door de raadsman is ten aanzien van dit feit betoogd, dat verdachte dient te worden vrijgesproken aangezien het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Voor de bewezenverklaring van diefstal is noodzakelijk dat vast staat dat verdachte al op het moment van het wegnemen van de messen het oogmerk had om zich de messen toe te eigenen. Verdachte heeft echter verklaard dat hij de messen had meegenomen, omdat hij bang was dat [slachtoffer] hem anders daarmee achterna zou komen (voetnoot 1). De rechtbank hecht geloof aan deze verklaring, omdat deze past in de andere verklaringen van verdachte. Uit deze verklaringen blijkt immers dat verdachte geld terug wilde krijgen van [slachtoffer] en hij daarom naar [slachtoffer] was toegegaan. Nergens blijkt dat het verdachte erom te doen was de eigendom van de messen te verkrijgen. Tegen deze achtergrond maakt het feit dat verdachte de messen vervolgens op zijn kamer heeft bewaard, dit niet anders.

De verdachte behoort van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Overwegingen inzake het bewijs

1. Door de officier van justitie is geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde.

2. De raadsman van verdachte heeft bepleit dat er ten aanzien van dit feit geen veroordeling kan volgen, aangezien verdachte geen opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte heeft enkel [slachtoffer] onder druk willen zetten om hem tot betaling van een aan hem bestaande schuld aan te zetten. Naar het oordeel van de raadsman is er evenmin sprake van voorwaardelijk opzet. Verdachte was weliswaar erg verontwaardigd en heeft allerlei dreigementen geuit, maar evident is dat hij die dreigementen heeft geuit omdat hij in paniek was vanwege het feit dat hij zijn geld niet kreeg van [slachtoffer], aldus de raadsman.

3. De rechtbank verwerpt het beroep van de verdediging op het ontbreken van opzet bij verdachte. Uit de verklaring van verdachte van 11 oktober 2006 ((voetnoot 2) blijkt onder meer, voor zover thans van belang, het volgende:

Ik trof [slachtoffer] in de keuken aan op een matras. Ik vroeg hem waar mijn geld bleef. [slachtoffer] beweerde dat hij geen geld had. Ik werd boos. Op tafel daar lag een keukenmes van ongeveer tien centimeter. Ik wilde [slachtoffer] met dit mes neersteken. [slachtoffer] was ondertussen van zijn matras afgegaan. Ik heb tegen [slachtoffer] gezegd dat ik mijn geld nodig had en ik hem anders zou neersteken. Ik was dit ook echt van plan en ben dat nog steeds. Ik heb stekende bewegingen gemaakt in de richting van [slachtoffer].

Op 12 oktober 2006 verklaart verdachte (voetnoot 3) onder meer:

Ik heb tegen hem gezegd, geef mij mijn geld anders steek ik je neer. Ik wilde dit ook echt doen op dat moment, [slachtoffer] heeft geluk gehad.

Ter terechtzitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat hij niet de bedoeling had om [slachtoffer] dood te maken, maar de rechtbank hecht wat dat betreft meer waarde aan de kort na het voorval door verdachte afgelegde, herhaalde, verklaringen.

4. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend de feitelijke handelingen, namelijk het met een (ter plekke aanwezig) mes insteken op [slachtoffer], te hebben begaan.

In het dossier is ten aanzien van dit feit voorts aanwezig de aangifte van [slachtoffer] (voetnoot 4) en de deels ondersteunende verklaring van [getuige] (voetnoot 5).

De rechtbank acht op basis daarvan het onder 1 primair tenlastegelegde feit, de poging tot doodslag op [slachtoffer], wettig en overtuigend bewezen in de zin als hierna in de bewezenverklaring is verwoord.

5. De officier van justitie heeft het onder 3 aan verdachte tenlastegelegde bewezen geacht. De raadsman heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6. De rechtbank acht het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de bekennende verklaring van verdachte (voetnoot 6) bij de politie en de verklaring van [slachtoffer] (voetnoot 7).

7. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de verschillende verklaringen blijkt dat verdachte en [slachtoffer] in een Surinaams dialect met elkaar hebben gesproken. In de dagvaarding is de weerslag van het gesprokene in de Nederlandse taal opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat met de althans-variant van "woorden van gelijke dreigende aard of strekking" voldoende ruimte voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 23 september 2006 in de gemeente Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de borst en het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 23 september 2006 in de gemeente Zutphen [slachtoffer] heeft bedreigd met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd:

"Elke dag kom ik langs en sla je in elkaar, steek je neer en schiet ik je neer totdat ik het geld heb", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. poging tot doodslag;

3. bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport uitgebracht, bestaande uit een rapport van de psycholoog drs. J. Hofstra, gedateerd 17 januari 2007, en een rapport van de klinisch psycholoog drs. J.F.M.M.van Nunen, gedateerd 16 januari 2007.

De officier van justitie en de raadsman van verdachte hebben de conclusie van de rapporteurs inzake de mate van toerekeningsvatbaarheid onderschreven.

Met de eensluidende conclusie van de gedragsdeskundigen, te weten dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest en oplegging van de TBS met dwangverpleging. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de feiten - uitgaande van een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde

feiten -, het strafblad van verdachte en de bevindingen en conclusie van de gedragsdeskundigen.

2. Door de verdediging is bepleit dat aan verdachte geen, althans een in duur beperkte gevangenisstraf zal worden opgelegd, aangezien een gevangenisstraf zal leiden tot een verslechtering van verdachtes geestestoestand en contraproductief zal zijn voor het welslagen van een behandeling.

De raadsman heeft verder betoogd dat de rechtbank niet moet overgaan tot een TBS met dwangverpleging, omdat het gevaar voor herhaling niet dermate ernstig en reëel is dat het het opleggen van een dergelijk zware maatregel rechtvaardigt. Voor het geval de rechtbank toch een dergelijke maatregel oplegt, verzoekt de raadsman om in het vonnis op te nemen het tijdstip waarop met de TBS met dwangverpleging dient te worden aangevangen.

3. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

4. Met betrekking tot de aard en de ernst van de feiten wordt het volgende overwogen.

Verdachte is op 23 september 2006 naar de woning van [slachtoffer] gegaan, omdat hij geld van [slachtoffer] tegoed had (nadat beiden eerder samen cocaïne hadden gekocht, maar de kosten daarvan niet hadden gedeeld). Verdachte is, toen [slachtoffer] hem te kennen had gegeven het geld niet te hebben, erg boos geworden. Verdachte was bang dat hij daarom zijn huur niet zou kunnen betalen en het huis uitgezet zou worden door de woningbouwvereniging. Verdachte heeft vervolgens in woede met een aldaar voorhanden liggend mes op [slachtoffer] ingestoken. Daarna heeft hij de woning verlaten met medeneming van twee messen en vervolgens is hij kort daarop weer naar [slachtoffer] gegaan en hem met soortgelijke acties bedreigd. Verdachte kan zich gelukkig prijzen dat het gevolg van het met een mes op zijn slachtoffer insteken beperkt is gebleven en dat hij zijn slachtoffer geen dodelijke verwonding heeft toegebracht.

Verdachte heeft zijn slachtoffer in de beslotenheid van zijn eigen woning grote schrik en angst aangejaagd.

5. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in de loop van de jaren steeds weer met justitie in aanraking is gekomen, merendeels voor agressie danwel geweldsgerelateerde delicten.

Uit het zich eveneens in het dossier bevindende rapport adviesrapport van de FPD van 26 oktober 2006, blijkt dat verdachte tegenover de psychiater Verhoef (in samenhang met zijn verklaring dat hij voorafgaande aan het tenlastegelegde die dag geen alcohol of drugs had gebruikt en dat het verder goed met hem was gegaan tot het moment dat hij op 11 oktober 2006 buiten heterdaad werd aangehouden) heeft aangegeven dagelijks wiet te gebruiken (ongeveer 3 joints per dag en in het weekend 5 à 6 joints per dag).

Uit de diverse rapporten blijkt dat juist dit softdrugsgebruik een versterkende uitwerking kan hebben op verdachtes agressiehuishouding.

6. Uit de over verdachte uitgebrachte multidisciplinaire rapportage kan het volgende worden afgeleid.

Verdachte is een 37-jarige Creoolse man die op ongeveer 20 jarige leeftijd naar nederland is gekomen. Hij voelt zich in Nederland niet thuis. Omtrent zijn vroegkinderlijke periode is niets bekend. Aangenomen mag worden dat hij affectief en pedagogisch tekort is gekomen.

Zijn verblijf in Nederland kenmerkt zich door contacten met verschillende hulpverleningsinstellingen. Vanaf 1991 tot 1992 en van 1997 tot 2006 is hij opgenomen geweest in het kader van de BOPZ en in het kader van een TBS met voorwaarden. De hulpverlening sprak doorgaans van een schizofreen proces en van een gemengde persoonlijkheidsstoornis, terwijl telkens weer werd gewezen op verdachtes softdrugsgebruik.

Gesteld kan worden dat verdachte een zeer ernstig gestoorde man is met een zwakke ik-structuur die snel tot desintegratie neigt, hetgeen nog eens wordt bevorderd bij softdrugsgebruik.

Zonder structuur is hij niet in staat zich staande te houden Zijn agressieve impulsen kan hij niet adequaat hanteren en hij gebruikt softdrugs om zich prettiger te voelen.

Zijn persoonstructuur wordt gekenmerkt door achterdocht en buitengewone sociale angst en hij heeft een gering en instabiel zelfgevoel.

Ondanks het feit dat bij verdachte momenteel geen sterke symptomen van een schizofrene stoornis aanwezig zijn door gebruik van antipsychotica, kan op grond van datgene wat uit de ziektegeschiedenis van verdachte bekend is en de eigen bevindingen (van de rapporteurs) geconcludeerd worden dat bij verdachte sprake is van een paranoïde schizofrene stoornis, die onder stress kan decompenseren met heftige wijzen van agressieontlading, en van een gemengde persoonlijkheidsstoornis.

Er is kans op recidive, aangezien bij herhaling reeds is gebleken dat verdachte onder stress agressief explosief gedrag kan vertonen en hij gevaarlijk kan zijn.

Geadviseerd wordt de maatregel van TBS met dwangverpleging in overweging te

nemen.

7. Alles afwegende, ook gelet op het feit dat de bewezen verklaarde feiten, zij het in sterk verminderde mate, aan verdachte kunnen worden toegerekend, is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tien maanden op zijn plaats is.

8. Gelet op voormelde multidisciplinaire rapportages zal de rechtbank voorts terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde, zijnde een misdrijf/misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, aan verdachte opleggen de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 37a en 37b, onder de leden 1, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

9. Gelet op de bovenvermelde multidisciplinaire rapportage is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten in aanmerkingnemend de algemene veiligheid van personen en de veiligheid van anderen het opleggen van na te noemen maatregel eist. De maatregel wordt voorts gegrond op de door hem begane misdrijven, welke behoren tot een der misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden van de artikelen 37a en 37b onder de leden 1 van het Wetboek van Strafrecht, zal de rechtbank de terbeschikkingstelling gelasten en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding om een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging dient aan te vangen. Een gevangenisstraf wordt door de deskundigen niet gecontraïndiceerd geacht, terwijl uit verdachtes verklaring ter zitting ook blijkt dat de structuur binnen het huis van bewaring houvast biedt. Van ernstige gedragproblemen is daar niet gebleken. De stelling van de raadsman dat in zijn algemeenheid in het geval van een verminderde toerekeningsvatbaarheid geldt dat een gevangenisstraf schadelijk kan zijn, is onvoldoende om een dergelijk advies in het vonnis op te nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door mrs. Van Breda, voorzitter, Borgerhoff Mulder en Hemrica, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 februari 2007.

Voetnoten:

1 Zie pagina 37 (verklaring verdachte).

2 Zie pagina 32/33 (verklaring verdachte) betreffende een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, gesloten en ondertekend op 11 oktober 2006 door [namen], respectievelijk hoofdagent en surveillant van politie Team Zutphen.

3 Zie pagina 35/37 (verklaring verdachte) betreffende een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, gesloten en ondertekend op 12 oktober 2006 door verbalisanten [namen] voornoemd.

4 Zie pagina 23/25 (verklaring [slachtoffer]) betreffende een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, gesloten en ondertekend op 2 oktober 2006 door [naam], brigadier van politie Team Zutphen.

5 Zie pagina 29 (verklaring [getuige]) betreffende een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, gesloten en ondertekend op 12 oktober 2006 door [naam], aspirant agent van politie Team Zutphen.

6 Zie pagina's 33 en 36 (verklaring verdachte) van de hiervoor onder voetnoot 1 en 2 aangeduide processen-verbaal.

7 Zie pagina 24 (verklaring [slachtoffer]) van het eerder onder voetnoot 3 aangeduide proces-verbaal van aangifte.