Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:BA0893

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
289153 CV 06-2121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsrecht. V.o.f. verhuurt jachtwerf aan een vennoot, die de vennootschap onder firma opzegt op een termijn van anderhalf jaar. De andere vennoot beroept zich op zijn statutair voortzettingsrecht. Daarop trekt de ene vennoot - bijna een jaar later en drie weken voor de datum waartegen was opgezegd – zijn opzegging in. Beide vennoten wenden zich ex art. 96 BRv tot de kantonrechter, waarbij de ene vennoot ontbinding van de vennootschap vraagt onder toedeling aan hem van de onderneming van wie hij huurt, terwijl de andere vennoot met name een verklaring voor recht vordert dat hij de onderneming van de vennootschap voortzet.

Kantonrechter: De opzegging kon statutair zonder opgaaf van redenen geschieden, zodat – anders dan bij ontbinding – de oorzaak van de verslechterde verhouding tussen de vennoten niet van belang is. De intrekking van de opzegging sorteert geen effect, gelet op art. 3:37 lid 5 BW. Het einde van de vennootschap maakt geen einde aan de huur. Het is in casu naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om, vlak voordat de eigen opzegging effect sorteert, ontbinding te vorderen met het kennelijk oogmerk daarmee het voortzettingsrecht van de andere vennoot te frustreren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 37
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2007, 288
JIN 2007/212
JOR 2007/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton – Locatie Zutphen

Zaaknummer: 289153 CV 06-2121

Grosse aan mr. Van de Venne en afschrift aan mr. Fellinger d.d. 22 december 2006

vonnis van de kantonrechter d.d. 21 december 2006

inzake

[Part[Partij A],

wonende te Zutphen,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr.drs. R.H.P. van de Venne, advocaat te 7200 AA Zutphen, postbus 8

tegen

[Par[Partij B],

wonende te Zutphen,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.H. Fellinger, advocaat te 1016 GD Amsterdam, Keizersgracht 442.

Partijen worden hierna aangeduid als [Partij A] respectievelijk [Partij B].

Het procesverloop

1.Dit verloop blijkt uit:

- de conclusie van eis in conventie;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie;

- het proces verbaal van mondelinge behandeling op 14 december 2006;

- het schrijven van mr. R.H.P. van de Venne namens beide partijen, ter griffie in gekomen op 19 december 2006.

De feiten

2.1 In 1997 hebben partijen voor onbepaalde tijd opgericht de vennootschap onder firma Jachtwerf [naam] v.o.f. De vennootschap onder firma had als statutair doel het exploiteren van een jachtwerf annex stalling voor schepen en alles wat daarmee verband houdt. De vennootschap onder firma was eigenaar van een bedrijfsterrein met opstallen, waaronder een door [Partij A] gehuurde woning en een bedrijfsgebouw, alsmede van een boot.

2.2 Aan de oprichtingsakte wordt het volgende ontleend:

“[...]

Artikel 3.

Ieder der vennoten heeft het recht om - zonder opgaaf van reden - de overeenkomst van vennootschap onder firma op te zeggen tegen het einde van een boekjaar, zulks met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste zes maanden.

[...]”

en

"Artikel 11. De vennootschap eindigt:

(...) f. door opzegging als bedoeld in artikel 3"

en

"Artikel 12. In de gevallen hiervoor in artikel 11 onder (...) f vermeld, heeft de andere vennoot het recht de onderneming voort te zetten. (...) De tot voortzetting gerechtigde moet binnen drie maanden na het eindigen van de vennootschap van zijn verlangen tot voortzetting schriftelijk kennis geven aan de andere vennoot(...)."

en

"Artikel 13. De vennoot die op grond van het in het vorige artikel bepaalde de onderneming van de vennootschap voortzet is verplicht al haar activa over te nemen onder de verplichting de passiva voor zijn rekening te nemen, per de datum van eindigen van de vennootschap alsmede de in artikel 14 vermelde uitkering te doen."

2.3 Op 1 september 2000 heeft [Partij B] een deel van het vermogen van de vennootschap onder firma overgenomen en de jachtwerf en de botenstalling alleen voortgezet. Sindsdien huurt [Partij B] bedrijfsterrein en bedrijfshal van de vennootschap onder firma. De naam van de vennootschap onder firma werd gewijzigd in [naam] Onroerend Goed v.o.f. en de (onderneming van) de vennootschap onder firma beperkte zich sindsdien tot beheer en exploitatie van het onroerend goed en van de boot. Voor het overige bleven de vennootschapsrechtelijke afspraken ongewijzigd.

2.4 Bij aangetekend schrijven van 18 oktober 2005 heeft [Partij B] de vennootschap opgezegd tegen 1 januari 2007, daarbij de wens te kennen gevend dat hij de onderneming van de vennootschap wenste voort te zetten.

2.5 Bij schrijven van 26 januari 2006 heeft [Partij A] zich beroepen op zijn statutair voortzettingsrecht en van [Partij B] (de tegenwaarde in euro's van) ƒ 10.000,00 uit verbruikleen opgeëist.

[Partij B] heeft nadien zowel het één als het ander van de hand gewezen.

2.6 Bij brief van 11 december 2006 heeft [Partij B] zijn opzegging van 18 oktober 2005 ingetrokken.

De vordering en het verweer in reconventie

in conventie

3.1 [Partij A] vordert - mede blijkens zijn ter zitting gegeven toelichting en in acht genomen zijn wijziging van eis waartegen [Partij B] geen bezwaar heeft gemaakt - in zijn kwaliteit van vennoot dat de kantonrechter bij vonnis:

a) voor recht verklaard dat hij per 1 januari 2006 de onderneming van vennootschap voortzet;

b) zal bepalen dat de door [Partij B] verschuldigde jaarhuur met ingang van 1 januari 2005 € 29.000,00 bedraagt en met ingang van 1 januari 2006 € 34.000,00, althans in beide jaren een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag en dat daarna de huur jaarlijks zal worden verhoogd met inachtneming van het geldende prijsindexcijfer (consumentenprijsindex CBS), meer subsidiair dat de kantonrechter [Partij B] gebiedt om met [Partij A] verdere afspraken te maken (door te onderhandelen) over een redelijke huurverhoging met ingang van het jaar 2005;

c) partijen - bij wege van voorlopige voorziening - verbiedt om, zo lang de boot toebehoort aan de vennootschap onder firma, deze verder te gebruiken zonder dat zij daarover overeenstemming hebben bereikt;

d) alsmede - maar zulks in persoon - dat de kantonrechter [Partij B] veroordeelt om aan [Partij A] terug te betalen € 45.378,02, te vermeerderen met de wettelijke rente over het verschuldigde vanaf de datum van dit vonnis.

3.2 [Partij A] legt daaraan, tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten, ten grondslag (samengevat):

- dat [Partij B] rechtsgeldig de vennootschap onder firma heeft opgezegd, dat [Partij A] rechtsgeldig van zijn statutair voortzettingsrecht gebruik heeft gemaakt en dat de intrekking van de opzegging rechtens geen effect kan sorteren;

- dat partijen in september 2005 een huurverhoging over 2004 zijn overeengekomen en tevens bespraken dat de huur voor [Partij B] in volgende jaren verder zou moeten worden verhoogd totdat een marktconforme huur bereikt zou zijn, terwijl uit een taxatierapport blijkt dat een huurprijs van € 34.000,00 marktconform is;

- dat partijen hebben afgesproken om de boot te verkopen, maar dat [Partij B] de boot zelf blijft gebruiken met als gevolg (kans op) slijtage, schade en waardevermindering;

- dat hij in 1997 ƒ 100.000,00 aan [Partij B] heeft geleend (zonder afspraken over rente of terugbetaling), dat [Partij B] niet heeft ingestemd met de door [Partij A] op 26 januari 2006 voorgestelde terugbetaling op 1 januari 2007 en dat hij nu staat op onmiddellijke terugbetaling.

3.3 Op het verweer van [Partij B] wordt zo nodig in het onderstaande ingegaan.

in reconventie

3.4 [Partij B] vordert - blijkens de ter zitting gegeven toelichting: in zijn kwaliteit van vennoot - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a) de vennootschap onder firma zal ontbinden en de onderneming van de vennootschap aan hem zal toedelen, zulks onder door de kantonrechter te bepalen voorwaarden;

b) subsidiair: voor recht verklaard dat hij de onderneming van de vennootschap voortzet per 1 januari 2007 onder door de kantonrechter te bepalen voorwaarden.

3.5 [Partij B] legt daaraan, tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten, ten grondslag (samengevat) dat er sprake is van gewichtige redenen voor ontbinding, namelijk de handel en wandel van [Partij A], de animositeit tussen partijen en de daaruit voortvloeiende onwerkbare situatie, terwijl hij voorts - als degene die de jachtwerf exploiteert en daarvan financieel afhankelijk is - een veel groter belang heeft bij voortzetting van de onderneming van de vennootschap dan [Partij A].

3.6 Op het verweer van [Partij A] wordt zo nodig in het navolgende ingegaan.

De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1 Blijkens de gedingstukken hebben partijen zich samen tot de kantonrechter gewend en zijn beslissing ex artikel 96 BRv ingeroepen met betrekking tot hun genoemde geschillen.

4.2 Ter mondelinge behandeling heeft de kantonrechter, nadat partijen verklaarden niets meer te willen aanvoeren, (het formele deel van) de mondelinge behandeling gesloten en vonnis bepaald. Vervolgens heeft de kantonrechter informeel zijn voorlopig oordeel gegeven, waarna partijen hebben meegedeeld uiterlijk 19 december 2006 te zullen laten weten of de procedure (al dan niet na bereikte schikking) geroyeerd zou worden. Bij brief, ingekomen ter griffie op 19 december 2006, hebben partijen vonnis gevraagd, maar tevens een productie in het geding gebracht, terwijl [Partij A] nog heeft verzocht om zijn eis te mogen wijzigen.

De kantonrechter stelt vast dat partijen niet om royement (doch om vonnis) hebben gevraagd, terwijl ook al vonnis was bepaald. Daarmee verdraagt zich niet dat nadere stukken in het geding worden gebracht, zodat die inmiddels aan partijen zijn teruggezonden.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil en ook de kantonrechter gaat daarvan uit dat [Partij B] bij brief van 18 oktober 2005 rechtsgeldig (bij aangetekend schrijven en met inachtneming van de voorgeschreven opzegtermijn) de vennootschap heeft opgezegd. De kantonrechter merkt nog op dat opzegging statutair zonder opgaaf van reden kon geschieden en dat in dit verband a fortiori niet van belang is aan wie de verslechterde samenwerking is toe te schrijven (vgl. ook JOR 2000,50).

De stelling van [Partij B], dat deze opzegging geen andere rechtsgevolgen mag hebben dan ontbinding ex artikel 7A:1684 BW, is (dan ook) rechtens onjuist.

4.4 Voor wat betreft de voortzetting van de onderneming overweegt de kantonrechter als volgt. [Partij B] heeft omstandig betoogd dat hij er groot belang bij heeft om de onderneming van de vennootschap voort te zetten. Wat daarvan zij, dit belang kan niet afdoen aan het statutaire recht van [Partij A] om in geval van opzegging door [Partij B] gebruik te maken van zijn voortzettingsrecht, zulks te minder nu partijen het er over eens zijn dat de jachtwerf niet tot de onderneming van de vennootschap behoort en de huurverhouding ook na 1 januari 2007 zal worden voortgezet. Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat de termijn als genoemd in artikel 12 van de statuten vragen oproept, maar systematische en teleologische uitleg van die bepaling brengt met zich mee dat [Partij A] zich niet prematuur op zijn voortzettingsrecht heeft beroepen.

4.5 De intrekking van de opzegging sorteert - gelet op het bepaalde in artikel 3:37 lid 5 - geen effect. De kantonrechter heeft daarbij mee laten wegen:

- het feit dat [Partij B] zich onbetwist van professionele bijstand heeft laten voorzien alvorens op te zeggen;

- de omstandigheid dat [Partij B] in zijn conclusie van antwoord erkent dat de opzegging door [Partij A] is aanvaard;

- het grote tijdsverloop sinds de opzegging is gedaan;

- het feit dat [Partij A] inmiddels heeft verklaard van zijn statutair voortzettingsrecht gebruik te willen maken;

- het grote tijdsverloop sindsdien;

- en het feit dat de intrekking is gedaan vlak voor de kritieke datum van 1 januari 2007.

Voorts is gesteld noch gebleken dat de opzegging is gedaan onder invloed van undue influence of valse voorstelling van zaken zijdens [Partij A], terwijl de veronderstelling van [Partij B] dat [Partij A] vast niet zou opteren voor voortzetting van de onderneming van de vennootschap, voor zijn risico moet blijven.

4.6 Mede gelet op het feit dat er geen andere vennoten zijn dan partijen, volgt uit het vorenoverwogene dat de vennootschap onder firma op 1 januari 2007 ophoudt te bestaan.

4.7 Met betrekking tot de reconventionele vordering overweegt de kantonrechter verder als volgt.

4.7.1Voor zover het [Partij B] er om te doen is dat de vennootschap onder firma op korte termijn moet ophouden te bestaan, heeft hij geen belang bij zijn vordering gelet op het onder r.o. 4.6 overwogene. De kantonrechter ziet niet over het hoofd dat [Partij B] ontbinding (liefst) nog (net) vóór 1 januari 2007 geëffectueerd wil zien en evenmin dat [Partij B] in geval van ontbinding alsnog kans maakt om de onderneming van de vennootschap voort te zetten. De kantonrechter is van oordeel dat het onder de in r.o. 4.5 gememoreerde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid - die ook de verhouding tussen vennoten regeert - onaanvaardbaar is dat [Partij B] via een vordering tot ontbinding kort voor 1 januari 2007 tracht te ontkomen aan de rechtsgevolgen van de door hem zelf gedane opzegging, kennelijk louter met het oogmerk om daarmee een statutair recht op voortzetting zijdens [Partij A] te frustreren, zonder dat is gebleken van nieuwe omstandigheden. De door [Partij B] omstandig aangevoerde gronden voor ontbinding kunnen dan ook buiten bespreking blijven, terwijl zijn bewijsaanbod als niet terzake doende wordt gepasseerd.

4.7.2 Met betrekking tot de subsidiaire vordering overweegt de kantonrechter nog dat de redelijkheid en billijkheid als zodanig geen grond bieden om - in afwijking van de statuten - de onderneming van de vennootschap aan [Partij B] toe te wijzen, terwijl de door [Partij B] aangevoerde omstandigheden (met name dat hij de jachtwerf exploiteert en de bedrijfsruimte huurt) niet van dien aard zijn dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [Partij A] zich beroept op zijn statutair voortzettingsrecht.

4.8 Het vorenoverwogene brengt met zich mee dat de in conventie gevorderde verklaring voor recht voor toewijzing gereed ligt en dat reconventionele vordering in zijn beide onderdelen dient te worden afgewezen.

voorts in conventie

4.9 Ten aanzien van de huurprijs voor de bedrijfsruimte heeft [Partij B] betwist dat partijen enigerlei huurverhogingsafspraak hebben gemaakt betrekking hebbend op jaren na 2004. Het primair door [Partij A] gevorderde ligt reeds voor afwijzing gereed op de grond dat het enkele feit dat partijen - naar [Partij A] stelt - "gesproken hebben" over een huurverhoging voor latere jaren dan 2004 nog geen rechtsgeldige overeenkomst impliceert. Voor het overige zal [Partij A] worden toegelaten tot bewijslevering als hierna te melden.

4.10 De gevorderde voorlopige voorziening is niet ontvankelijk. [Partij A] heeft verwezen naar het bepaalde in artikel 223 lid 2 BRv. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering met betrekking tot de boot (inderdaad) samenhangt met de gevorderde verklaring voor recht, echter niet met de overige vorderingen. Nu heden reeds een (deel)vonnis wordt gewezen met betrekking tot de verklaring voor recht, is er gelet op het bepaalde in artikel 223 lid 1 (slot) geen plaats meer voor een voorlopige voorziening. De kantonrechter laat dan nog daar dat [Partij B] ter zitting heeft toegezegd de boot in elk geval tot april 2007 niet te zullen gebruiken.

4.11 Ten aanzien van de gevorderde terugbetaling overweegt de kantonrechter als volgt. [Partij B] heeft bij conclusie van antwoord en ter zitting volstaan met betwisting van de geldlening. [Partij A] zal worden toegelaten tot het bewijs van zijn stellingen als hierna vermeld.

4.12 Gelet op het vorenoverwogene moet worden beslist als hierna aangegeven, met aanhouding van de zaak voor het overige.

voorts in reconventie

4.13 Gelet op de uitkomst van de procedure in reconventie zijn er termen [Partij B] te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter, recht doende:

in conventie

verklaart voor recht dat [Partij A] per 1 januari 2007 de onderneming van de vennootschap voortzet;

laat [Partij A] toe tot te bewijzen met alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van getuigen:

a) dat tussen de vennootschap onder firma enerzijds en [Partij B] in persoon anderzijds is gesproken over een huurverhoging, alsmede omstandigheden die de conclusie wettigen dat de onderhandelingen daarover zich zodanig hebben vernauwd dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [Partij B] zich daaraan thans onttrekt;

b) dat [Partij B] in 1997 ƒ 100.000,00 van [Partij A] ter leen heeft ontvangen;

bepaalt dat eventuele getuigen op een bij latere beschikking nog nader vast te stellen tijdstip zullen worden gehoord in een der zalen van het gerechtsgebouw te Zutphen, Martinetsingel 2;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 23 januari 2007 te 10.15 uur (peremp-toir) voor dagbepaling getuigenverhoor (beide partijen dienen dan hun verhinderdata in de maanden januari, februari en maart 2007 schriftelijk op te ge-ven, [Partij A] dient op te geven de namen van en het aantal getuigen (incl. personalia) dat hij wenst te doen horen);

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

houdt voor het overige iedere beslissing aan;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [Partij B] in de kosten van het geding in reconventie, aan de zijde van [Partij A] tot op heden begroot op € 360,00 aan salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. J.A.M. Smulders, kantonrechter te Zutphen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.