Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:BA1354

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
69962 / HA ZA 05-534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu de caravan inmiddels is doorverkocht en niet wordt gesteld dat teruggave mogelijk is, wordt ervan uitgegaan dat gedaagde niet tot teruggave bereid en/of in staat is. Voor de berekening van de schade wordt redelijk geacht om als uitgangspunt te nemen hoe de vermogenspositie van eiseres zou zijn geweest indien de stacaravan niet bij de doorverkoper was ontvreemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 69962 / HA ZA 05-534

Vonnis van 13 december 2006

in de zaak van

de vennootschap naar Frans recht

IDEALE RESIDENCE MOBILE S.A.S.,

gevestigd te Lucon Cedex,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. C.A.M. Luttikhuizen te Enschede,

tegen

1. [gedaagde A],

wonende te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOBEDRIJF J.C. VERMANEN B.V.,

gevestigd te Loosdrecht,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. E.N. Mulder.

Partijen zullen hierna IRM en beide gedaagden tezame[gedaagden] en, ieder afzonderlijk, [gedaagde A] respectievelijk Autobedrijf J.C. Vermanen B.V. genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 juni 2006

- de akte uitlating productie tevens houdende wijziging van eis

- de antwoordakte.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

Overgenomen en volhard wordt bij hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.

In het bijzonder heeft [gedaagden] in zijn laatste akte alsnog betwist dat de stacaravan waar het in deze procedure over gaat, door IRM onder eigendomsvoorbehoud aan een derde, AMC International GmbH, hierna: AMC, is geleverd. In eerdere tussenvonnissen heeft de rechtbank dat eigendomsvoorbehoud (mede) aan haar beslissingen ten grondslag gelegd nu het voorbehouden van de eigendom door [gedaagden] niet werd betwist. Aldus heeft de rechtbank in die eerdere tussenvonnissen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud over het eigendomsvoorbehoud een eindbeslissing gegeven. De stellingen van [gedaagden] in zijn laatste akte geven geen aanleiding om op die eindbeslissing terug te komen terwijl ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of evidente feitelijke of juridische misslagen die meebrengen dat het in stand laten van die eindbeslissing onaanvaardbaar is.

In voornoemd vonnis is IRM in de gelegenheid gesteld de schade te begroten die zij lijdt indien [gedaagde A] niet meer in staat is de stacaravan aan IRM af te geven. IRM heeft die schade bij akte begroot op € 22.352,55 en haar eis gewijzigd. De rechtbank begrijpt de gewijzigde eis aldus dat IRM primair afgifte van de stacaravan vordert en subsidiair, indien afgifte niet mogelijk is, schadevergoeding.

Bij antwoordakte heeft [gedaagden] verweer gevoerd tegen de begroting van de schade door IRM. Nu [gedaagden] eerder, bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie (onder punt 12), heeft aangegeven dat de stacaravan inmiddels door hem is doorverkocht en ook overigens door hem niet wordt gesteld dat teruggave van die caravan aan IRM nog mogelijk is, gaat de rechtbank er van uit dat [gedaagde A] niet tot teruggave bereid en/of in staat is zodat de primaire vordering van IRM daar reeds op afstuit. Derhalve is nog slechts aan de orde de subsidiaire vordering tot schadevergoeding.

IRM berekent de schade die zij lijdt op het bedrag waarvoor zij de stacaravan in september 2003 heeft verkocht aan AMC. IRM heeft bij akte een factuur van die transactie in het geding gebracht waaruit blijkt dat de prijs per stacaravan € 22.352,55 is geweest. [gedaagden] stelt dat het niet redelijk is om de nieuwprijs als uitgangspunt te nemen aangezien de stacaravan, voordat deze aan hem werd geleverd, al twee keer was doorverkocht.

Voor de schadeberekening acht de rechtbank het redelijk om als uitgangspunt te nemen hoe de vermogenspositie van IRM zou zijn geweest indien de stacaravan niet bij AMC zou zijn ontvreemd. Aangezien AMC dit soort stacaravans als handelaar doorverkoopt ligt het voor de hand dat IRM, op grond van het eigendomsvoorbehoud, de stacaravan in dezelfde staat zou hebben teruggekregen als waarin zij die aan AMC heeft geleverd. Derhalve is het in dit geval redelijk om, zoals IRM doet, bij de schadeberekening uit te gaan van de prijs waarvoor zij die stacaravan aan AMC heeft geleverd, derhalve € 22.352,55. Het feit dat [gedaagden], zoals hij stelt, pas de derde koper was, doet daar niet aan af nu niet is gesteld of gebleken dat die eerdere transacties hebben geleid tot een waardevermindering van de betreffende stacaravan. Bovendien valt ook niet in te zien en is door [gedaagden] ook niet aangegeven op welke grond een dergelijke waardevermindering, als daarvan sprake zou zijn, voor rekening van IRM dient te komen. Het enkele feit dat, zoals [gedaagden] stelt, AMC tot doorverkoop van die stacaravan bevoegd was speelt hier geen rol nu vaststaat dat er in dit geval geen sprake is geweest van een rechtmatige doorverkoop door AMC.

Het voorgaande brengt mee dat het betoog van [gedaagden], dat de schade van IRM niet hoger kan zijn dan de dagwaarde van de stacaravan, niet opgaat. De verwijzing van [gedaagden] naar de waarde van andere caravans die te koop worden aangeboden kan dan ook buiten beschouwing blijven.

IRM vordert de wettelijke rente vanaf 27 april 2004, de datum waarop zij [gedaagden] heeft verzocht de stacaravan af te geven. [gedaagden] heeft gesteld dat hij pas wettelijke rente verschuldigd is per de datum van het eindvonnis aangezien hij tot die datum gerechtigd was de stacaravan onder zich te houden omdat hij tot dan mocht menen te goeder trouw te zijn geweest. Die stelling gaat niet op nu zijn goede trouw niet is komen vast te staan. De rechtbank zal de wettelijke rente dan ook toewijzen zoals door IRM gevorderd.

[gedaagde A] wordt in de kosten veroordeeld zoals overwogen in het vonnis van 28 juni 2006, met dien verstande dat de proceskosten in conventie verhoogd worden met een half punt voor salaris procureur, derhalve € 226,00, in verband met de akte van IRM.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen tegen Autobedrijf J.C. Vermanen B.V. af,

veroordeelt [gedaagde A] om aan IRM te betalen een bedrag van € 22.352,55 (tweeëntwintig duizend driehonderd tweeënvijftig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag te berekenen vanaf 27 april 2004, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde A] in de proceskosten, aan de zijde van IRM tot op heden begroot op € 1.668,93,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst het gevorderde af,

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van IRM tot op heden begroot op € 565,00,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2006.