Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ5992

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
06/580323-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van een minderjarige ongegrond.

Artikelen 3, eerste lid en 40, eerste lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: Verdrag) zijn dusdanig algemeen geformuleerd dat zij geen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter rechtstreeks toegepast kunnen worden. Het beroep van de minderjarige veroordeelde op het Verdrag kan niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf – meervoudige raadkamer voor strafzaken

parketnummer: 06/580323-05

BVS-nummer: 06/400

De rechtbank heeft te beslissen op een op 16 november 2006 ter griffie ingekomen bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft de processtukken bezien. Het bezwaarschrift is behandeld door de raadkamer op 1 december 2006. Van deze behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

Motivering

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen en het verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.

Op 1 november 2006 is bij de veroordeelde celmateriaal afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek.

Nu het bezwaarschrift na ommekomst van de in artikel 7 van de Wet vermelde termijn van veertien dagen na de dag waarop het celmateriaal is afgenomen, bij de griffie is ingekomen, rijst de vraag of de veroordeelde in zijn bezwaar ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat in een zaak als deze artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ingevolge waarvan een bezwaarschrift dat per post is verzonden tijdig is ingediend als het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, voor analoge toepassing in aanmerking komt. De veroordeelde heeft zijn bezwaarschrift blijkens de poststempel op 14 november 2006 en derhalve vóór het einde van de bezwaartermijn ter post bezorgd, terwijl het bezwaarschrift binnen een week na afloop van de termijn is ingekomen. Het bezwaarschrift is bijgevolg tijdig ingediend en de veroordeelde is ontvankelijk in zijn bezwaar.

De afname van celmateriaal is door de officier van justitie bevolen naar aanleiding van een vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 18 januari 2006, waarbij de veroordeelde voor openlijke geweldpleging tegen personen, meermalen gepleegd, is veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie bij zijn bevel tot afname van celmateriaal van de veroordeelde heeft voldaan aan de vereisten van artikel 2, eerste lid, in verbinding met artikel 8 van de Wet.

Door en namens de veroordeelde is betoogd dat veroordeelde nog minderjarig is, dat er geen sprake is van gevaar voor recidive en dat hij zich door de afname van celmateriaal een crimineel voelt, terwijl hij zichzelf niet als zodanig beschouwt. Ter terechtzitting is tevens een beroep gedaan op het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 170; hierna: het Verdrag).

In hetgeen de veroordeelde heeft aangevoerd kan géén aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat één van de limitatief in artikel 2, eerste lid, van de Wet opgesomde uitzonderingen op de verplichting van de officier van justitie om te bevelen dat celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, zich hier voordoet.

Het Verdrag kan slechts aan de toepasselijkheid van de Wet in de weg staan als sprake is van de rechtstreekse werking van één of meer relevante bepalingen van het Verdrag. Voor de beantwoording van de vraag of een verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft, zijn de aard, de inhoud en de strekking van de bepaling, alsmede de bewoordingen waarin de bepaling is gesteld, van belang. Daarnaast kan de bedoeling van de nationale wetgever bij de totstandkoming van goedkeuringswetgeving een richtsnoer zijn en is van belang of bij de totstandkoming van het verdrag onder ogen is gezien of een bepaald artikel rechtstreekse werking heeft.

Veroordeelde heeft niet concreet aangegeven welke bepalingen van het Verdrag aan het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel in de weg zouden staan. Bepalingen waarop in een geval als dit wel een beroep wordt gedaan, zijn artikel 3, eerste lid, en artikel 40, eerste lid, van het Verdrag.

Artikel 3, eerste lid, van het Verdrag luidt: ‘Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging’.

Artikel 40, eerste lid, van het Verdrag luidt: ‘De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld ter zake van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving’.

Naar het oordeel van de rechtbank moet voor beide verdragsbepalingen gelden dat zij dusdanig algemeen zijn geformuleerd dat zij geen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter rechtstreeks kunnen worden toegepast. Van belang hierbij is tevens dat volgens de parlementaire geschiedenis van de Goedkeuringsrijkswet Verdrag inzake de rechten van het kind (Stb. 1994, 862) bij de totstandkoming van het Verdrag de vraag of bepaalde artikelen uit het Verdrag rechtstreekse werking hebben, niet aan de orde is geweest. Niettemin zou volgens de wetgever een aantal bepalingen rechtstreekse werking kunnen hebben, maar niet de artikelen 3, eerste lid, en 40, eerste lid, van het Verdrag (zie: TK 1993-1994, 22 855 (R 1451), nr. 3, p. 9; TK 1993-1994, 22 855 (R 1451), nr. 6, p. 9; en EK 1994-1995, 22 855 (R 1451), nr. 22a, p. 4-5). Het beroep op het Verdrag kan derhalve niet slagen.

De rechtbank overweegt nog dat haar niet is gebleken van andere voor de onderhavige materie relevante en rechtstreeks werkende verdragsbepalingen alsmede dat naar haar oordeel door het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van een minderjarige veroordeelde geen afbreuk wordt gedaan aan diens specifieke en gerechtvaardigde belangen, gelet op de wijze waarop de wetgever heeft vormgegeven aan de regelgeving inzake de bepaling en verwerking van DNA-profielen en gelet op de inrichting en het gebruik van de (niet openbare) DNA-databank voor strafzaken.

Beslist moet daarom worden als na te melden.

Beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Lookeren Campagne, voorzitter, en mrs. Van Harreveld en Lucassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.