Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ3779

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
06/460211-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van buitenboordmotoren uit jachthavens afgestraft met gevangenisstraf en schadevergoeding voor benadeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/460211-06

Uitspraak d.d.: 05 december 2006

tegenspraak o.g.v. art. 279 sv/ oip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

De politierechter heeft de zaak op 20 september 2006 verwezen naar de meervoudige kamer voor strafzaken.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van de politierechter van 20 september 2006 en van de meervoudige kamer van 21 november 2006.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 15 april 2006 tot en met 17 april 2006 te Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een caravan (gestald op het terrein van perceel [straat]) heeft weggenomen een buitenboordmotor en/of een gereedschapskist en/of een of meer andere goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(incident 5)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2. hij in of omstreeks de periode van 28 december 2005 tot en met 02 januari 2006 te Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een stalling (gelegen op het terrein van jachthaven [jachthaven], [straat] ) heeft weggenomen een buitenboordmotor (merk Yamaha, kleur blauw, type F9.9.DFHL), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

(incident 6)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3. hij in of omstreeks de periode van 01 november 2005 tot en met 17 april 2006 te Hierden, althans in de gemeente Harderwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een haventerrein (gelegen aan [straat]) heeft weggenomen (vanaf een boot) een buitenboordmotor en/of een stuur met console en/of een afstandsbediening en/of een starter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(incident 7)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4. hij in of omstreeks de periode van 09 maart 2006 tot en met 15 maart 2006 te Kampen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een opslagterrein , gelegen aan de [straat], heeft weggenomen (vanaf een boot op een trailer) een buitenboordmotor (merk Suzuki), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(incident 8)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, aangezien uitsluitend de verklaring van de aangever voorhanden is.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Bewijsverweer

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat er te weinig bewijsmateriaal in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van feit 3 te komen. Hij heeft daarbij gewezen op de lange tijd tussen 1 november 2005 en 17 april 2006 en de mogelijkheid dat een ander dan verdachte in die periode de betreffende buitenboordmotor heeft gestolen.

De rechtbank is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer C], dossierpagina’s 344 en 346, waaruit blijkt dat het ging om een blauwe buitenboordmotor van het merk Yamaha, type 9.9 pk, gestolen vanuit de jachthaven te Hierden in de periode van 1 november 2005 tot en met 17 april 2006,

- de bekennende verklaring van verdachte, dossierpagina 347, laatste alinea, dossierpagina 349, laatste alinea en dossierpagina 350, waaruit blijkt dat verdachte omstreeks januari 2006 een blauw/grijze buitenboordmotor van het merk Yamaha van een nieuwer type, gemaakt in of na 2002, met 9.9 pk vanuit de jachthaven te Hierden heeft weggenomen,

- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], dossierpagina 351, laatste alinea, waaruit blijkt dat verdachte begin januari 2006 naar de jachthaven te Hierden is gereden om naar buitenboordmotoren te kijken, en dossierpagina 352, tweede alinea, waaruit blijkt, dat verdachte aan hem toen heeft verteld dat hij, verdachte, een grijs/blauwe Yamaha buitenboordmotor in een ander bootje had gezien,

- het rapport van expertise van 17 mei 2002 (bijlage bij het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces dat door [slachtoffer C] is ingediend), waaruit blijkt dat het ging om een buitenboordmotor met bouwjaar 2002 en met

9.9 pk.

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1. hij in de periode van 15 april 2006 tot en met 17 april 2006 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een caravan, gestald op het terrein van perceel [straat], heeft weggenomen een buitenboordmotor en een gereedschapskist en andere goederen, toebehorende aan

[slachtoffer A], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2. hij in de periode van 28 december 2005 tot en met 02 januari 2006 te Harderwijk,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening op het terrein van jachthaven [jachthaven], [straat], heeft weggenomen een buitenboordmotor, merk Yamaha, kleur blauw, type F9.9.DFHL, toebehorende aan [slachtoffer B], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3. hij in de periode van 01 november 2005 tot en met 17 april 2006 te Hierden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een boot gelegen op een haventerrein aan [straat], heeft weggenomen een buitenboordmotor toebehorende aan [slachtoffer C].

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

2. Diefstal, waarbij de schuldig het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

3. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en uit de omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapportages van het Leger des Heils.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat verdachte zich al dan niet tezamen met zijn mededader(s) gedurende een aantal maanden schuldig heeft gemaakt aan diefstallen van met name buitenboordmotoren vanuit jachthavens.

Voor de gedupeerde watersporters, die hun boten buiten het vaarseizoen in goed vertrouwen in de jachthavens achterlaten, hebben de diefstallen, naast materiële schade, ook een gevoel van onveiligheid en veel ergernis veroorzaakt. Verder kan het indienen van schadeclaims bij de verzekeringsmaatschappijen tot een premieverhoging voor een ieder leiden.

Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een op zijn naam gesteld Uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 21 april 2006, eerder ter zake van soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen en bij vonnis van 17 mei 2005 door deze rechtbank is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden. Ondanks deze en andere veroordelingen gaat verdachte door met het plegen van strafbare feiten.

Uit voormelde reclasseringsrapportages is gebleken dat de verslaving van verdachte, zijn relatie, huisvesting en financiële problemen kennelijk een belangrijke rol spelen bij het plegen van de delicten, hetgeen aan de ernst van de feiten en de verwijtbaarheid niets afdoet.

Ondanks intensieve begeleiding door het Leger des Heils komt het door gebrek aan motivatie bij verdachte niet tot het opstellen van een plan van aanpak of behandeling in een instelling. Geadviseerd wordt dan ook verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen, omdat er - gezien de houding van verdachte - geen corrigerend effect of meerwaarde uitgaat van een strafoplegging in de vorm van een werkstraf, geldboete of voorwaardelijke straf, al dan niet met de bijzondere voorwaarde van een verplicht reclasseringscontact.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de raadsman bepleite voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden voor deze verdachte een gepasseerd station is.

Met oplegging van een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist, wil de rechtbank enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking brengen en anderzijds deze strafoplegging dienstbaar maken aan het voorkomen van nieuwe soortgelijke strafbare feiten.

Ad informandum gevoegde zaken

De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat geen rekening houden met de ter kennisneming van de rechtbank op de tenlastelegging vermelde ad informandum gevoegde feiten 1-6. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting namens verdachte bezwaar gemaakt, omdat hij deze feiten niet meer met cliënt heeft kunnen bespreken.

In beslag genomen voorwerpen

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, die volgens opgave van verdachte aan hem toebehoren, dan wel waarvan niet kan worden vastgesteld aan wie deze toebehoren, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn die tot het begaan van het bewezenverklaarde zijn bestemd, te weten:

- 1 betonschaar, kleur rood met zwarte handvaten

(nummer 15 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 combinatietang, kleur rood met zwarte handvaten

(nummer 17 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 waterpomptang, Facom, kleur rood

(nummer 18 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 kruiskopschroevendraaier, kleur zilver met geel/zwarte handvaten

(nummer 19 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 steeksleutel, kleur zilver, nummer 10 en 11

nummer 20 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen).

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Nu er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig is dat zich daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast aan de rechthebbende van de na te melden voorwerpen, te weten:

- 1 brandblusser, Gloria PD 6 GA, kleur rood

(nummer 2 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 dubbele fietstas, Fast Rider, kleur blauw

(nummer 3 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 blik soep, Erasco chili con carne

(nummer 10 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 kitspuit zonder vulling

(nummer 16 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

Benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer B], wonende te [adres], heeft zich door middel van een formulier, als bedoeld in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering, ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1358,00. Tevens wordt het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Door de benadeelde partij is de nieuwwaarde opgevoerd van een buitenboordmoter. Evenals de verzekeringsmaatschappij past de rechtbank een afschrijving toe op deze buitenboordmoter met bouwjaar 2002, en stelt de totale schade aan de buitenboordmotor, het slot en de braakschade op een bedrag van € 2.735,00. Hiervan is een bedrag van € 2.622,00 reeds vergoed door de verzekeringsmaatschappij, zodat een bedrag van € 113,00 (eigen risico) resteert.

In tegenstelling tot de raadsman is de rechtbank van oordeel dat, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering gebleken is, komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks tot een bedrag van € 113,00 (eigen risico) schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank zal de vordering voor dit gedeelte toewijzen. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij [slachtoffer C], wonende te [adres], heeft zich door middel van een formulier, als bedoeld in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering, ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.774,12. Tevens wordt het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Naar het oordeel van de rechtbank, is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.038,54 (zijnde de dagwaarde van de buitenboordmotor van

€ 2.274,12 minus de uitkering door de verzekeringsmaatschappij van € 1.235,58).

Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van diefstal van een stuur met console, een afstandsbediening en een starter en de post “arbeid” van € 275,00 door ontbrekende onderbouwing niet eenvoudig is vast te stellen, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 1.038,54 en de benadeelde partij voor het overige deel in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36f, 57, 310, 311.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 betonschaar, kleur rood met zwarte handvaten

(nummer 15 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 combinatietang, kleur rood met zwarte handvaten

(nummer 17 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 waterpomptang, Facom, kleur rood

(nummer 18 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 kruiskopschroevendraaier, kleur zilver met geel/zwarte handvaten

(nummer 19 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 steeksleutel, kleur zilver, nummer 10 en 11

(nummer 20 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende, te weten:

- 1 brandblusser, Gloria PD 6 GA, kleur rood

(nummer 2 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 dubbele fietstas, Fast Rider, kleur blauw

(nummer 3 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 blik soep, Erasco chili con carne

(nummer 10 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

- 1 kitspuit zonder vulling

(nummer 16 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen);

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer B], wonende te [adres] (banknummer: [nummers]) van een bedrag van € 113,00, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B], een bedrag te betalen van € 113,00, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 2 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalings- verplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer C], wonende te [adres], (gironummer: [nummers]) van een bedrag van € 1.038,54, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer C], een bedrag te betalen van € 1.038,54, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalings- verplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. Van der Hooft, voorzitter, mr. De Bie en mr. Lucassen, rechters, in tegenwoordigheid van Beers-de Badts, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 05 december 2006.