Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ4580

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
06-552092-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ter zitting is door de verdediging aangevoerd dat de motor uit een schaduwrijk gedeelte van de weg is komen opzetten en daardoor niet door verdachte is opgemerkt. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat uit de bij het dossier gevoegde foto’s blijkt dat weliswaar schaduwrijke delen over het wegdek vallen, doch niet op dat deel van het wegdek dat, vanuit verdachtes positie bezien, in het verlengde ligt van de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden, temeer nu uit de analyse tevens is gebleken dat de tegemoetkomende motorrijder het licht van de motor had ontstoken. (Promis)

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/552092-06

Uitspraak d.d.: 20 december 2006

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],

wonende te [adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 december 2006.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 juni 2006 in de gemeente Lochem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Zutphenseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, linksaf te slaan (teneinde een bedrijfsterrein op te rijden), zonder zich ervan te vergewissen dat de weg vrij was en/of zonder een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets voor te laten gaan, ten gevolge waarvan een botsing tussen het door verdachte bestuurde voertuig en voornoemde motorfiets

heeft plaatsgevonden, waarbij of waardoor

-de heer [slachtoffer A], althans een ander, zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bekken (op 5 plaatsen) en/of een gebroken rechterbovenbeen en/of letsel aan de aorta, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan en/of

-mevrouw [slachtoffer B], althans een ander, zwaar lichamelijk letsel, te weten en scheurtje in het bekken en/of een gebroken (linker) bovenbeen en/of een (aantal) ribfractu(u)r(en), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 05 juni 2006 in de gemeente Lochem, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zutphenseweg, bij het afslaan naar links, (teneinde een bedrijfsterrein op te rijden), een hem op dezelfde weg tegemoetkomende motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen (de heer [slachtoffer A] en/of mevrouw [slachtoffer B]) is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

Taal en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

2. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er aan de zijde van verdachte geen sprake was van verwijtbare schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

3. Verdacht heeft bij de politie verklaard dat hij op 5 juni 2006 over de Zutphenseweg in de gemeente Lochem heeft gereden. Teneinde een bedrijf, gelegen aan de linkerzijde van de weg, te bereiken, is verdachte linksaf geslagen. Toen hij halverwege de andere weghelft was kwam er uit tegenovergestelde richting een motor, waarna het ongeval plaatsvond.(voetnoot 1)

4. Ter zitting heeft verdachte aanvullend verklaard bekend te zijn met de situatie ter plaatse en in de verte wel een tegemoetkomende auto te hebben gezien.

5. De getuige verklaart: Voor mij reed een grijze Volkswagen Polo. De snelheid was niet erg hoog. Uit tegenovergestelde zag ik een motorrijder komen. Op hetzelfde moment zag ik dat de Polo linksaf sloeg. Ik zag de motorrijder met volle kracht moest remmen en dat de motor viel. (voetzaal 2)

6. Uit de analyse van het ongeval blijkt dat het uitzicht goed was (voetnoot 3), en de motorrijder tussen de 55 en 70 km/uur heeft gereden (voetnoot 4).

7. Ter zitting is door de verdediging aangevoerd dat de motor uit een schaduwrijk gedeelte van de weg is komen opzetten en daardoor niet door verdachte is opgemerkt. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat uit de bij het dossier gevoegde foto's (voetnoot 5) blijkt dat weliswaar schaduwrijke delen over het wegdek vallen, doch niet op dat deel van het wegdek dat, vanuit verdachtes positie bezien, in het verlengde ligt van de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden, temeer nu uit de analyse tevens is gebleken dat de tegemoetkomende motorrijder het licht van de motor had ontstoken.(voetnoot 6)

8. Het ten gevolge van het ongeval opgelopen zwaar lichamelijk letsel blijkt voor het [slachtoffer A] te bestaan uit een op 5 plaatsen gebroken bekken, een gebroken rechterbovenbeen en letsel aan de aorta.(voetnoot 7)

9. Het ten gevolge van het ongeval opgelopen zwaar lichamelijk letsel blijkt voor het [slachtoffer B] te bestaan uit een scheurtje in het bekken en een gebroken linkerbovenbeen en een aantal ribfracturen.(voetnoot 8)

10. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 juni 2006 in de gemeente Lochem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Zutphenseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend linksaf te slaan (teneinde een bedrijfsterrein op te rijden), zonder zich ervan te vergewissen dat de weg vrij was en zonder een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets voor te laten gaan, ten gevolge waarvan een botsing tussen het door verdachte bestuurde voertuig en voornoemde motorfiets heeft plaatsgevonden, waardoor

-de heer [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bekken (op 5 plaatsen) en een gebroken rechterbovenbeen en letsel aan de aorta is ontstaan, en

-mevrouw [slachtoffer B] zwaar lichamelijk letsel, te weten een scheurtje in het bekken en een gebroken (linker) bovenbeen en een aantal ribfracturen is ontstaan.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 8 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

2. Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit ter zake van het primair ten laste gelegde.

3. Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

4. De rechtbank heeft bij de strafmaat aansluiting gezocht bij door rechtbanken gehanteerde oriëntatiepunten. Zij heeft daarbij enerzijds in aanmerking genomen, het door de slachtoffers opgelopen letsel. Anderzijds heeft de rechtbank in de strafoplegging meegewogen de mate van onoplettendheid, dat verdachte nog niet eerder met justitie in aanraking is geweest, het feit dat verdachte contact heeft gezocht met de slachtoffers en de gevolgen die het ongeval voor verdachte zelf heeft gehad. Ter zitting heeft verdachte zeer duidelijk gemaakt dat hij erg kampt met de herinnering aan het ongeval en de gevolgen daarvan voor de motorrijder en diens passagier. Ook uit het reclasseringsrapport is dit beeld naar voren gekomen.

5. Het vorenstaande heeft geleid tot een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank acht, naast een werkstraf van na te melden duur, een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden.

Toepasselijke wetsartikelen

De oplegging van straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 (oud), 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 40 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt, dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Elders en Van Hoorn, rechters,

in tegenwoordigheid van Wiering, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting

van 20 december 2006.

1 Proces-verbaal van verhoor d.d. 1 juli 2006, pag. 29

2 Proces-verbaal van verhoor d.d. 1 juli 2006, pag. 21

3 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 12 juni 2006, pag.43, § 4.1.2.

4 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 12 juni 2006, pag.42, § 4.1.1.

5 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 12 juni 2006, pag.34, 38 en 43.

6 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 12 juni 2006, pag. 43, § 4.2.1.

7 medische informatie, pag. 25

8 medische informatie, pag. 28