Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ5330

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-12-2006
Datum publicatie
29-12-2006
Zaaknummer
82627 - KG ZA 06-343
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

ZUTPHENSE CARDIOLOGEN MOETEN PRATEN

De twee Zutphense cardiologen Tans en Al Windy zijn op 29 december 2006 door voorzieningenrechter mr G. Vrieze te Zutphen veroordeeld om verder te praten met hun door een spierziekte getroffen collega Westendorp. Op grond dat Westendorp al meer dan een jaar grotendeels arbeidsongeschikt was en lichaamskracht vereisende handelingen, hartcatheterisaties en pacemaker-installaties niet meer kon verrichten, hadden zijn twee collega’s geconstateerd dat hun maatschap per 1 januari a.s. automatisch ontbonden was. Maar volgens de voorzieningenrechter verplicht hun contract hen ook om eerst serieus te onderzoeken wat Westendorp dan nog wel kan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2007/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 82627 / KG ZA 06-343

Vonnis in kort geding van 29 december 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. M.E.F. Bots te Utrecht,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Zutphen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.H. Hubben te Arnhem.

Partijen zullen hierna mede [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. In de stukken heten ze ook Jaap, Fred respectievelijk Nadia.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[Eiser] is sinds 1984 als cardioloog verbonden aan (de rechtsvoorganger van) de Stichting Gelre Ziekenhuizen (hierna: het ziekenhuis). Hij heeft daartoe een toelatingsovereenkomst met het ziekenhuis gesloten.

Artikel 16 van de toelatingsovereenkomst bepaalt:

“ 16.1 De medisch specialist zal met zijn collega-medisch specialisten van hetzelfde moeder en / of deelspecialisme samenwerken, bij voorkeur in de vorm van een schriftelijke maatschapovereenkomst dan wel in een andere vorm van een schriftelijk overeengekomen samenwerkingsverband.

(...)”

Artikel 24 van de toelatingsovereenkomst vermeldt:

“ 24.1 Opzegging van deze overeenkomst door de stichting zal slechts plaatsvinden op grond van gewichtige redenen van zodanig klemmende aard, dat redelijkerwijs van de stichting niet gevergd kan worden deze overeenkomst te continueren, welke redenen o.a. aanwezig worden geacht:

(...)

b. wanneer de medisch specialist niet of niet meer de bekwaamheid of de geschiktheid blijkt te bezitten om zijn praktijk uit te oefenen of voort te zetten.

c. wanneer de medisch specialist ten gevolge van ziekte, geestelijke stoornis of invaliditeit gedurende meer dan één jaar zijn werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten en de medisch specialist niet aannemelijk maakt, dat herstel alsnog binnen één jaar redelijkerwijs te verwachten is;

d. (...)

24.2. De opzegging als bedoeld in het vorige lid zal bij aangetekend schrijven moeten geschieden met vermelding van de gronden waarop zij berust, terwijl bij deze opzegging een termijn in acht zal worden genomen van zes maanden, tenzij een dringende de medisch specialist onverwijld mede te delen reden de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.

24.3. Tot opzegging gaat het bestuur niet over dan nadat de medisch specialist, de maatschap of het samenwerkingsverband waarvan de medisch specialist deel uitmaakt en het stafbestuur zijn gehoord.

(..)”

2.2. Op 1 april 1984 was [eiser] al een maatschap aangegaan met cardioloog [gedaagde 1]. Op 1 juli 2001 heeft cardioloog [gedaagde 2] zich bij voornoemde maatschap aangesloten.

De maatschapsovereenkomst bevat – voor zover van belang – onder meer de navolgende artikelen:

Artikel 17

1. Wanneer één der partijen door arbeidsongeschiktheid langer dan dertig dagen, geheel of gedeeltelijk, in totaal per verstreken periode van driehonderdvijfenzestig dagen niet in staat is geweest de praktijk uit te oefenen, zullen de andere partijen gerechtigd zijn een waarnemer aan te stellen. (...)

3. In geval van blijvende arbeidsongeschiktheid van minder dan 50%, op basis van de door de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van de betreffende partij gehanteerde regels, verplichten partijen zich te streven naar een regeling, welke de partieel arbeidsongeschikte partij in staat stelt de praktijkoefening, in volle omvang of voor een gedeelte, te blijven voortzetten in maatschapsverband dan wel in een ander samenwerkingsverband, tegen alsdan te bepalen voorwaarden.

Artikel 18

De maatschap wordt ontbonden:

(...)

8. op het moment, dat aan één der partijen definitief de toelating tot het ziekenhuis is ontzegd;

9. op de dag waarop één der partijen binnen een periode van vijfhonderdzevenenveertig aaneengesloten dagen tenminste driehonderdvijfenzestig dagen geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest. (...)”

2.3. Medio 2005 is na onderzoek gebleken dat [eiser] lijdt aan Chronische Inflammatoire Demyeliniserende Polyneuropathie (CIDP). Een van de symptomen van de ziekte is dat er krachtverlies in de handen, voeten, onderarmen en onderbenen optreedt.

2.4. Tot eind december 2005 is [eiser] volledig blijven werken. Wel heeft vanaf medio 2005 een verschuiving van de werkzaamheden plaatsgevonden omdat [eiser] geen hartcatheterisaties meer kon uitvoeren.

2.5. Eind december 2005 heeft [eiser] (tijdelijk) zijn werkzaamheden moeten neerleggen. Met ingang van 9 januari 2006 heeft [eiser] zijn werkzaamheden weer voor de helft hervat. Voor de resterende twee dagen heeft [eiser] een waarnemer aangesteld. Op 1 november 2006 is hij voor 62,5 % gaan werken.

2.6. In overleg met de voorzitter van het bestuur van de medische staf, alsook met de heer Imkamp, lid van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis, waren al in maart / april 2006 afspraken gemaakt over de toekomstige participatie van [eiser] in de maatschap voor 50 % alsmede een uitbreiding van de maatschap met 0,5 fte. Op 21 juni 2006 zijn deze afspraken aan [gedaagde 2], Imkamp en Goessens bevestigd.

2.7. Bij mailbericht van 29 augustus 2006 heeft [gedaagde 1] [eiser] bevestigd dat hij en [gedaagde 2] akkoord gaan met de afspraken, die in overleg met de stafraad en de Raad van Bestuur van het ziekenhuis gemaakt zijn omtrent de verdeling van de fte’s.

2.8. Bij brief van 11 oktober 2006 heeft de advocaat van gedaagden [eiser] het navolgende meegedeeld:

“In de loop van december 2005 heeft u zich partieel arbeidsongeschikt gemeld. U heeft vervolgens aan de beide andere maatschapsleden medegedeeld dat de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar uw arbeidsongeschiktheid heeft op bepaald op 50%. Sindsdien werkt u 50%.

Tegen de achtergrond van het bovenstaande stellen cliënten zich op het standpunt dat, gezien het bepaalde in art. 18, lid 9, van de maatschapsovereenkomst, de maatschapsovereenkomst per 31 december 2006 van rechtswege een einde neemt. Mijn cliënten zullen dan ook de nodige voorbereidingen treffen teneinde tijdig te komen tot een afwikkeling van de maatschap.

Tevens breng ik u onder uw aandacht dat mijn cliënten het, op basis van herhaalde signalen omtrent uw beroepsuitoefening, geboden achten dat voor de resterende periode tot 31 december 2006 nadere afspraken met u worden gemaakt over uw taakuitoefening. Mij dunkt dat het voor de hand ligt dat bij dit gesprek ook de Raad van Bestuur van het ziekenhuis wordt betrokken. Een uitnodiging voor dit gesprek kunt u spoedig tegemoet zien. “

2.9. Vanaf 1 november 2006 ontvangt [eiser] een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van 45 % arbeidsongeschiktheid.

2.10. Bij brief van 10 november 2006 heeft de heer Imkamp, lid van de Raad van Bestuur, [eiser] het navolgende bericht:

“(...)

In deze brief wordt een gesprek met u aangekondigd om te bespreken welke activiteiten door u in de tussenliggende tijd tot eind december op verantwoorde wijze vervul(d) kunnen worden. Ik heb begrepen dat dit gesprek tot op heden nog niet heeft plaatsgevonden. Ik zal hiertoe op korte termijn een afspraak laten plannen waarbij behalve ondergetekende ook de heer F. [gedaagde 1] aanwezig zal zijn.”

2.11. Bij brief van 16 november 2006 heeft mr. J.H. Hubben, de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], gereageerd op de brief van mr. P.A. Hanrath, de gemachtigde van [eiser], van 25 oktober 2006. In deze brief staat onder meer het navolgende vermeld:

“(...)

U beroept zich daarbij allereerst erop dat afspraken zouden zijn gemaakt met mijn cliënten over “toekomstige participatie van 50 % in de maatschap” door uw cliënt. Mijn cliënten betwisten het bestaan van dergelijke afspraken. Voor zover in de afgelopen periode mijn cliënten hebben meegewerkt aan het feit dat uw cliënt op basis van 50 % zijn werkzaamheden als lid van de maatschap heeft vervuld, hebben cliënten daarmee op geen enkele wijze hun rechten op basis van art. 18, lid 9 prijsgegeven.

Voorts beroept u zich op art. 17, lid 3 van de maatschapsovereenkomst en stelt u dat cliënten geheel aan deze bepaling voorbij zijn gegaan. Het tegendeel is waar. Sinds het moment dat uw cliënt mededeling heeft gedaan van het feit dat hij lijdt aan een chronische vorm van neuropathie op basis van een auto-immuunziekte hebben cliënten gestreefd naar een regeling zoals bedoeld in art. 17, lid 3. Geleidelijk is cliënten ook uit eigen waarneming duidelijk geworden dat het hier gaat om een blijvende vorm van arbeidsongeschiktheid. Cliënten hebben moeten vaststellen dat een regeling als bedoeld in art. 17 lid 3 niet realiseerbaar is op een wijze die cliënten, gemeten naar de medisch-professionele standaard en uit oogpunt van patiëntveiligheid nog langer verantwoord achten.“

2.12. Op 30 november 2006 heeft er een gesprek tussen [eiser] en de heer Imkamp plaatsgevonden. De advocaat van [eiser], mr. M.E.F. Bots, was ook bij dit gesprek aanwezig. Hoewel [gedaagde 1] ook uitgenodigd was voor het gesprek, heeft hij zich laten verontschuldigen. Bij dat gesprek heeft het ziekenhuis [eiser] meegedeeld, het mede uit een oogpunt van patiëntveiligheid niet langer verantwoord te achten dat hij nog langer nacht- en spoeddiensten verricht. Dit is bevestigd bij brief van 5 december 2006.

2.13. Op 6 december 2006 heeft de heer Imkamp een brief gezonden aan [eiser] met de navolgende inhoud.

‘(...)

Tegen de achtergrond van het bovenstaande heeft het ziekenhuis het voornemen om de toelatingsovereenkomst met u tegen 31 december 2006, althans tegen de vroegst mogelijke datum, op te zeggen. Naar het oordeel van het ziekenhuis is sprake van gewichtige redenen van zodanig klemmende aard, dat redelijkerwijs van het ziekenhuis niet gevergd kan worden deze overeenkomst te continueren.

Gezien het bepaald in de toelatingsovereenkomst wordt u in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van dit voornemen te worden gehoord. (...)”

2.14 Bij brief van 8 december 2006 heeft [eiser], via zijn advocaat mr. M.E.F. Bots, bezwaar gemaakt tegen deze brief van de heer Imkamp van 5 december 2006.

2.15. Onder verwijzing naar hun gesprek van 12 december 2006 heeft de heer Imkamp [eiser] bij brief van 15 december 2006 bericht dat het ziekenhuis heeft besloten om de tussen hen gesloten toelatingsovereenkomst op te zeggen.

Na de constatering dat [eiser] na 31 december 2006 niet meer over het in artikel 16 van de toelatingsovereenkomst vereiste samenwerkingsverband beschikt constateert het ziekenhuis in deze brief dat [eiser] “ niet langer over de bekwaamheid beschikt om (zijn) functie als cardioloog als bedoeld in de toelatingsovereenkomst uit te oefenen “.

Het geschil

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

[Gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal bevelen de maatschapsovereenkomst tussen partijen ook ná 31 december 2006 na te leven, in die zin dat zij aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen en specifiek de verplichting ex artikel 17 lid 3 uitvoering geven door [eiser] een regeling aan te bieden, althans met [eiser] een regeling te treffen waardoor [eiser] in staat wordt gesteld de praktijkuitoefening als cardioloog in het ziekenhuis te blijven voortzetten, in elk geval totdat arbiters met inachtneming van hetgeen in artikel 23 van de maatschapsovereenkomst is gesteld in een bodemzaak hebben beslecht; en:

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van een dwangsom van € 1.000,-- per dag - elk resterend gedeelte van de dag daaronder mede begrepen – dat zij nalaten aan dit vonnis te voldoen, alsmede [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal veroordelen in de kosten van het geding, waaronder inbegrepen de kosten van de procureur en de nakosten ad. € 131,--, met bepaling dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf twee weken na dagtekening van dit vonnis.

3.2. De voorzieningenrechter verstaat deze vordering aldus dat het algemene bevel tot naleving van de maatschapsovereenkomst stoelt op de stelling dat afspraken zijn gemaakt over een aan de 50 % arbeidsongeschiktheid van [eiser] aangepaste werkverdeling, terwijl het specifieke bevel tot naleving van de verplichting uit hoofde van artikel 17 lid 3 van de maatschapsovereenkomst berust op de stelling dat voor het geval dat deze arbeidsongeschiktheid minder dan 50 % zou zijn - zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beweren - dit artikellid verplicht tot het streven naar een aan die geringe arbeidsongeschiktheid aangepaste regeling. Het daarvoor vereiste overleg heeft niet plaatsgevonden, wat de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van artikel 18 aanhef en onder 8 van de maatschapsovereenkomst ingeroepen ontbinding met ingang van 31 december 2006 prematuur maakt en in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus [eiser].

3.3. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

[Eiser] voert allereerst aan dat het beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op het bepaalde in artikel 18 aanhef en onder 9 van de maatschapsovereenkomst in strijd is met de afspraken zoals die medio 2006 door partijen zijn gemaakt omtrent de toekomstige participatie van [eiser] in de maatschap voor 50 %. Hij stelt dat hij, sedert het moment dat geconstateerd is dat hij aan CIDP lijdt, heel open is geweest jegens zijn maten over zijn ziekte en verloop daarvan. [eiser] heeft op enig moment onder ogen gezien dat hij bepaalde werkzaamheden, die een cardioloog behoort te verrichten, niet meer kon uitvoeren waardoor er op zijn initiatief een verschuiving van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden.

In dat kader heeft [eiser] ook aan de orde gesteld dat hij op den duur wellicht minder zou gaan werken. Dit heeft ertoe geleid dat er, in overleg met de voorzitter van het bestuur van de medische staf alsook met de Raad van het Bestuur van het ziekenhuis, afspraken zijn gemaakt over de toekomstige participatie van [eiser] in de maatschap voor 50 % alsmede een uitbreiding van de maatschap met 0,5 fte.

Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [eiser] naar het mailbericht van [gedaagde 1] van 29 augustus 2006, waarin het navolgende staat vermeld:

“Jaap, in onderling overleg (o.a. stafraad, RvB, toelatingsnorm) is besloten direct te proberen 2 cardiologen te werven. Uitgaande van 3,5 FTE zal voorlopig de verdeling zijn:

x 0,75 + 1 x 0,5. Nadia en ik gaan hiermee akkoord. Groet, Fred.”

4.2. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat partijen afspraken hebben gemaakt over de participatie van [eiser] in de maatschap voor 50 %. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat er, gezien het aanvankelijk nog onzekere verloop van de ziekte, gedurende enige tijd in voorlopige termen gesproken is over de inzet van [eiser] voor 50 %.

Ter onderbouwing van hun verweer verwijzen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar het hiervoor geciteerde mailbericht van 29 augustus 2006, waaruit onmiskenbaar uit de onderstreping van het woord voorlopig blijkt dat het om een tijdelijke verdeling ging.

[Gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verder nog aan dat zij door ziekte in voormelde periode niet in staat waren om werkzaamheden te verrichten zodat de inschakeling van [eiser] noodzakelijk was.

4.3. Dit verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] treft doel. [eiser] kan niet met succes een beroep doen op de tussen partijen gemaakte afspraken omtrent de verdeling van de fte’s nu uit de gedingstukken onmiskenbaar blijkt dat het een voorlopige verdeling betrof. Voorts is door [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat partijen anderszins bindende afspraken omtrent de gedeelde participatie van [eiser] in de maatschap hebben gemaakt. Dit leidt tot afwijzing van het algemene bevel tot naleving van de maatschapsovereenkomst met in achtneming van beweerdelijk gemaakte afspraken.

4.4. Toewijzing van het vervolgens gevorderde meer specifieke bevel tot naleving van artikel 17 lid 3 van de maatschapsovereenkomst staat of valt met het antwoord op de vraag of gedaagden die maatschapsovereenkomst voldoende hebben nageleefd, in zoverre als het gaat om overleg over de wijze waarop [eiser] zijn werkzaamheden in maatschapsverband kan continueren ondanks zijn ziekte. Opvallend is daarbij dat de focus meer gericht is geweest op wat hij niet meer kan dan op wat hij nog wel kan.

[Eiser] voert aan dat het beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op artikel 18 aanhef en onder 9 van de maatschapsovereenkomst prematuur en in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Hij stelt dat op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] krachtens artikel 17 lid 3 van de maatschapsovereenkomst een verplichting rust om te streven naar een regeling die hem in staat stelt om zijn praktijkuitoefening in volle omgang of voor een gedeelte in maatschapsverband voort te zetten. Ondanks dat [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] herhaaldelijk heeft verzocht om met elkander hierover in gesprek te gaan, hebben zij aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat ook [eiser] er kennelijk van uitgaat dat deze plicht berust op de geringe mate van arbeidsongeschiktheid ( in zijn geval minder dan 50 %) en niet op de mate van arbeidsparticipatie, volgens hem nu 62,5 %.

4.5. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] brengen hiertegen in dat zij wel degelijk gestreefd hebben naar een regeling zoals bedoeld in artikel 17 lid 3 van de maatschapsovereenkomst, doch dat die niet realiseerbaar zou zijn op een wijze die zij gemeten naar de medisch-professionele standaard en uit oogpunt van patiëntveiligheid nog langer verantwoord achten. Zij stellen dat [eiser] een aantal voor zijn beroepsuitoefening als cardioloog essentiële handelingen niet meer op verantwoorde wijze kan verrichten, waardoor hij niet in staat is om de functie van cardioloog in volle omvang uit te oefenen. Dientengevolge komt er een onevenredige druk op de andere cardiologen te rusten hetgeen ongewenst en onverantwoord is. Ter onderbouwing van hun stelling verwijzen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar een brief van 13 december 2006 van dr. J.P.M. Saelman, cardioloog, waarin hij verslag doet van zijn bevindingen ten tijde van waarneming in de maatschap maar waaruit overigens niet blijkt dat hij [eiser] zelf heeft meegemaakt. Daarin stelt hij onder meer:

“Concluderend komt het erop neer dat het voortzetten van een parttime en ongelijkwaardige werksituatie, samengaand met de ernstige fysieke beperkingen die aanwezig zijn (zodat) als gevolg daarvan de essentiële cardiologische werkzaamheden in de perifere cardiologische praktijk overdag en in de diensten onmogelijk kunnen worden uitgevoerd, ongewenst en onverantwoord is. Tevens zal ten opzichte van de overige maatschapsleden nooit een evenredige werkverdeling kunnen ontstaan en bestaan, hetgeen de overige leden te zwaar en onwerkbaar belast, en in de kleine perifere praktijk nooit gecompenseerd zal kunnen worden. (...)”

4.6. Hoewel [eiser] erkent dat hij ten gevolge van zijn lichamelijke beperkingen geen pacemakerimplantaties en hartcatheterisaties meer kan uitvoeren, hoeft dat nog niet te betekenen dat de overige werkzaamheden die een cardioloog dient te verrichten – het geven van consulten, het stellen van diagnoses, het visites lopen bij patiënten, het geven van nazorg en het verrichten van poliklinische werkzaamheden – niet door [eiser] (parttime) zouden kunnen worden verricht. Weliswaar hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2], onder verwijzing naar onder meer de voormelde brief van dr. J.P.M. Saelman, aangevoerd dat [eiser] in zijn algemeenheid niet langer de bekwaamheid heeft om het vak van cardioloog uit te oefenen, maar [eiser] heeft dat gemotiveerd weersproken onder verwijzing naar een adviesrapport van dr. A.J.F. Küpper, cardioloog, van 12 december 2006. In die rapportage heeft dr. A.J.F. Küpper, die regelmatig optreedt als visitator en [eiser] persoonlijk heeft meegemaakt tijdens het visite lopen gedurende meer dan een uur op 11 december 2006, het navolgende geconcludeerd:

“ Naar aanleiding van het gesprek en de ronde die ik met hem heb gelopen op mijn eigen afdeling, acht ik:

Dat de [eiser] – met inachtneming van zijn arbeidsongeschiktheid – op dit moment geschikt is om de werkzaamheden als cardioloog te verrichten in een samenwerkingsverband, gemeten naar de medische professionele standaard en uit oogpunt van patiëntveiligheid.

Het betreft dan de volgende werkzaamheden:

- het doen van de polikliniek op een voor de maatschap gebruikelijke wijze.

- het lopen van viste op verpleegafdeling en hartbewaking.

- het verrichten van klinische consulten.

- het in spoedgevallen maken van een transthoracaal echocardiogram.

(...)”

4.7. De stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] komt niet aannemelijker voor dan de stelling van [eiser] zodat het er voorshands voor moet worden gehouden dat onvoldoende aannemelijk is dat [eiser] in zijn algemeenheid niet langer bekwaam is om het vak van cardioloog uit te oefenen. Dat ten gevolge van de verschuiving van de handelingen die [eiser] nog wel zou kunnen verrichten de overige cardiologen zwaarder belast worden, is voldoende aannemelijk, maar dat pleit [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog niet vrij van hun plicht om te streven naar een regeling, die [eiser] in staat stelt om zijn praktijkuitoefening voor een gedeelte in maatschapsverband voort te zetten in plaats van deze abrupt te moeten neerleggen.

4.8. Hoewel zichtbaar is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser] de afgelopen jaren ter wille zijn geweest bij het (blijven) uitoefenen van zijn functie als cardioloog, hebben zij er onvoldoende blijk van gegeven, onderzocht te hebben welke activiteiten [eiser] nog wel zou kunnen verrichten, teneinde het maatschapsverband met hem voort te zetten.

Dit klemt temeer nu [gedaagde 1] en [eiser] al bijna 23 jaar samen een maatschap vormen.

Tegen die achtergrond had het op de weg van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelegen, om in een persoonlijk gesprek met [eiser] de (on)mogelijkheid van het realiseren van een regeling als bedoeld in artikel 17 lid 3 van de maatschapsovereenkomst te bespreken.

Dit gesprek is uitgebleven, hetgeen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet is ontkend. Ook het door de heer Imkamp gearrangeerde gesprek op 30 november 2006 hebben [gedaagde 1] of [gedaagde 2] niet kunnen bijwonen.

4.9. Op grond van het vorenstaande is voldoende aannemelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de verplichting die voortvloeit uit artikel 17 lid 3 van de maatschapsovereenkomst onvoldoende zijn nagekomen zodat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen.

De inspanningsverplichting van alle betrokkenen om naar een regeling te streven staat in de weg aan het gevorderde treffen of aanbieden van een regeling; derhalve zullen gedaagden veroordeeld worden tot serieus overleg.

4.10. Opmerking verdient nog dat het ziekenhuis vóór de dagvaarding zich alleen beriep op het ontbreken van een samenwerkingsverband tussen [eiser] en andere cardiologen en na de dagvaarding blijkens een brief van 15 december 2006 alsnog streeft naar beëindiging van de toelating van [eiser] op grond van een eigen oordeel omtrent diens arbeidsgeschiktheid. Dit komt neer op een definitieve ontzegging van de toelating tot het ziekenhuis waarin gedaagden een nieuwe aanleiding zouden kunnen vinden om de maatschap met ingang van die ontzegging te ontbinden, nu met toepassing van artikel 18 aanhef en onder 8 van de maatschapsovereenkomst in plaats van zoals voorheen onder 9.

Deze nieuwe aanleiding is echter nog niet benut en bovendien zou [eiser] de stellingname van het ziekenhuis ook kunnen bestrijden, eventueel in kort geding.

Het is niet wenselijk op het falen daarvan vooruit te lopen en het zou in strijd met een behoorlijke procesorde zijn om [eiser] nu het belang te ontzeggen bij een beoordeling van de tot nu toe door de beide andere maten gevolgde koers (artikel 18 grond 9) op grond dat het ziekenhuis hun nu een grond voor ontbinding biedt (artikel 18 grond 8), temeer nu het ziekenhuis tot voor kort achter de beide maten verschool en [eiser] geen kans bood om in een procedure tegen het ziekenhuis de beëindiging van de toelating aan te vechten die het ziekenhuis baseerde op de ontbinding van de maatschap. Overigens spreekt het vanzelf dat dit vonnis niet bindend is voor het ziekenhuis, dat immers geen partij is in dit kort geding.

4.11. Aan de te verbeuren dwangsom zal een maximum worden verbonden. Dit laat uiteraard onverlet dat bij voortgaande overtreding van dit vonnis oplegging van een hogere dwangsom kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsom. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

4.12. [Gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- vast recht EUR 248,00

- salaris 816,00

Totaal EUR 1.064,00

4.13. Ook de gevorderde verwijzing in de nakosten is toewijsbaar.

De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1. gebiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om met [eiser] in serieus overleg te treden over een regeling, welke [eiser] in staat stelt zijn praktijkuitoefening, in volle omvang of voor een gedeelte, te blijven voortzetten in maatschapsverband dan wel in een ander samenwerkingsverband, tegen alsdan te bepalen voorwaarden;

5.2. bepaalt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor iedere dag - elk resterend gedeelte van de dag daaronder mede begrepen - dat zij nalatig blijven om aan het onder 5.1. bepaalde te voldoen, ieder van hen voor zijn aandeel in de nalatigheid aan [eiser] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,--, tot een maximum van EUR 150.000;

5.3. bepaalt dat deze dwangsom vatbaar zal zijn voor matiging door de rechter, voorzover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

5.4. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.064,00;

5.5. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de nakosten aan de zijde van [eiser] begroot op een bedrag van EUR 131,00, dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, een bedrag van EUR 199,00;

5.6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Vrieze en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2006.