Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ6054

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
69857 / HA ZA 05-506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ouderlijke boedelverdeling met niet-opeisbaarheidsclausule. Art.4:1176 BW (oud). Natuurlijke verbintenis tot verzorging. Art. 6:3 BW. Beroep op legitieme portie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Zutphen

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 69857 / HA ZA 05-506

Vonnis van 6 december 2006

in de zaak van

1. [eiseres A],

wonende te [woonplaats],

2. [eisers B],

wonende te [woonplaats],

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. A.J.G. Jukema te Gouda,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. S.W. Knoop,

advocaat mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseressen] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 augustus 2005

- het proces-verbaal van comparitie van 6 oktober 2005

- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie

- de akte houdende uitlaten van [eiseressen]

- de akte uitlating tevens indiening producties van [gedaagde]

- de akte houdende uitlaten van [eiseressen]

- de akte uitlating producties tevens overlegging producties van [gedaagde]

- de akte houdende uitlaten producties, tevens overleggen aangepaste productie II van [eiseressen]

- de akte uitlating producties van [gedaagde]

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 22 december 2001 is [erflater], hierna ook aan te duiden als de erflater, overleden.

2.2. De erflater is in eerste echt gehuwd geweest met mevrouw [naam]. Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen geboren, onder wie de beide eiseressen in conventie. Dit huwelijk is ontbonden door echtscheiding.

2.3. De erflater is in voor hem tweede echt gehuwd geweest met [gedaagde]. Dit huwelijk is ontbonden door het overlijden van de erflater. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

2.4. De erflater en [gedaagde] hebben huwelijkse voorwaarden gemaakt en zijn daarin - kort gezegd – uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en een finaal verrekenbeding (verrekening als ware er gemeenschap van goederen met uitzondering van de aangebrachte inboedel) overeengekomen.

2.5. De erflater heeft bij zijn testament van 26 januari 2000 zijn kinderen [dochter A], [dochter B], [dochter C] en [zoon D] benoemd tot erfgenamen voor hun legitieme portie ten tijde van zijn overlijden, dat is voor 1/8e deel, zijn dochter [dochter E] voor 1/3e deel en [gedaagde] voor 1/6e deel.

2.6. In dit testament heeft de erflater verder een ouderlijke boedelverdeling gemaakt en daarbij aan [gedaagde] alle goederen van zijn nalatenschap toegedeeld onder de verplichting voor haar om alle schulden van de nalatenschap, de uitvaartkosten, de taxatie- en boedelkosten en de successierechten van de kinderen te voldoen. Zij dient voorts wegens overbedeling aan ieder van de kinderen een bedrag in contanten uit te keren gelijk aan de nominale waarde van het erfdeel van het betreffende kind, berekend in het saldo van de nalatenschap en verminderd met ieders aandeel in de hiervoor bedoelde kosten en rechten.

2.7. Deze ouderlijke boedelverdeling is in het testament onder B. opgenomen en wordt voorafgegaan door de volgende bepaling:

Tenzij mijn erfgenamen in onderling overleg binnen zes maanden na mijn overlijden bij notariële akte te kennen hebben gegeven een andere verdeling te wensen, maak ik (...) de verdeling van mijn nalatenschap als volgt (...)

Deze bepaling wordt hierna ook aangeduid als de tenzij-clausule.

2.8. De erflater heeft mede ter voldoening aan zijn natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van [gedaagde] bepaald dat deze vorderingen van de kinderen op [gedaagde] pas opeisbaar zijn bij haar overlijden en in een aantal hier niet ter zake doende gevallen. Deze bepaling wordt hierna kort aangeduid als de niet-opeisbaarheidsclausule. Ook is [gedaagde] over de vorderingen een enkelvoudige rente verschuldigd die gelijk is aan de wettelijke rente en die opeisbaar is bij overlijden van [gedaagde].

2.9. De erflater heeft [gedaagde] benoemd tot executeur en het executeursloon bepaald op ƒ 15.000,--.

2.10. [gedaagde] heeft als executeur aangifte voor het recht van successie in de nalatenschap van de erflater gedaan.

2.11. De door [eiseressen] ingeschakelde notaris (mr. Van der Wilt) heeft bij een brief van 27 november 2003 aan de door [gedaagde] ingeschakelde notaris

(mr. Rouweler) laten weten dat [eiseressen] een beroep doen op hun legitieme portie.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseressen] vorderen dat het de rechtbank behage bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om aan ieder van hen de aan hen toekomende legitieme portie, die zij hebben begroot op een bedrag van € 55.599,11, voor ieder van hen uit te betalen, zulks door inkorting op de door de erflater in zijn uiterste wil gedane makingen, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum van het overlijden van erflater (22 december 2001) tot aan de dag der algehele voldoening althans vanaf de dag der dagtekening van deze dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, althans [gedaagde] te veroordelen om aan ieder van hen de door de rechtbank in goede justitie vast te stellen legitieme portie uit te betalen, zulks door inkorting op de door de erflater in zijn uiterste wil gedane makingen te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum van het overlijden van erflater (22 december 2001) tot aan de dag der algehele voldoening althans vanaf de dag der dagtekening van deze dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

[eiseressen] leggen aan hun vordering ten grondslag dat de legitieme portie is geschonden door de niet-opeisbaarheidsclausule. De overbedeling van [gedaagde] dient niet te worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenis die niet voor inkorting vatbaar is. Sedert het overlijden van de erflater is [gedaagde] in een betere financiële positie komen te verkeren dan bij leven van de erflater. Het beloop van de legitieme portie moet worden berekend op € 55.599,11.

3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert het door [eiseressen] gevorderde integraal af te wijzen dan wel hen niet ontvankelijk te verklaren in hun vordering.

Zij voert daartoe onder meer het volgende aan.

De erflater heeft in zijn testament een vervalbeding opgenomen op grond waarvan de ouderlijke boedelverdeling vervalt, indien binnen zes maanden na zijn overlijden de erfgenamen bij notariële akte kenbaar hebben gemaakt een andere verdeling te wensen. Door het verstrijken van deze termijn zonder dat [eiseressen] daarbinnen hebben gereageerd, is de bevoegdheid van [eiseressen] zich te beroepen op hun legitieme portie van rechtswege teniet gegaan. In elk geval is een beroep op de legitieme portie, gedaan 23 respectievelijk 15 maanden na het overlijden, in strijd met de goede trouw.

Vergeleken met de welstand van [gedaagde] tijdens het huwelijk is zij er ernstig op achteruit gegaan. Bij voldoening van de vorderingen van [eiseressen] komt zij pas echt in een penibele situatie te verkeren, hetgeen de erflater juist met de ouderlijke boedelverdeling wilde voorkomen. Er is duidelijk sprake van een verzorgingsbehoefte van [gedaagde].

3.3. De overige stellingen van partijen worden hierna, voor zover van belang, nader besproken en beoordeeld.

in voorwaardelijke reconventie

3.4. Voor het geval beslist mocht worden dat [eiseressen] een beroep toekomt op hun legitieme portie vordert [gedaagde] dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bepaald wordt dat de hoogte van de aan [eiseressen] toekomende legitieme portie wordt begroot op een bedrag van € 3.444,11 aan ieder van hen uit te betalen, zulks door inkorting op de door de erflater in zijn uiterste wil gedane makingen, met veroordeling van [eiseressen] in de kosten van het geding.

3.5. [eiseressen] voeren verweer en concluderen dat [gedaagde] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar voorwaardelijke eis in reconventie, althans dat deze eis wordt afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten betreffende de procedure in reconventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

4.1. Vanwege hun onderlinge samenhang worden de vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie tegelijk besproken en beoordeeld.

toepasselijk recht

4.2. Op de beoordeling van dit geschil is het oude erfrecht zoals dat gold tot 1 januari 2003 van toepassing. Niet alleen is het testament onder het oude erfrecht gemaakt, ook de nalatenschap is onder het oude erfrecht opengevallen. Het overgangsrecht (artikel 128 lid 1 Overgangswet NBW) bepaalt dat legitimarissen hun bevoegdheden uitsluitend overeenkomstig het oude erfrecht kunnen uitoefenen, mits zij dat doen voordat sedert het overlijden van de erflater vijf jaren zijn verstreken. [eiseressen] hebben zich op 27 november 2003 op hun legitieme portie beroepen. Dat is binnen de gemelde termijn van vijf jaren na het overlijden (22 december 2001), zodat het recht zich op de legitieme portie te beroepen niet op deze grond is vervallen.

de tenzij-clausule/verweer dat beroep op legitieme in strijd met goede trouw is

4.3. Het verweer van [gedaagde] dat het recht van [eiseressen] om zich te kunnen beroepen op de legitieme portie is vervallen, wordt verworpen.

4.4. Dit verweer is deels gebaseerd op een naar het oordeel van de rechtbank onjuiste uitleg van de tenzij-clausule. Deze clausule maakt het voor de erfgenamen mogelijk in onderling overleg af te wijken van de ouderlijke boedelverdeling en wordt in de notariële praktijk vooral gebruikt met het oog op mogelijke belastingbesparing. De Hoge Raad (belastingkamer) heeft de tenzij-clausule in zijn arrest van 17 januari 1996 gesanctioneerd (BNB 1996,112). Vaststaat dat partijen van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt, maar dat betekent geenszins dat daarmee ook het recht zich te beroepen op de legitieme portie is vervallen. Noch de tekst van deze bepaling noch de strekking daarvan biedt enige grond voor een dergelijke uitleg. Daarbij komt dat de erflater door het maken van een ouderlijke boedelverdeling het recht van zijn kinderen op goederen uit zijn nalatenschap kan doorbreken, maar niet door een tenzij-clausule de bevoegdheid van zijn kinderen zich te beroepen op hun legitieme portie aan een vervaltermijn kan binden.

4.5. Voor zover het verweer is gebaseerd op de stelling dat [eiseressen] in strijd met de goede trouw handelen door pas 23 maanden na het overlijden van de erflater een beroep te doen op hun legitieme portie wordt overwogen dat [gedaagde] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die deze stelling onderbouwen of die kunnen leiden tot de slotsom dat er op dit punt aan de zijde van [eiseressen] sprake is van afstand van recht of van berusting in de niet-opeisbaarheidsclausule of van rechtsverwerking. Het enkele feit dat er na het overlijden van de erflater 23 maanden zijn verstreken alvorens [eiseressen] kenbaar hebben gemaakt zich te beroepen op hun legitieme portie is daarvoor niet voldoende. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] aan [eiseressen] een redelijke termijn zou hebben gegeven om te verklaren of zij zich wensen te beroepen op hun legitieme portie. Ten overvloede wordt overigens nog overwogen dat het hier toepasselijk oude recht voor een beroep op de legitieme portie geen vervaltermijnen, maar een verjaringstermijn van 30 jaar kende.

niet-opeisbaarheidsclausule en natuurlijke verbintenis

4.6. Met partijen wordt ervan uitgegaan dat de niet-opeisbaarheidsclausule met een beroep op de legitieme portie kan worden vernietigd, behoudens voor zover deze clausule is te beschouwen als nakoming van de natuurlijke verbintenis van de erflater tot verzorging en onderhoud van [gedaagde]. Het bestaan van een natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van de langstlevende echtgenoot is tussen partijen niet in geding. Hun debat spitst zich toe op de vraag of in het onderhavige geval verzorging en onderhoud van [gedaagde] ook nog zijn gewaarborgd als de niet-opeisbaarheidsclausule zou worden vernietigd en zij gehouden zou zijn de legitieme porties nu al uit te keren aan [eiseressen].

4.7. Voor de beantwoording van deze vraag is allereerst van belang wat onder verzorging en onderhoud moet worden verstaan, in het bijzonder wat de omvang van de verzorgingsplicht is. Op grond van artikel 6:3 lid 2 onder b BW moeten bestaan en omvang van een natuurlijke verbintenis als de onderhavige worden beoordeeld naar maatschappelijke opvattingen. Dit houdt in dat er een objectieve maatstaf moet worden aangelegd. De wet geeft voor het bepalen van deze omvang geen nadere concrete maatstaven.

4.8. Ook al is in het nieuwe erfrecht de niet-opeisbaarheid van de vordering van kinderen niet meer afhankelijk van de omvang van de verzorgingsplicht, bij de parlementaire behandeling van de regeling ten behoeve van langstlevende (boek 4 titel 3 afdeling 1 en 2 BW) zijn de maatschappelijke opvattingen op dit punt wel aan de orde gesteld. Deze komen er kort gezegd op neer dat de langstlevende het bestaande leefpatroon zo veel mogelijk moet kunnen voortzetten (Kamerstukken I 1998-1999, 17 141 nr. 21 p. 24 en nr. 120a, p. 3). In boek 4 titel 3 afdeling 2 zijn ten behoeve van de verzorging van de langslevende zogeheten verzorgingsvruchtgebruiken opgenomen. Het begrip verzorging in deze afdeling heeft blijkens de parlementaire geschiedenis een zeer beperkte omvang, omdat deze vruchtgebruiken ertoe strekken de langstlevende een vangnet te bieden als de verzorging anderszins niet is gewaarborgd (Kamerstukken II 1999-2000, 27 021 nr. 3, p. 10).

4.9. Kennelijk gaan beide partijen uit van een ruime opvatting van de omvang van de verzorgingsplicht, omdat zij beiden als ijkpunt nemen of [gedaagde] er bij uitkering van de legitieme porties in financieel opzicht op achteruitgaat ten opzichte van de situatie tijdens huwelijk.

4.10. Bij de beoordeling van de omvang van de verzorgingsplicht zal zoals hierboven is overwogen, dan ook gelden dat [gedaagde] zoveel mogelijk het tijdens huwelijk bestaande leefpatroon moet kunnen voortzetten.

4.11. Om te kunnen bepalen wat dit leefpatroon was en of [gedaagde] in staat is dit ook na overlijden van de erflater voort te zetten zijn in het bijzonder de inkomens- en vermogenspositie van [gedaagde] tijdens het huwelijk en na het overlijden van de erflater van belang. Daarnaast moeten ook andere omstandigheden die voor het leefpatroon relevant kunnen zijn, in de beoordeling worden betrokken. Te denken valt daarbij aan de leeftijd van [gedaagde] en de samenstelling van het huishouden waartoe zij behoort (alleenstaand of deel uitmakend van een groter huishouden).

4.12. Omdat deze inkomens- en vermogenspositie daardoor voor een groot deel worden beïnvloed zullen hierna de afwikkeling van het tussen [gedaagde] en de erflater gemaakte finale verrekenbeding, de samenstelling van de nalatenschap van de erflater en de omvang van de legitieme porties van [eiseressen] worden besproken en beoordeeld. Uitgangspunt vormen de beschrijvingen van de legitimaire massa en de correcties daarop die partijen naar aanleiding van de comparitie van 6 oktober 2005 hebben gemaakt. Uit deze beschrijvingen blijkt dat partijen het niet eens zijn over de waarde van de woning te [plaats], de inboedel, de schuld aan [dochter E], de boedelkosten, de inkomstenbelasting ter zake van de ontbinding van de B.V. en het executeursloon. Deze geschilpunten worden hierna besproken en beoordeeld.

waarde woning [adres en plaats]

4.13. Vaststaat dat de voormalige echtelijke woning aan [adres en plaats] is verkocht en op 1 augustus 2002 aan de koper is overgedragen voor een koopsom van € 753.275,15. [eiseressen] nemen deze koopsom als uitgangspunt bij de berekening van hun legitieme portie en brengen daarop met [gedaagde] de makelaarskosten voor de verkoop van € 18.112,11 in mindering. [gedaagde] gaat uit van de waarde in bewoonde staat van € 451.965,09 (dat is 60% van de koopsom). Uitgangspunt voor de waardering is de waarde in het economisch verkeer van de woning op het tijdstip van overlijden van de erflater. De rechtbank stelt deze waarde vast op € 753.275,15, omdat de woning ongeveer negen maanden na het overlijden van de erflater voor dit bedrag aan een derde is verkocht en overgedragen. Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat afwijking van dit uitgangspunt mogelijk is en dat redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een andere waarde dan de waarde in het economische verkeer wordt gehanteerd. Bij de waardering moet immers rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval of met de rechtssfeer waarbinnen de waardering plaatsvindt. Dat kan leiden tot een hogere of lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer. Nu is komen vast te staan dat de erflater al bij leven voornemens was de woning te verkopen en de woning binnen 9 maanden na het overlijden van de erflater is verkocht en overgedragen is er in dit geval geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die een dergelijke afwijking rechtvaardigen. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat voor het recht van successie tot 1 januari 2002 voor de echtelijke woning 60% van de waarde in vrij opleverbare staat mocht worden aangegeven, maar dat deze regel met ingang van 1 januari 2002 is vervallen.

inboedel

4.14. In de akte van huwelijkse voorwaarden is bepaald dat het finale verrekenbeding niet zal gelden ten aanzien van inboedel in de zin van artikel 3:5 BW die privé eigendom van een echtgenoot is en die is vermeld op de beschrijving die aan die akte is gehecht.

4.15 [eiseressen] hebben gesteld dat de inboedel hoofdzakelijk bestond uit goederen die de erflater ten huwelijk heeft aangebracht, dat de waarde blijkens taxatie € 25.765,60 bedraagt en dat deze geheel tot de legitimaire massa moet worden gerekend.

4.16. [gedaagde] heeft betwist dat de inboedel hoofdzakelijk aan de erflater toebehoorde. Zij heeft de staat van aanbrengsten en het taxatierapport alsnog overgelegd en geconcludeerd dat de aanbreng van [gedaagde] aanmerkelijk groter is dan die van de erflater, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het merendeel van de inboedel tot het eigen vermogen van [gedaagde] behoort en buiten de finale verrekening moet blijven.

4.17. [eiseressen] hebben vervolgens gesteld dat de auto's niet tot de inboedel in de zin van artikel 3:5 BW behoren en dat de in het taxatierapport opgenomen getaxeerde waarde daarvan ad € 13.475,60 tot het te verrekenen vermogen moeten worden gerekend. Zij hebben de waarde van de inboedelgoederen op € 12.290,-- gesteld en zich op praktische gronden bereid verklaard de helft daarvan of € 6.145,-- tot de legitimaire massa te rekenen.

4.18. Zonder nadere toelichting die ontbreekt kan niet worden beoordeeld welke inboedelgoederen die in het taxatierapport zijn vermeld tot het eigen vermogen van [gedaagde] of de erflater behoren, zodat wordt geoordeeld dat deze - op grond van artikel 1:131 lid 1 BW en artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden - worden geacht aan [gedaagde] en de erflater ieder voor de helft te behoren. Tussen partijen staat vast dat de waarde van de inboedel inclusief de auto's € 25.765,60 is, zodat dit bedrag bij het te verrekenen vermogen in aanmerking wordt genomen. [gedaagde] heeft verder nog gesteld dat de inboedel is verdeeld. [eiseressen] hebben dat betwist. Nu [gedaagde] heeft nagelaten te specificeren welke goederen aan [eiseressen] zijn toegedeeld en tegen welke waarde wordt aan haar stelling voorbijgegaan. Overigens wordt opgemerkt dat de erflater met de ouderlijke boedelverdeling alle goederen van zijn nalatenschap met inbegrip van (zijn aandeel in) de inboedel en de auto's aan [gedaagde] heeft toegedeeld, zodat er tussen [gedaagde] en [eiseressen] geen te verdelen gemeenschap heeft bestaan.

schuld aan [dochter E]

4.19. [gedaagde] rekent tot het te verrekenen vermogen een schuld van de erflater aan zijn dochter [dochter E] van € 90.000,-- en stelt ter onderbouwing daarvan het volgende. [dochter E] heeft een bedrag van € 90.756,-- aan haar vader toevertrouwd. Deze heeft dit geld door het doen van onjuiste beleggingen volledig verloren. Hij heeft aan [dochter E] erkend haar geld op onjuiste wijze te hebben belegd en heeft zijn aansprakelijkheid daarvoor uitdrukkelijk erkend in het bijzijn van [gedaagde] en haar zoon [gedaagde] [naam]. [gedaagde] heeft in dit verband de volgende stukken overgelegd:

- een brief van [dochter E] aan de erven [erflater] en ter attentie van [gedaagde] van 31 mei 2002 en haar ongedateerde antwoordbrief aan [dochter E] (productie 4 bij haar conclusie van antwoord teven eis in reconventie);

- een verklaring van [dochter E] en haar echtgenoot waarin zij stellen dat de erflater in september 2001 in aanwezigheid van [gedaagde] aan hen verslag heeft uitgebracht over de aan hem toevertrouwde gelden, heeft erkend dat door zijn handelen enorm verlies is ontstaan, zich aansprakelijk heeft gesteld voor ƒ 200.000,-- en heeft verzocht om dit na verkoop van de woning te mogen betalen (productie B bij haar akte uitlating tevens indiening producties);

- bankafschriften waaruit blijkt dat zij op 20 augustus 2002 een bedrag van

€ 90.900,-- op een rekening ten name van [dochter E] heeft overgemaakt (productie G bij haar akte uitlating producties tevens overlegging producties).

4.20. [eiseressen] hebben dit betwist en het volgende aangevoerd. Niet staat vast dat de erflater gelden van [dochter E] op een onjuiste en aan hem alleen toe te rekenen wijze heeft belegd. Een waardedaling kan zijn oorzaak ook vinden in een daling van de effectenmarkt. Evenmin staat vast dat de erflater zijn aansprakelijkheid heeft erkend. De overgelegde brieven zijn daarvoor niet voldoende. [gedaagde] heeft de aansprakelijkheid erkend zonder dat zij de erfgenamen en de legitimarissen daarvan op de hoogte heeft gesteld. Verondersteld wordt dat [gedaagde] door het opvoeren van deze schuld successierecht wilde besparen. Dat [gedaagde] een bedrag van € 90.900,-- aan [dochter E] heeft overgemaakt betekent niet dat er een verplichting tot schadevergoeding van de erflater aan haar bestond. Het is niet uitgesloten dat zij dit bedrag slechts bij [dochter E] heeft geparkeerd.

4.21. Geoordeeld wordt dat aan de stellingen van [gedaagde] op dit punt moet worden voorbijgegaan, alleen al omdat zij tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiseressen] heeft nagelaten aan hen en aan de rechtbank inzicht te geven in de beleggingen die de erflater met het aan hem toevertrouwde geld heeft gedaan en uit een te zetten op welke wijze en op welk tijdstip de door haar gestelde verliezen zijn ontstaan. Zij heeft evenmin onderbouwd op welke gronden de door haar gestelde verliezen aan de erflater moeten worden toegerekend. De stukken die zij in het geding heeft gebracht zijn daartoe onvoldoende. Zij bevatten geen concrete informatie over de aard van de beleggingen, de omvang van de schade en de toerekenbaarheid daarvan aan de erflater. Dat [gedaagde] een bedrag van € 90.900,-- op een rekening van [dochter E] heeft overgemaakt betekent nog niet het bestaan van een schuld van de erflater aan [dochter E] op de gestelde gronden. Nu [gedaagde] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd zal zij niet tot bewijs worden toegelaten. In de berekening van de legitimaire massa zal geen rekening worden gehouden met de gestelde schuld van € 90.000,--.

overige posten

4.22. Overeenkomstig de intentie van partijen zal de rechtbank de schulden van de erflater aan de zonen van [gedaagde] uit schuldigerkenning uit vrijgevigheid ten bedrage van € 41.456,-- tot het te verrekenen vermogen rekenen en de helft van het totaal van de schenkingen van de erflater van € 35.275,97 (1/2 x € 70.551,94) tot de legitimaire massa.

4.23. Met [gedaagde] wordt voor de berekening van de legitimaire massa rekening gehouden met boedelkosten. Deze kosten bedragen volgens [gedaagde] € 5.057,-- en zijn onderbouwd met de betreffende nota van notaris Rouweler. Gelet op de samenstelling van de nalatenschap en de verwikkelingen tussen de erfgenamen komt dit bedrag aan boedelkosten de rechtbank niet onredelijk voor.

4.24. [gedaagde] heeft in haar beschrijving van de legitimaire massa niet opgenomen een belastingschuld van circa € 30.000,-- en het executeursloon van € 7.363,40, zodat aan haar stellingen omtrent deze schulden in een eerder stadium van de procedure alleen al om die reden moet worden voorbijgegaan. Overigens geldt zowel naar oud al naar nieuw erfrecht dat het executeursloon niet in mindering strekt van de legitimaire massa. Het bestaan van een belastingschuld ten laste van de nalatenschap van circa € 30.000,-- is niet onderbouwd.

vaststelling te verrekenen vermogen en legitieme porties

4.25. Na beslechting van deze geschilpunten worden het te verrekenen vermogen, de legitimaire massa en de legitieme porties als volgt vastgesteld.

Te verrekenen vermogen

Goederen

[adres en plaats] € 753.275,15

Vordering IB/PV 2001 € 3.978,--

Effecten € 5.119,90

Rabobank [naam] [nummer] € 1.455,79

Rabobank [naam] [nummer] € 2.290,84

Postbank N.V. [nummer] € 2.016,74

Postbank N.V. [nummer] € 47,83

Contanten € 453,78

VEB Bottomline € 9.874,06

Aandelen [naam] B.V. € 0,00

Polis Stad Rotterdam nummer [nummer] € 2.257,--

Roerende zaken (inboedel en auto's) € 25.765,60

Totaal goederen € 806.534,69

Schulden

Justitieel incassobureau € 117,99

Belastingschuld [plaats] € 223,25

Diverse huishoudelijke schulden € 207,49

Makelaarscourtage woning [plaats] € 18.112,11

IB/PV 2001 € 771,--

Schulden aan zonen [gedaagde] (schenking) € 41.456,--

Totaal schulden € 60.887,84

Recapitulatie.

Saldo van het te verrekenen vermogen is: goederen -/- schulden = € 806.534,69 -/-

€ 60.887,84 = € 745.646,85. Het aandeel van de erflater hierin is de helft of

€ 372.823,42.

Legitimaire massa

goederen

Aandeel erflater in waarde te verrekenen vermogen € 372.823,42

Inbreng schenkingen in nalatenschap erflater € 35.275,97

Totaal goederen € 408.099,39

schulden

uitvaartkosten en kosten grafsteen € 7.638,50

boedelkosten € 5.057,--

totaal schulden € 12.695,50

Saldo legitimaire massa is: goederen -/- schulden = € 408.099,39 -/- € 12.695,50 =

€ 395.403,89.

De legitieme portie van ieder van [eiseressen] is 1/8 x € 395.403,89 of € 49.425,49.

4.26. Voor de bespreking en beoordeling van de vermogens- en inkomenspositie van [gedaagde] dienen de in de vorige overweging vastgestelde gegevens als uitgangspunt.

vermogenspositie [gedaagde] tijdens huwelijk

4.27. Blijkens de aangifte voor het recht van successie in de nalatenschap van de erflater behoorde het te verrekenen vermogen grotendeels toe aan de erflater. Het vermogen van [gedaagde] bestond ten tijde van het overlijden van de erflater uit haar aandeel in de bankrekeningen en effecten ten bedrage van ongeveer € 8.000,--, haar aandeel in de inboedel en de auto’s en een polis bij Stad Rotterdam met een waarde van € 2.257,--. Uit de stellingen van partijen en uit de aangiften inkomstenbelasting 2001 van de erflater (productie 5 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie) en [gedaagde] (productie 3 bij deze conclusie) blijkt dat in het jaar 2001 nog tijdens huwelijk en voor het overlijden van de erflater diens vermogen en daarmee de welstand van hem en [gedaagde] aanmerkelijk is gedaald. Uit de balans en winst- en verliesrekening over 2002 van [naam] B.V. (productie 6 bij de laatstgemelde conclusie), waarvan de aandelen tot het eigen vermogen van [gedaagde] behoorden, blijkt een zodanig negatief resultaat over zowel 2001 als 2002 dat al voor het overlijden van de erflater duidelijk moet zijn geweest dat voor de welstand van partijen niet meer gerekend mocht worden op het vermogen dat de aandelen vertegenwoordigden of op inkomsten uit deze B.V. in de vorm van loon of pensioen.

vermogenspositie [gedaagde] na overlijden erflater

4.28. Ten gevolge van het overlijden van de erflater heeft [gedaagde] door de toepasselijkheid van het finale verrekenbeding en de ouderlijke boedelverdeling in beginsel de beschikking gekregen over het gehele te verrekenen vermogen. Het saldo van dit vermogen bedraagt als hiervoor vastgesteld € 745.646,85. Indien daarop de inboedel en de auto’s in mindering worden gebracht en daarvan de uitvaartkosten en de boedelkosten zijn voldaan resteert een bedrag van € 707.185,75. Door de verkoop van de woning aan [adres en plaats] is dit vermogen praktisch geheel liquide gemaakt. Tussen partijen is komen vast te staan dat [gedaagde] een nieuwe woning heeft gekocht aan [adres en plaats] en dat zij de koopsom en kosten van ongeveer € 285.000,-- heeft voldaan met een hypothecaire geldlening van € 125.000,-- en eigen geld van € 160.000,-- (zoals gesteld door [eiseressen]) of € 164.465 (zoals gesteld door [gedaagde]). Na deze transactie kan zij beschikken over een vermogen dat bestaat uit de woning aan [adres], de gehele inboedel met auto’s, en liquide middelen ter grootte van ongeveer

€ 545.000,--. Op grond van wat is overwogen in 4.19. - 4.21 wordt geen rekening gehouden met een schuld aan [dochter E] en betaling daarvan ten laste van dit vermogen.

vermogenspositie [gedaagde] na overlijden erflater en uitkering erfdelen aan [eiseressen]

4.29. Op grond van de ouderlijke boedelverdeling heeft [gedaagde] schulden aan ieder van [eiseressen] ([dochter A] en [dochter B]) van € 49.425,49. Zij heeft verder op grond van de ouderlijke boedelverdeling ook schulden aan [dochter C], [zoon D] en [dochter E] [naam]. Deze kinderen zijn noch in de procedure in conventie noch in reconventie betrokken. Gesteld noch gebleken is dat dezen zijn overgegaan tot of zullen overgaan tot opeising van hun erfdeel. Na betaling van de erfdelen aan [eiseressen] zou voor [gedaagde] wat haar liquide middelen betreft een vermogen resteren van ongeveer € 445.000,--.

inkomenspositie [gedaagde] tijdens huwelijk

4.30. Voor het inkomen van [gedaagde] en haar echtgenoot in het jaar 2001 wordt te rade gegaan bij de gemelde aangiften inkomstenbelasting over 2001. De bruto-inkomsten (alle uit vroegere dienstbetrekking) van de erflater bestonden uit

- € 20.431,-- van Arnolida (overigens niet vermeld in de jaarrekening 2001 van deze B.V.),

- € 7.293,-- van SVB (kennelijk AOW), en

- € 288,-- (RVS).

De bruto-inkomsten van [gedaagde] bedroegen:

- € 12.294,-- (tegenwoordige dienstbetrekking Arnolida), en

- € 8.371,-- (vroegere dienstbetrekking ABP).

Op grond van wat onder 4.27. is overwogen moet het ervoor worden gehouden dat nog tijdens het leven van de erflater duidelijk is geworden dat voor de toekomst niet meer mocht worden gerekend met inkomsten uit de B.V.

4.31. [gedaagde] heeft over haar inkomenspositie na het overlijden van de erflater in diverse processtukken sterk wisselende stellingen geponeerd. In de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie stelt zij dat haar inkomen over 2005 op maandbasis bestaat uit een pensioen van ABP van € 422,36, een weduwepensioen van SVB van € 990,31 en vakantiegeld van SVB van € 56,60. In totaal levert dit per maand een brutobedrag van € 1.468,67 op. In haar pleitnotitie becijfert zij haar bruto-inkomsten per maand echter op € 1.123,--, bestaande uit WAO en een klein weduwepensioen. Nu [gedaagde] op 5 augustus 2005 65 jaar is geworden wordt ervan uitgegaan dat met WAO, AOW wordt bedoeld. In productie C bij de akte van [gedaagde] van 28 december 2005 worden de bruto-inkomsten over de jaren 2001-2004 gesteld op € 8.568,--. Geen van deze stellingen is onderbouwd met bescheiden.

4.32. Alvorens wordt overgegaan tot een nadere bespreking en beoordeling van de inkomenspositie van [gedaagde] na het overlijden van de erflater en de beantwoording van de vraag of [gedaagde] mede gelet op haar vermogens- en inkomenspositie tijdens huwelijk en na overlijden van de erflater ook na uitkering van de erfdelen aan [eiseressen] in staat is haar leefpatroon tijdens huwelijk voort te zetten, wordt van [gedaagde] verlangd dat zij alsnog een deugdelijk overzicht van haar inkomsten, ook die uit vermogen, over de jaren 2002 tot en met 2006 overlegt en deze onderbouwt met de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over deze jaren, voor zover gedaan, en andere justificatoire bescheiden. De zaak zal naar de rol worden verwezen om [gedaagde] de gelegenheid te bieden deze stukken bij akte over te leggen. [eiseressen] mogen daarna bij antwoordakte reageren op het overgelegde overzicht, de aangiften en aanslagen en de andere bescheiden.

4.33. Iedere nadere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. draagt [gedaagde] op bij akte de in rechtsoverweging 4.32 gemelde stukken over te leggen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 3 januari 2007 ambtshalve peremptoir;

5.2. bepaalt dat [eiseressen] in de gelegenheid zullen worden gesteld op deze akte bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere nadere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Lieber en in het openbaar uitgesproken op

6 december 2006.?