Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:BA7960

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
70809 / HA ZA 05-663
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid hypotheekadviseur. Bewijswaardering. Aan de verklaringen van de partijgetuigen komt geen bewijs in hun voordeel toe nu er onvoldoende sterk aanvullend bewijs voorhanden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 70809 / HA ZA 05-663

Vonnis in vrijwaring van 20 december 2006

in de zaak van

1. [eiser A]

wonende te [plaats],

2. [eiser B],

wonende te [plaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. A. Wiltink,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde].,

gevestigd te [plaats],

2. [gedaagde sub. 2],

wonende te [plaats],

3. [gedaagde sub. 3],

wonende te [plaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. D.J.M. Volkholz-Plaum te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 maart 2006

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 5 juli 2006

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 november 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. voornoemd vonnis is [eisers] toegelaten bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [gedaagden] voorafgaand aan het verstrijken van de termijn van het financieringsvoorbehoud (29 juli 2004), wist dat de aanvraag van [eisers] voor een hypotheek niet mede gebaseerd kon worden op het salaris van [eiser B] omdat [eiser B] per 1 augustus 2004 werkloos zou worden.

2.2. [eisers] heeft in verband met deze bewijsopdracht vier getuigen doen horen.

De heer [getuige A], vader van [eiser A], heeft onder meer verklaard:

“Er is tussen mijn zoon en [gedaagde sub. 2] telefonisch contact geweest waarin [gedaagde sub. 2] alles heeft uitgelegd. Van mijn zoon weet ik dat hij toen ook heeft gezegd tegen [gedaagde sub. 2] dat [eiser B] in augustus werkeloos zou worden. Na dat telefoongesprek is [gedaagde sub. 2] ook nog bij de kinderen thuis langs gekomen. Ook toen is gesproken over de werkeloosheid van [eiser B]. Ik weet dat omdat de kinderen mij dat hebben verteld. De precieze data van het telefoongesprek en het bezoek weet ik niet meer. Ze wilden eerder al een huis kopen en zijn toen bij de ABN langs geweest om te kijken hoeveel ze konden krijgen. Dat bleek € 100.000,-- te zijn. Er was toen nog geen sprake van werkeloosheid van [eiser B]. Voor € 100.000,-- koop je geen huis. Via Internet zijn ze toen bij [gedaagde] terechtgekomen. Daar vernamen ze dat ze ondanks de werkeloosheid toch een hypotheek konden krijgen. Ze stonden daar zelf ook van te kijken (....)

Volgens mij heeft het telefoongesprek met [gedaagde sub. 2] plaatsgevonden kort nadat [eiser B] de ontslagbrief van 22 juni 2004 had ontvangen. (....)”

[Getuige B], moeder van [eiser A], heeft onder meer verklaard:

“In het gesprek dat de kinderen hebben gehad met [gedaagde sub. 2] is de werkloosheid gemeld. Ik had gezegd dat ze dat moesten doen want ik ben voor eerlijkheid. (....) Ik was zelf niet bij die gesprekken aanwezig. Ik heb wel meegemaakt dat mijn zoon mobiel gesprekken voerde met [gedaagde sub. 2], maar daarbij heb ik niet gehoord dat er over de werkloosheid werd gesproken. Ik meen dat de bespreking bij de kinderen thuis eind juli/ begin augustus 2004 was, maar hang me er niet aan op want ik weet het niet zeker. (....)

De data weet ik niet meer precies. U houdt mij voor dat de koopakte op 9 juli is getekend: de bespreking zal dan wel eerder hebben plaatsgevonden.”

[eiser A] (partijgetuige) heeft verklaard:

“Nadat wij bij de bank zijn geweest begrepen wij dat we op basis van onze 2 lonen

€ 150.000,-- hypotheek konden krijgen. Vervolgens hebben wij de website van [gedaagde] gevonden en contact opgenomen met [gedaagde sub. 2]. Wij hebben hem eerst telefonisch gesproken en daarbij heb ik al direct gemeld dat [eiser B] werkeloos zou worden door een reorganisatie in haar bedrijf. Ik geloof dat dit gesprek in de maand mei was. [gedaagde sub. 2] zei toen: “Dan kom ik eerst bij u langs.” Er is toen een afspraak gemaakt en hij heeft tijdens het eerste bezoek aangegeven dat een hypotheek kon oplopen tot 2 ton. De reden was dat wij jonge mensen zijn en aan het begin van onze carrière staan. Ook ging [gedaagde sub. 2] er van uit dat [eiser B] snel weer werk zou vinden. We hebben het er niet echt uitgebreid over gehad, hij vloog er over heen en zei dat hij dat in orde zou maken. Tijdens dat eerste gesprek heeft [gedaagde sub. 2] mij een formulier gegeven voor mijn werkgever. Hij vroeg toen ook aan [eiser B] of haar baas ook niet wilde tekenen. [eiser B] zei toen: “Nee dat doe ik niet, want ik krijg ontslag”.

Er is ook een tweede gesprek met [gedaagde sub. 2] bij ons thuis geweest. Dat was om de offerte te tekenen. Ik weet niet meer wanneer dat was. De offerte bestond uit 3 velletjes. Als ik het goed heb, maar zeker weet ik dat niet meer, stond in die offerte 2 salarissen. Ik kan me niet herinneren dat daar toen nog iets over is gezegd. [gedaagde sub. 2] zei steeds: “Jullie hoeven nergens aan te denken, ik regel alles en het komt allemaal in orde.”

[eiser B] (partijgetuige) heeft onder meer verklaard:

“Ik heb [gedaagde sub. 2] gebeld met de mededeling dat ik ontslagen zou worden. Ik weet niet meer precies wanneer dat was. Via Internet had ik begrepen dat hij mensen kon helpen die problemen hebben met de financiering.

Tijdens de eerste afspraak bij ons thuis hebben we ongeveer een halfuur gepraat over of het wel zou lukken met een werkeloosheiduitkering. Ik wilde vooral weten hoe je zoiets aan de bank vertelt. Ook heb ik [gedaagde sub. 2] een hele stapel papieren van mijn werkgever laten zien waarop van alles stond over werkeloosheid. De datum van mijn werkeloosheid stond daar ook op. Tijdens dat gesprek heb ik hem nog een paar keer gezegd dat ik het echt belangrijk vond dat hij alles tegen de bank zou zeggen omdat ik niet wilde frauderen. Hij zou aan de bank vertellen: “[eiser B] gaat werkeloos worden.” Hij zou de hypotheek aanvragen op basis van het salaris van Jeroen en mijn uitkering. Hij heeft op zijn rekenmachine nog uitgerekend hoe hoog die uitkering zou zijn; dat was 70 % van het loon. Ik weet niet meer precies wanneer deze eerste afspraak heeft plaatsgevonden.

Bij de tweede bespreking hebben we de offerte gezien, gezien tussen aanhalingstekens, het ging allemaal heel snel en we hebben die offerte niet echt besproken. Ik weet wel bijna zeker dat onze twee lonen niet op die offerte stonden; als dat wel zo zou zijn geweest, dan had ik er zeker wat van gezegd. Ik heb er niet meer goed naar gekeken, want ik heb er helemaal geen verstand van, we hadden zoveel vertrouwen in hem. Wel heb ik toen nog eens gezegd: “En die werkeloosheid, redden we dat wel?” (....)

2.3. In de contra-enquête heeft [gedaagden] twee getuigen doen horen.

gedaagde sub. 2 heeft onder meer verklaard:

“Ik was niet op de hoogte van de werkeloosheid van [eiser B]. Dat is pas op 7 september 2004 voor het eerst ter sprake gekomen. Mijn vrouw belde toen met [eiser B] in verband met de afwijzing van de hypotheek. [eiser B] zei toen dat ze zelf contact had opgenomen met de Bank of Scotland en dat zij de bank had gezegd dat zij vanaf 1 augustus werkeloos was.

De eerste bespreking met [eiser B] was op 28 juni 2004. Voor die tijd was er wel telefonisch contact geweest, maar dat was alleen maar om een afspraak te maken. (...) Het is onjuist dat tijdens de eerste afspraak is gesproken over de werkeloosheidsuitkering.

Het tweede gesprek heeft plaatsgevonden op 5 juli. Tijdens dat gesprek heeft [eiser B] gezegd dat er mogelijk in de toekomst een reorganisatie zou plaatsvinden. Ik heb toen ter plekke een berekening gemaakt wat een eventuele werkeloosheid van [eiser B] in de toekomst zou betekenen voor de maandlasten. Het kwam erop neer dat die maandlasten dan uit anderhalf salaris betaald moesten worden. Mijn berekening had geen betrekking op het aanvragen van de hypotheek. Dat zou gewoon gebeuren op basis van beide salarissen. Volgens mij was dit duidelijk voor [eisers]. Ik vroeg nog: “hoe denken jullie daar zelf over?”

(...)

Ik heb destijds bij de tweede bespreking beide werkgeversverklaringen uitgereikt. [eiser A] had toen een contract voor bepaalde tijd, daarvoor zou een intentieverklaring worden afgegeven. Er was op dat moment geen twijfel over mogelijk dat het salaris van [eiser B] mee zou gaan in de hypotheekaanvraag.

(...)

Toen de reorganisatie ter sprake kwam tijdens het tweede gesprek heb ik wel gevraagd wanneer dat dan aan de orde was. [eiser B] zei toen dat daar over geen duidelijkheid bestond.

(...)

Op 21 juli 2004 is de offerte voor de hypotheek stap voor stap met [eisers] doorgesproken. Mijn advocaat wijst erop dat op de laatste pagina van die offerte staat dat partijen er naar zullen streven om de inkomens gedurende de looptijd van de lening te laten voortduren. Ook dat is met hen besproken. Zij hebben daar geen opmerkingen over gemaakt.”

[gedaagde sub. 3] (gedaagde sub. 3) heeft onder meer verklaard:

“Op vrijdagmiddag 3 september 2004, rond half vier, ben ik voor het eerst betrokken geraakt bij dit dossier. (...)

De dinsdag daarop heb ik [eiser B] rond het middaguur gebeld. (...) [eiser B] vertelde mij toen dat ze die ochtend zelf de Bank of Scotland had gebeld. Ze zei dat ze de bank ook had verteld over haar werkeloosheid en dat ze de bank gevraagd had of dat kon leiden tot een afwijzing van de hypotheek. Ik was met stomheid geslagen over de mededeling van [eiser B] dat ze werkeloos was en ook over de manier waarop zij over haar vriend sprak. (...) Ik heb vervolgens direct mijn man gebeld. Hij was gemeend verbaasd toen hij hoorde van de werkeloosheid van [eiser B]. Hij was ook boos. Dan heb je al het werk gedaan en dan komt er nog van alles naar boven. (...)

Op 2 december 2004 ben ik gebeld door de verkoper, [naam verkoper]. (...) Tijdens dat gesprek vertelde [naam verkoper] dat [eiser B] tegen hem had gezegd dat de hypotheek ook niet doorging vanwege haar werkeloosheid en dat zij die werkeloosheid niet had gemeld aan ons. [naam verkoper] was daar verbaasd over.”

2.4. De hiervoor aangehaalde verklaringen van de getuigen in enquête en contra-enquête staan vrijwel lijnrecht tegenover elkaar ten aanzien van de vraag of [gedaagde sub. 2] reeds voor 29 juli 2004 op de hoogte is geweest van het ontslag van [eiser B] per

1 augustus 2004. Ingevolge het bepaalde in artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt aan de verklaringen afgelegd door respectievelijk

[eiser A] en [ei[eiser B] slechts beperkte bewijskracht toe in de zin dat die verklaringen omtrent de door hen te bewijzen feiten geen bewijs in hun voordeel kunnen opleveren. Dat is anders indien ten aanzien van de te bewijzen feiten aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maken (vergelijk Hoge Raad 31 maart 1995, NJ 1997, 592). Naar het oordeel van de rechtbank kan van de verklaringen die door de ouders van [eiser A] zijn afgelegd niet gezegd worden dat dit zodanig sterk aanvullend bewijs oplevert dat zij de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maken. Hetgeen de ouders van [eiser A] hebben verklaard over wat hun zoon en schoondochter hebben besproken met [gedaagde sub. 2] is niet gebaseerd op eigen waarneming doch op wat zij daarover hebben vernomen van hun zoon en schoondochter. Bovendien kan ook niet gezegd worden dat uit hetgeen de ouders van [eiser A] hebben verklaard zonder meer volgt dat [gedaagde sub. 2] reeds voor 29 juli 2004 op de hoogte moet zijn geweest van het ontslag van [eiser B].

2.5. Ook overigens is geen aanvullend bewijs voorhanden waaruit blijkt dat [eisers] [gedaagde sub. 2] voorafgaand aan 29 juli 2004 heeft gewezen op het feit dat [eiser B] per

1 augustus 2004 werkeloos zou worden. Er zijn daarentegen wel aanwijzingen die op het tegendeel wijzen zoals de verklaring van eiser in de hoofdzaak ([naam verkoper]) dat door [eiser B] aan hem nadien nog verklaard zou zijn dat zij ten tijde van de aanvraag van de hypothecaire geldlening [gedaagde sub. 2] niet hadden ingelicht over haar werkeloosheid. De verklaring [naam verkoper] is bevestigd door getuige Leemans, die heeft verklaard dat [naam verkoper] aan haar heeft verteld dat [eiser B] dit zo tegen hem heeft gezegd. [eisers] heeft deze verklaring van [naam verkoper] en zijn mededeling daarover aan Leemans niet weersproken en ook niet op enige wijze ontzenuwd of weerlegd. Voorts staat vast dat op de door [eisers] op 21 juli 2004 ondertekende acceptatieverklaring voor de hypotheekofferte (productie G2 bij conclusie van antwoord in vrijwaring tevens conclusie van eis in reconventie) wordt verklaard dat [eisers] er naar zullen streven om “beide opgegeven inkomens, waarop deze offerte is gebaseerd” gedurende de looptijd van de lening laten voortduren. Dit gegeven valt lastig te rijmen met de stelling van [eisers] dat zij reeds op dat moment [gedaagde sub. 2] hadden ingelicht over de werkeloosheid van [eiser B] per 1 augustus 2004.

2.6. Nu geen aanvullend bewijs in de zin van artikel 164 lid 2 Rv voorhanden is kunnen de verklaringen van [eisers] over hetgeen zij voor 29 juli 2004 aan

[gedaagde sub. 2] hebben medegedeeld, geen bewijs in hun voordeel opleveren. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de getuigenverklaringen door [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] zoals hiervoor geciteerd, is de rechtbank dan ook van oordeel dat [eisers] er niet in is geslaagd te bewijzen dat [gedaagde sub. 2] al voor 29 juli 2004 op de hoogte was van de werkeloosheid van [eiser B] per 1 augustus 2004. Mede gelet op hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 22 maart 2006 brengt dit mee dat [gedaagden] geen rechtens relevant verwijt te maken is van de gang van zaken die heeft geleid tot veroordeling van [eisers] in de hoofdzaak, zodat de vordering in conventie in vrijwaring zal worden afgewezen.

2.7. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- vast recht 725,00

- salaris procureur 1.582,00 (3,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal € 2.307,00

in reconventie

2.8. In voornoemd vonnis is [gedaagden] toegelaten het bestaan en de inhoud van de afspraak over de vergoeding van zijn kosten te bewijzen en voorts de aard en omvang van de door hem verrichte werkzaamheden en de redelijkheid van het door hem in rekening gebrachte uurtarief.

2.9. [gedaagden] heeft in verband met deze bewijsopdracht twee getuigen doen horen.

[gedaagde sub. 2] (partijgetuige) heeft onder meer verklaard:

“Nadat bekend was geworden dat de hypotheekaanvraag van [eiser A] was geweigerd hebben wij telefonisch contact gehad met [eiser A]. Toen is met hem de afspraak gemaakt dat wij voor onze werkzaamheden tot dan toe kosten in rekening zouden brengen. Er is afgesproken: als u de declaratie betaalt, gaan wij verder kijken bij andere hypotheekverstrekkers. Dat was een voorwaarde voor verdere werkzaamheden. Ik heb hem een uurtarief van € 50,-- voorgesteld waarmee [eiser A] heeft ingestemd. [eiser A] was niet verbaasd over dit voorstel, hij zei: “Dat is akkoord.” Op grond van de GIDI wijzer is een klant standaard € 300,-- exclusief BTW verschuldigd indien de hypotheek niet doorgaat. Dit staat op de voorlaatste bladzijde van de GIDI wijzer. Daar staat ook dat dit bedrag eventueel wordt vermeerderd met de onkosten en de gewerkte uren aan het dossier. Het standaardbedrag van € 300,-- hebben we laten vallen en alleen die onkosten en uren zijn in rekening gebracht. (...) Ik heb de afspraak met [eiser A] per brief van 10 september 2004 bevestigd en toen ook een factuur toegezonden. Daar is geen reactie op gekomen van [eiser A]. Wel kreeg ik op 10 september of kort daarop al een brief of fax van de advocaat van [eisers]. Ik heb toen een kopie van mijn brief van 10 september ook aan die advocaat gezonden. Op de brief is geen reactie gekomen. Normaal gesproken worden, als een hypotheek wordt verstrekt, mijn kosten niet aan de klant in rekening gebracht, wij ontvangen dan een provisie.

Ik heb de GIDI wijzer aan [eisers] gegeven toen ik bij hen langs kwam voor het tekenen van de offerte. Dit was half juli. Ik zeg altijd: “Lees de GIDI wijzer door, er staan voorwaarden in over hoe wij betaald worden door de maatschappij, wat de klant van ons mag verwachten en wat wij van de klant verwachten.”(...)

De kosten zijn door ons gespecificeerd. Wij hebben in rekening gebracht: 21 uur voor 3 huisbezoeken, contacten met de bank door mijn vrouw in verband met de codering en het verzamelen van stukken en contacten met de geldverstrekker. Een hypotheekdossier kost gemiddeld 25 tot 27 uur.

Voorafgaand aan het verhoor heb ik de nota’s voor onze kosten niet meer bekeken. Het kan zijn dat ik mij vergis wat betreft het in rekening brengen van die € 300,--. Mijn vrouw maakt die nota’s op.

Wat betreft de uren voor de huisbezoeken, daarin is ook de reistijd meegenomen. De reistijd van Holten naar Ruurlo bedraagt al gauw 40 minuten.

Het uurtarief van € 50,-- is laag. Het uurtarief voor een gemiddelde adviseur in onze branche is al gauw € 70,-- en kan oplopen tot € 150,--. Ik heb het lage tarief gehanteerd uit coulance.

[eiser A] heeft mij gevonden via Internet. Onze website bevat een link naar de GIDI wijzer.”

[gedaagde sub. 3] (partijgetuige) heeft onder meer verklaard:

“Ik ben pas veel later in dit plaatje betrokken geraakt, namelijk op3 september om ongeveer 16.00 uur. Mijn man vertelde mij dat er een codering had plaatsgevonden in het dossier van [eiser A]. (....) Wij hebben toen besloten dat we wel voor [eiser A] verder wilden werken, maar pas wanneer de kosten zouden worden vergoed. Mijn man heeft dat zo op 9 september telefonisch aan [eiser A] doorgegeven. [eiser A] belde dezelfde dag nog terug om te zeggen dat hij daarmee instemde. Ik heb dat allemaal kunnen horen omdat wij in die tijd nog kantoor aan huis hadden en onze bureaus tegenover elkaar stonden. De afspraak was een uurtarief van € 50,-- voor de gewerkte uren, maar dat we hem dan niet het vel over de neus zouden halen. Vervolgens heb ik de factuur opgemaakt. Ik kwam uit op 21 uur, waarvan ik er 12 in rekening heb gebracht alsmede het tarief van € 300,--. Toen ik echter op 10 september de fax van de advocate van [eiser A] ontving, was ik zo boos dat ik besloot alsnog alles in rekening te brengen.

Mijn werkzaamheden aan de codering hebben voorafgaand aan de met [eiser A] gemaakte afspraak plaatsgevonden en kunnen dus in rekening worden gebracht. Ik ben daar op maandag en dinsdag 5 en 6 september een groot deel van de dag mee bezig geweest. De uren van mijn man heb ik uit zijn agenda gehaald. Voor de administratie-uren heb ik een gemiddelde genomen.

Een uurtarief van € 50,-- vind ik, achteraf gezien, in deze zaak veel te laag. Het is wel ons standaardtarief.”

2.10.In de contra-enquête heeft [eisers] twee getuigen doen horen.

[eiser A] heeft onder meer verklaard:

“(...) [gedaagde sub. 2] zei tegen mij dat de kosten die hij had gemaakt nu door ons betaald moesten worden. Hij zei: “wij hebben van alles voor jullie gedaan en jullie hebben van alles achtergehouden”. Ik zei tegen [gedaagde sub. 2]: “doe maar wat je niet laten kunt”. Wij hadden toen, via de notaris, al een afspraak gemaakt met een advocaat.

[gedaagde sub. 2] heeft niets gezegd over een uurtarief. Ik weet ook niet wat hij allemaal in onze zaak heeft gedaan. Wij hebben twee keer een bespreking gehad van één à anderhalf uur en verder moesten wij er ons niet teveel mee bemoeien.

(...)

Ik heb de GIDI-wijzer nooit ontvangen. [gedaagde sub. 2] heeft die wijzer nooit met ons besproken. Tijdens het eerste of tweede gesprek zei [gedaagde sub. 2]: “bekijk het maar op internet”. Mijn vriendin en ik hebben er toen naar gekeken. De GIDI-wijzer op internet is niet dezelfde die als productie 5 door [gedaagde] in het geding is gebracht. De GIDI-wijzer die mijn advocaat mij nu voorhoudt, is de GIDI-wijzer die wij destijds hebben bekeken. In die GIDI-wijzer staat niets over € 300,- of kosten die in rekening zullen worden gebracht. Ik herken die aan het oude logo van [gedaagde]. Wij hadden ook een visitekaartje met dat logo. Het logo staat ook afgebeeld op de offerteberekening (productie 17 bij dagvaarding in vrijwaring). Het logo van [gedaagde] op de GIDI-wijzer die als productie 5 door [gedaagde] in het geding is gebracht herken ik niet. (...)”

[eiser B] heeft onder meer verklaard:

“Ik was er bij toen mijn vriend [gedaagde sub. 2] aan de telefoon had. Het was geen leuk gesprek, dat kon ik wel horen aan mijn vriend. Na het gesprek zei mijn vriend dat [gedaagde sub. 2] nieuwe hypotheekaanvragen zou indienen. Over kosten van [gedaagde sub. 2] hebben wij het niet gehad.

(...)

Ik heb nooit een GIDI-wijzer ontvangen. Ik ken de GIDI-wijzer wel, tenminste die uit 2004 die mijn advocaat net heeft overgelegd. Ik herken die wijzer aan het logo. Dat is ook hetzelfde logo dat staat afgedrukt op de offerte van 4 juli 2004 (productie 17 bij dagvaarding in vrijwaring). In de GIDI-wijzer die wij hebben gezien staat niet dat de klant € 300,- verschuldigd is indien de hypotheek niet doorgaat of dat de klant uren of onkosten verschuldigd is.

[gedaagde sub. 2] heeft de GIDI-wijzer niet met ons doorgenomen. Wij moesten hem maar op internet bekijken.

Ik weet echt niet meer of [gedaagde sub. 2] ons in het eerste of het tweede gesprek op de GIDI-wijzer heeft gewezen.”

2.11. Op grond van voorgaande verklaringen en de overige door partijen in het geding gebrachte (bewijs)stukken is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de zogeheten Gidi-wijzer, waar [gedaagden] op wijst, een grondslag biedt voor de verschuldigdheid door [eisers] van de door [gedaagden] gevorderde kosten. [eisers] heeft er op gewezen dat de Gidi-wijzer waar [gedaagden] zich op beroept een andere is dan de Gidi-wijzer die hij op internet heeft geraadpleegd. Die laatste versie van de Gidi-wijzer, waarvan door [eisers] een kopie in het geding is gebracht, bevat niet de bepaling die [gedaagden] aan de vordering ten grondslag legt en die inhoudt dat de klant in bepaalde gevallen € 300,00 alsmede de gemaakte onkosten verschuldigd is. Tegenover de verklaringen door [eisers] dat zij slechts kennis hebben genomen van de door hen in het geding gebrachte versie van de Gidi-wijzer heeft [gedaagden] onvoldoende aannemelijk weten te maken dat de door hem in het geding gebrachte versie van de Gidi-wijzer het exemplaar is waarvan [eisers] kennis heeft genomen en waarmee hij mogelijkerwijs zou hebben ingestemd.

2.12. De rechtbank is voorts van oordeel dat [gedaagden] er niet in geslaagd is aan te tonen dat [eisers] er mee instemde dat de gevorderde kosten alsnog in rekening zouden worden gebracht. Weliswaar heeft [eiser A] verklaard dat hij op de opmerking van [gedaagde sub. 2] dat alle kosten in rekening zouden worden gebracht, heeft geantwoord: “doe maar wat je niet laten kunt”, doch [gedaagden] heeft dit, gelet op de omstandigheden waaronder die mededeling werd gedaan, niet mogen opvatten als een aanvaarding door [eisers] van dat voorstel. Zoals uit de verklaringen blijkt heeft [gedaagde sub. 2] dit aan [eiser A] telefonisch medegedeeld nadat de hypotheek was afgewezen en de sfeer tussen partijen geagiteerd was. In die sfeer had [gedaagde sub. 2] de opmerking van [eiser A] niet zonder meer mogen begrijpen als een acceptatie van het door hem gedane voorstel over de kosten. De verklaringen die [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] als getuigen hebben afgelegd kunnen, gelet op het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv, omtrent de door hen te bewijzen feiten geen bewijs in hun voordeel opleveren nu er ook geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maken. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij ten aanzien van artikel 164 lid 2 Rv reeds bij de vordering in conventie heeft overwogen.

2.13. Het voorgaande brengt mee dat de vordering zal worden afgewezen.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- salaris procureur 1.344,00 (3,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal € 1.344,00

[gedaagde] c.s dient deze proceskosten te betalen aan de griffier van deze rechtbank door storting op [bank en banknummer] ten name van Arrondissement 547 Zutphen, terzake van salaris procureur van [eisers], mr. A. Wiltink te Doetinchem.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 2.307,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4. wijst de vorderingen af,

3.5. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.344,00, te voldoen op de wijze zoals aangegeven in de rechtsoverweging 2.13,

3.6. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2006.