Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ5655

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
06/460229-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling van ambulancepersoneel, onder verwerping van het beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: raadsman

Uitspraak d.d.: 5 januari 2007

tegenspraak/ dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 december 2006.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 april 2006 te Doetinchem met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, [straat A] en/of [straat B], in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A]

en/of [slachtoffer B] en/of een ambulance (kenteken [kenteken]), welk geweld

bestond uit

- het insluiten van een/de ambulance, althans het verhinderen van de doorgang

van een/de ambulance en/of

- het meermalen, althans eenmaal (door het geopende portierraam) tegen/op het

gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer B] slaan en/of

stompen en/of

- het (krachtig) vastpakken van die [slachtoffer B] en/of (vervolgens) trekken

en/of duwen aan/tegen (de kleding van) die [slachtoffer B] en/of

- het (open)trekken van/aan de portieren van die ambulance en/of

- het (af)pakken van de contactsleutels van de ambulance uit het contactslot

en/of

- het meermalen, althans eenmaal tegen de ambulance slaan en/of schoppen

en/of trappen en/of

- het (dreigend) toevoegen van de woorden: "weg, weg aan de kant. Nou moet je

maken dat je dat ding achteruit zet. Weg met dat ding", althans woorden van

gelijke aard of strekking ;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 29 april 2006 te Doetinchem tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer B]

- meermalen, althans eenmaal (door het geopende portierraam) tegen/op het

gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer B] heeft gestompt

en/of heeft geslagen en/of

- (krachtig) die [slachtoffer B] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) aan/tegen (de

kleding van) die [slachtoffer B] heeft getrokken en/of geduwd,

waardoor voornoemde [slachtoffer B] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 29 april 2006 te Doetinchem met een ander op de openbare weg, [straat A] en [straat B], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en een ambulance (kenteken [kenteken]), welk geweld bestond uit

- het verhinderen van de doorgang van de ambulance en

- het meermalen door het geopende portierraam tegen het hoofd van die [slachtoffer B] slaan en stompen en

- het krachtig vastpakken van die [slachtoffer B] en trekken en duwen aan/tegen (de kleding van) die [slachtoffer B] en

- het opentrekken van de portier van die ambulance en

- het (af)pakken van de contactsleutels van de ambulance uit het contactslot en

- het meermalen tegen de ambulance slaan en schoppen.

Overweging inzake het bewijs

Ter toelichting op het bewezen verklaarde overweegt de rechtbank, naar aanleiding van de door en namens verdachte aangevoerde bewijsverweren, dat uit de bewijsmiddelen het volgende naar voren komt:

- dat de ambulancedienst in de nacht van 29 april 2006 om 4:00 uur opdracht kreeg om naar de [straat B] in Doetinchem te gaan, omdat bij [café] een vechtpartij had plaatsgevonden waarbij een slachtoffer was gevallen;

- dat het de bestuurder van de ambulance niet lukte om naar dit café te rijden omdat een joelende groep mensen, waaronder verdachte, een vrije doorgang belemmerde;

- dat verdachte het ambulancepersoneel lachend toeriep “Ik heb hulp nodig” althans woorden van gelijke strekking heeft gebruikt, terwijl het duidelijk was dat hem niets mankeerde;

- dat de bestuurder van de ambulance de groep vroeg aan de kant te gaan, zodat hij verder kon rijden, maar dat de groep daartoe niet bereid bleek;

- dat de bestuurder van de ambulance zijn voertuig heel langzaam naar voren liet lopen om de groep te bewegen opzij te gaan;

- dat er op de ambulance werd geslagen en mensen riepen dat er iemand met zijn voet klem zat onder het achterwiel van de ambulance;

- dat degene die met zijn voet klem kwam te zitten, de broer van verdachte, alle tijd had opzij te gaan, maar dat niet heeft gedaan;

- dat verdachte dan wel medeverdachte [medeverdachte P] de sleutels uit het contact van de ambulance heeft genomen, zodat het niet mogelijk was de ambulance te verplaatsen;

- dat verdachte blijkens verschillende getuigenverklaringen, waarbij een beschrijving is gegeven van de personen die bij het incident betrokken waren, samen met medeverdachte [medeverdachte P] fysiek geweld heeft gepleegd jegens de ambulancebestuurder, in de vorm van vuistslagen in het gezicht en trekken aan diens kleding.

Verdachte heeft zich beroepen op noodweer en heeft daarbij gewezen op het feit dat de voet van zijn broer onder een wiel van de ambulance bekneld was geraakt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Het ambulancepersoneel was doende naar [café] te rijden om daar spoedeisende hulp te verlenen aan een slachtoffer, terwijl de weg daar naartoe door uitgaanspubliek werd versperd. De bestuurder van de ambulance reed volgens getuigen zeer langzaam vooruit om het desbetreffende uitgaanspubliek – waaronder verdachte - gelegenheid te geven opzij te gaan. Er zijn voorts geen aanwijzingen dat de bestuurder wist dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij over de voet van de broer van verdachte reed respectievelijk zou rijden, te minder nu de broer van verdachte volgens een getuige alle tijd had om opzij te gaan. Tegen deze achtergrond kan, ook bezien vanuit verdachtes subjectieve standpunt, niet worden gesproken van een wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 lid 1 Wetboek van Strafrecht. Het beroep op noodweer faalt alleen al om die reden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf als na te melden op zijn plaats. Bedoelde taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting enerzijds in aanmerking genomen dat naar de ervaring leert, delicten als het onderhavige veelal de oorzaak zijn van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij het/de directe slachtoffer(s). Zij dragen bovendien bij aan in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid. Des te kwalijker vindt de rechtbank het dat het door verdachte en zijn mededader toegepaste geweld was gericht tegen hulpverleners, waarbij zij de hulpverleners belemmerden hun werk te doen. Voorts is niet gebleken dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag. Anderzijds heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft, hij een reprimande heeft gekregen van zijn werkgever en mogelijk zijn werk verliest. De rechtbank vindt het voorts wel invoelbaar dat verdachte verbaal (enigszins) agressief heeft gereageerd toen zijn broer met een voet klem kwam te zitten onder het achterwiel van de ambulance en er een paniekerige en chaotische situatie ontstond.

De rechtbank kan zich gezien het vorenoverwogene verenigen met de aan deze omstandigheden recht doende eis van de officier van justitie.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, Van Harreveld en Hödl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 januari 2007.