Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ4615

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
06/460281-06 + 06/460299-05 (tul alg.vwd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat de aard van de door verdachte gepleegde handeling, het gooien met een forse bloembak met gietijzeren raamwerk naar het slachtoffer, in samenhang bezien met de overige gebezigde bewijsmiddelen, redelijkerwijs geen andere conclusie toelaat dan dat verdachte met zijn handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen worden toegebracht.

Verwerping van het erweeer dat er geen klacht is ingediend ter zake belaging. (Promis)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/460281-06 + 06/460299-05 (tul alg.vwd)

Uitspraak d.d.: 20 december 2006

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [plaats],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 december 2006.

Ter terechtzitting gegeven beslissing

De rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie om aansluitend, na sluiting van het onderzoek, uitspraak te doen afgewezen.

De rechtbank heeft het verzoek van de raadsman om opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

De rechtbank heeft ambtshalve het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte onder te stellen voorwaarden geschorst met ingang van 6 december 2006 te 18.00 uur. Het daartoe gegeven bevel is afzonderlijk geminuteerd.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 mei 2006 in de gemeente Ermelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) een (giet)ijzeren bloempot, althans een of meer zwa(a)r(e)/harde voorwerp(en) in de richting van het hoofd, althans in de richting van het lichaam van die [slachtoffer A] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 januari 2006 tot en met 19 mei 2006 te Ermelo, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer B] en/of een of meer ander(en), met het oogmerk die [slachtoffer B] en/of die ander(en) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft

hij, verdachte, opzettelijk meermalen

-bij het (op de fiets) passeren van die [slachtoffer B] zijn gezicht verwrongen/vertrokken en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer B] geschreeuwd en/of

- van achter de schutting/erfafscheiding (tussen de percelen [straat nr A en nr B]) luidruchtig voornoemde [slachtoffer B] en/of het/de kind(eren) van voornoemde [slachtoffer B] beledigende en/of bedreigende woorden toegevoegd en/of geschreeuwd en/of

- op die schutting/erfafscheiding geklopt en/of gebonsd (terwijl die [slachtoffer B] en/of haar kind(eren) in haar tuin aanwezig waren/was) en/of

- zich (anderszins) hinderlijk voor/bij de woning en/of schutting van die [slachtoffer B] opgehouden.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft ter zake van het onder 2 ten laste gelegde de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie betoogd nu dit feit een klachtdelict betreft en zich in het dossier geen klachtformulier bevindt, niet met betrekking tot aangeefster [slachtoffer B], noch met betrekking tot 'derden'.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit de processtukken blijkt dat aangeefster op 19 mei 2006 tegenover verbalisant [naam] heeft verklaard: "Bij deze doe ik dan ook een schriftelijke klacht met het nadrukkelijke verzoek de door mij genoemde [verdachte] (...) te vervolgen."(voetnoot 1) Gezien het feit dat aangeefster mede namens haar minderjarige zoontje aangifte doet, impliceert dat, dat ook voor wat betreft 'derden', aan het klachtvereiste is voldaan.

Geldigheid van de dagvaarding

Door de raadsman is namens verdachte betoogd dat het onder 2, ten laste gelegde, ten aanzien van het facet 'anderen', onvoldoende feitelijk is omschreven, hetgeen partiële nietigheid van de dagvaarding oplevert.

De rechtbank verwerpt het verweer op grond van haar oordeel dat het feitelijke deel van de tenlastelegging ruim voldoende duidelijk maakt welke gedragingen verdachte in concreto worden verweten en ter terechtzitting dienaangaande ook niet van enig misverstand is gebleken.

Bewijsmotivering, vrijspraak en bewezenverklaring

1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.

2. De advocaat van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat er ter zake van feit 1 geen sprake is van voorwaardelijk opzet en hij zich overigens refereert aan het oordeel van de rechtbank. Ter zake feit 2 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat uit feiten en omstandigheden onvoldoende de stelselmatigheid van het handelen van verdachte blijkt om van belaging te kunnen spreken.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Ofschoon verdachte zonder meer hinderlijk gedrag heeft vertoond, acht de rechtsbank de stelselmatigheid daarvan niet bewezen, terwijl voorts ook niet van enig oogmerk is gebleken.

4. Op 12 april 2006 ontstaat er een woordenwisseling tussen verdachte en de, op dat moment 13-jarige, [slachtoffer A] in de aan elkaar grenzende tuinen van hun respectievelijke woningen te [plaats]. Verdachte gooit als reactie daarop een ijzeren driepotige bloembak (voetnoot 2) over de schutting, die tussen [slachtoffer A] en een vriendje op de grond terecht komt.(voetnoot 3)

5. [slachtoffer A] verklaart daarover: Indien ik niet gebukt had, zou [verdachte] mij met de bloempot tegen mijn hoofd hebben kunnen raken.(voetnoot 4)

6. De verklaring van [slachtoffer A] wordt bevestigd door de verklaring van de zus van [slachtoffer A], inhoudende: '[slachtoffer A] was het gescheld zat. Hij keek over de schutting heen. [verdachte] begon tegen [slachtoffer A] te schelden: "Rooie, homo, kom maar met je kop boven de schutting uit, klein rotjong". [slachtoffer A] deed dat. Direct daarop vloog er een bloempot over de schutting (voetnoot 5).

7. De verklaring van [slachtoffer A] wordt eveneens bevestigd door de verklaring van het vriendje van het slachtoffer, inhoudende: De jongen gooide een bloempot over de schutting. Volgens mij scheelde het niet zo veel of [slachtoffer A] had de bloempot tegen zijn hoofd aangekregen.(voetnoot 6)

8. Verdachte heeft ter zitting van 6 december 2006 verklaard dat hij wist dat er zich mensen aan de andere zijde van de schutting bevonden en dat door het gooien iemand geraakt had kunnen worden. Voorts verklaart hij bij de politie: (Aan verdachte wordt de plantenbak getoond). Ik herken dat ding. Het klopt dat ik dat ding over de schutting heen heb gegooid. Dat was inderdaad het geval met de jongens die over de schutting heen hingen.(voetnoot 7)

9. De rechtbank overweegt dat de aard van de door verdachte gepleegde handeling, het gooien met een forse bloembak met gietijzeren raamwerk naar het slachtoffer [slachtoffer A], in samenhang bezien met de overige gebezigde bewijsmiddelen, redelijkerwijs geen andere conclusie toelaat dan dat verdachte met zijn handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen worden toegebracht.

10. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 mei 2006 in de gemeente Ermelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht een gietijzeren bloempot in de richting van het hoofd van die [slachtoffer A] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf: poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank houdt rekening met de conclusie uit het in de strafzaak met parketnummer 06/460299-05 uitgebracht psychiatrisch rapport van 15 augustus 2005, opgemaakt door dr. L.H.WE.M. Kaiser, psychiater, voor zover die conclusie inhoudt dat bij verdachte sprake is van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en van de belaging, gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 192 dagen, zijnde de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich laat opnemen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling Kompas van de Gelderse Roos te Arnhem voor een periode van maximaal 12 maanden;

- dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering; en

- dat verdachte geen contact zal zoeken en onderhouden met mevrouw [slachtoffer B] en haar huisgenoten.

Verder is gevorderd de proeftijd met een jaar te verlengen, behorend bij de voorwaardelijk

opgelegde gevangenisstraf van 60 dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter van 16

september 2005.

2. Namens verdachte is aangevoerd, dat de geformuleerde eis van de officier van justitie schending van de beginselen van een behoorlijk proces oplevert. Tijdens de politierechterzitting van 7 september 2006 heeft de officier van justitie immers zijn eis beperkt tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde, dat verdachte geen contact zal opnemen met mevrouw van Diermen. Daarnaast heeft toen de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van 60 dagen gevangenisstraf. De raadsman heeft bepleit het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te beperken tot de tijd dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. Verdachte zou na zijn vrijlating niet meer terugkeren naar [plaats]; hij kan bij zijn zuster in Den Bosch terecht. Tot slot is aangegeven dat verdachte in het geheel niet gemotiveerd is een behandeling bij de Gelderse Roos te ondergaan; verdachte heeft geweigerd de behandelovereenkomst te ondertekenen. Ter zitting heeft verdachte zelf verwezen naar het rapport van de psychiater (voetnoot 8), waarin wordt gezegd, dat het lijkt dat er geen sprake is van een schizofrene ontwikkeling.

3. De rechtbank stelt voorop, dat het de officier van justitie vrij staat zijn eis te herformuleren, ook als dat neerkomt op een zwaarder sanctiepakket. Het is duidelijk dat de officier van justitie een opname van verdachte in de Gelderse Roos op het oog heeft, hetgeen hem heeft gebracht tot het veranderen van zijn eis. Het ontgaat de rechtbank, zoals de raadsman heeft gesteld, dat daardoor de beginselen van een behoorlijk proces zouden zijn geschonden. De rechtbank stelt vast dat van een schending geen sprake is.

4. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank slechts wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het onder 1. tenlastegelegde feit. Gelet op het hiervoor geduide rapport van de psychiater en de briefrapporten van de districtspsychiater (voetnoot 9), is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit verdachte slechts sterk verminderd kan worden toegerekend.

5. Ter zitting is overduidelijk gebleken dat verdachte niets voelt voor welke behandeling dan ook. Ondanks allerlei adviezen en pogingen stelt verdachte zich uiteindelijk steeds weer op het standpunt, dat hij geen behandeling wenst. Daarbij heeft verdachte ook steeds verwezen naar de slechte resultaten van eerdere behandelingen en met woord en gebaar heeft hij duidelijk aangegeven geen of zeer weinig vertrouwen te hebben in de richting van behandelaars in het algemeen.

6. Gelet op de relatieve ernst van het bewezenverklaarde feit en het feit dat de justitiële documentatie van verdachte op het vlak van agressieve delicten slechts een geringe omvang heeft, ziet de rechtbank geen aanleiding te komen tot een gedwongen behandeling in een strafrechtelijk kader. Daarbij heeft de rechtbank zich ook laten leiden door de conclusie in het rapport van de psychiater (voetnoot 10), dat het achterdochtige denken van verdachte is beperkt tot zijn buurtbewoners en woonomgeving.

7. De rechtbank zal het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf beperken tot de duur van het voorarrest. De rechtbank acht dit passend gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de mate van toerekening en overige persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast zal een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met een contactverbod, zoals hierna omschreven.

In beslag genomen voorwerpen

Nu het belang van de strafvordering zich niet meer daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de bloempot aan [verdachte].

Vordering tenuitvoerlegging

Ter zitting van de politierechter van 20 maart 2006 is de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van 16 september 2005, aan de orde geweest. De behandeling is daarvan voor tenminste een periode van 6 maanden aangehouden voor een nadere rapportage door de reclassering. De vordering is toen ingediend in verband met de niet naleving van een bijzondere voorwaarde. Bij vordering van 2 oktober 2006 heeft de officier de tenuitvoerlegging geëist van dezelfde voorwaardelijke gevangenisstraf wegens overtreding van de algemene voorwaarde. Gelet op het onderzoek in de hoofdzaak, in het bijzonder op het punt van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, verstaat de rechtbank de vordering van 2 oktober aldus dat daarmee de vordering wegens overtreding van de bijzondere voorwaarde is komen te vervallen. De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing zekerheidshalve de vordering tenuitvoerlegging wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde afwijzen.

De rechtbank is van oordeel dat daardoor de belangen van de verdachte niet worden geschaad. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, doch de proeftijd met een jaar verlengen. Hiermee wordt beoogd verdachte van nieuwe strafbare feiten te weerhouden. Verder zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde, dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, opheffen. Het meer dan een jaar durende contact tussen reclassering en verdachte heeft niet bijgedragen aan een gedragsverandering aan de kant van verdachte, en het verplicht voortduren van dat contact komt de rechtbank contraproductief voor.

Toepasselijke wetsartikelen

De oplegging van straf is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 27, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde generlei contact zal opnemen of onderhouden met [slachtoffer B] en/of haar huisgenoten

- dat veroordeelde zich niet zal ophouden in de directe omgeving van het woonhuis van [slachtoffer B] en/of haar huisgenoten, verblijvende aan de [adres] te [plaats].

Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering

en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de in het vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 16 september 2005 (parketnummer 06/460281-06) voorwaardelijk opgelegde straf en verlengt de bij dit vonnis bepaalde proeftijd met een jaar en heft op de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven bloembak.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Van Hoorn, voorzitter, Borgerhoff Mulder en Elders, rechters, in tegenwoordigheid van Wiering, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 december 2006.

Voetnoot:

1 Dossier van politie Team Ermelo-Putten, dossiernummer PL0611/06-203926; proces-verbaal van

aangifte, pag. 21.

2 Foto's bloembak; p. 29

3 Aangifte [slachtoffer B]; p.21-26

4 Verklaring [slachtoffer A]; p.35-36

5 Verklaring getuige [getuige A]; p.31-32

6 Verklaring [getuige B]; p.39

7 Verklaring verdachte; p.44-45

8 Pro Justitia rapport van dr. L.H.W.M. Kaiser d.d. 15 augustus 2005.

9 De rapporten van psychiater S. de Jong van 30 juni, 20 juli, 22 augustus, 13 oktober, 7 november

en 23 november, alle in 2006 uitgebracht.

10 Zie pagina 16 van het in voetnoot 8 genoemde rapport.