Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ0633

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
23-10-2006
Zaaknummer
63658 FA RK 04-1288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Periodiek verrekenbeding van inkomsten in huwelijkse voorwaarden. Artikel 1:141 lid 4 BW is van toepassing. Een deel van de niet uitgekeerde winst in de B.V. van de man wordt op grond van solvabiliteitstoets in de verrekening betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 14
RN 2007, 11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 63658 FA RK 04-1288

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 18 oktober 2006

in de zaak tussen:

[verzoekster],

wonende te [plaats],

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

procureur: mr. C.B. Gaaf

advocaat: mr. N. Hijmans te Almelo,

e n

[verweerder],

wonende te [plaats],

verweerder, hierna te noemen de man,

procureur: mr. M.P.H. Sanders.

Het verdere procesverloop

Dit verdere verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 30 maart 2005;

- de brief met bijlagen van 20 februari 2006 van mr. Sanders;

- de brief met bijlagen van mr. Hijmans van 23 februari 2006;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 1 maart 2006;.

- de brief met bijlagen van 14 maart 2006 van mr. Sanders;

- het verzoek houdende wijziging van de vordering van de zijde van de vrouw van 15 maart 2006;

- het verweerschrift aan de zijde van de man van 19 april 2006 naar aanleiding van verzoek houdende wijziging van de vordering;

- het verweerschrift naar aanleiding van zelfstandig verzoek aan de zijde van de vrouw van 10 mei 2006;

- de brief met bijlagen van 4 juli 2006 van mr. Sanders;

- de brief met bijlagen van 15 september 2006 van mr. Hijmans;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 19 september 2006.

De verdere beoordeling

De rechtbank neemt over al hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 30 maart 2005.

Bij deze tussenbeschikking is de behandeling ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, de partneralimentatie en de kosten van deze procedure aangehouden en is partijen verzocht zich nader schriftelijk uit te laten over deze nevenvoorzieningen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

verzoeken

De vrouw heeft haar verzoek om benoeming van een notaris en een onzijdige persoon ingetrokken en verzoekt thans te bepalen dat bij helfte verdeeld dient te worden de waarde per 1 januari 2004 van:

(a) de aandelen in de besloten vennootschap [naam holding B.V.], althans het te verdelen bedrag vast te stellen op basis van de vrije reserve ten bedrage van

€ 296.273,--;

(b) de effectenportefeuille;

(c) de polissen van levensverzekering;

(d) een Mercedes Benz

De vrouw heeft aan haar verzoek onder (a) ten grondslag gelegd dat de winsten die zijn opgepot in de B.V. van de man op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden van partijen moeten worden verrekend.

De man heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van de vrouw onder (a) omdat de waardestijging van de aandelen niet valt onder het begrip inkomen zoals gehanteerd in de huwelijkse voorwaarden van partijen. Voor het overige heeft de man zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De man heeft daarnaast verzocht te bepalen dat de aanslagen inkomstenbelasting van de man en de vrouw over 2002 en 2003 nog moeten worden verrekend tussen partijen. De vrouw heeft tegen dit verzoek geen verweer gevoerd.

vaststaande feiten

In de huwelijkse voorwaarden die partijen hebben gemaakt bij een akte die op

25 juli 1986 voor een plaatsvervanger van mr. M.C. van Exel, destijds notaris te [plaats C], is verleden, zijn zij naast uitsluiting van elke gemeenschap van goederen tevens een periodiek verrekenbeding van inkomsten overeengekomen. Dit beding is opgenomen in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden dat voor zover hier van belang luidt als volgt:

Artikel 3

(...)

Zolang de beide echtgenoten een gemeenschappelijke huishouding voeren zullen zij, na verloop van elk jaar, bijeenvoegen hetgeen van hun inkomen van dat jaar onverteerd is en dit saldo bij helfte verdelen. Verrekeningen tussen echtgenoten, die terzake van het vorenstaande nodig mochten zijn zullen geschieden binnen drie maanden na afloop van ieder kalenderjaar. Onder het inkomen van de echtgenoten wordt verstaan de periodiek genoten inkomsten en vruchten, die voor de Rijksinkomstenbelasting alszodanig worden aangemerkt.

(...)

Bij het aangaan van het huwelijk dreef de man een eenmanszaak die hij kort tevoren had gekocht. Partijen hebben deze huwelijkse voorwaarden gemaakt ter bescherming van de vrouw tegen de risico’s die de man als ondernemer liep. Bij het maken van de huwelijkse voorwaarden is het periodiek verrekenbeding ter sprake gekomen. Nadien is daaraan door partijen geen uitvoering gegeven.

De man heeft in 1985 kort voor het huwelijk van partijen een eenmanszaak (lingeriewinkel) in [plaats A] overgenomen. Hij heeft de overname betaald met een lening. Vervolgens heeft hij in 1989 in [plaats B] een eenmanszaak (eveneens een lingeriewinkel) overgenomen en deze overname eveneens bekostigd met een geldlening.

Met ingang van 1 januari 1990 heeft hij zijn eenmanszaak bestaande uit de twee lingeriewinkels ingebracht in een BV met de naam [naam B.V.]. In 1995 heeft hij zijn in de BV gedreven onderneming samengevoegd met de onderneming van zijn vader. Het betrof zijn beide lingeriewinkels in [plaats A] en [plaats B] en de lingeriewinkels van zijn vader in [plaats C] en [plaats D]. De vier winkels zijn ingebracht in een werkmaatschappij ([naam werkmaatschappij B.V.]) waarvan de aandelen voor de helft werden gehouden door een holding van de man ([naam holding B.V.]) en voor de andere helft door een holding van zijn vader.

In 1995 heeft een terugbetaling op kapitaal in de BV van de man plaats gehad van ongeveer fl. 300.000,--. Dit bedrag is in elk geval voor een groot deel gebruikt voor de gezamenlijke aankoop door de man en de vrouw van de woning in [adres en plaats] en voor investeringen in deze woning. De man en de vrouw hebben deze woning inmiddels verkocht en zullen de opbrengst na aftrek van de kosten en aflossing van de hypothecaire geldlening ten bedrage van € 400.000,-- bij de levering op 1 maart 2007 bij helfte verdelen.

In 1999 heeft [naam holding B.V.] de aandelen in [naam werkmaatschappij B.V.] die toebehoorden aan de holding van de vader van de man overgenomen. De overnamesom is niet betaald maar omgezet in een geldlening die is opgenomen op de balans van [naam werkmaatschappij B.V.].

beoordeling

het periodiek verrekenbeding

Omdat partijen niet hebben voldaan aan de overeengekomen verrekenplicht moet met toepassing van artikel 1:141 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden beoordeeld of alsnog verrekening moet plaatsvinden.

Nu partijen kennelijk beiden ervan uitgaan dat de aandelen zelf niet overeenkomstig artikel 1:141 lid 3 BW tot te verrekenen vermogen behoren, zal deze beoordeling geschieden aan de hand van artikel 1:141 lid 4 (voor zover de onderneming in de B.V. is gedreven) en lid 5 (voor zover er sprake is geweest van een eenmanszaak). Partijen verschillen van mening over de vraag of deze bepaling leidt tot enige verrekening ten aanzien van de ondernemingswinsten.

Toepassing van lid 4 van deze bepaling is aan de orde, indien:

(1) een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komt en

(2) een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat. In verband hiermee kan de vraag rijzen of er overeenkomstig artikel 1:141 lid 4 BW moet worden verrekend ongeacht de bron van de winst. Naar de letter genomen zou deze bepaling immers zo kunnen worden uitgelegd dat niet uitgekeerde winsten in een B.V. ook moeten worden verrekend, indien partijen een verrekenbeding ten aanzien van winst uit onderneming uit een eenmanszaak zijn overeengekomen. Nu de tekst van deze bepaling op dit punt geen duidelijkheid geeft wordt te rade gegaan bij de Memorie van Toelichting Tweede Kamer bij wetsvoorstel 27 554, p. 16 waar ten aanzien van artikel 1:141 lid 4, voor zover hier van belang, het volgende is vermeld: Het vierde lid verschaft een voorziening in geval een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winst van een niet op zijn naam gevoerde onderneming hem rechtstreeks of onmiddellijk ten goede komt. Het gaat dan om een onderneming die in vorm van een rechtspersoon of vennootschap onder firma wordt gedreven. In dat geval dient voor de uitvoering van een beding dat winsten uit een dergelijke onderneming in de verrekening betrekt een in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwde winst te worden bepaald. (...) Voorwaarde is wel dat de verrekenplicht ook impliciet of expliciet dergelijke ondernemingswinsten omvat.

Gelet op deze toelichting is een ruime uitleg uitgesloten en is artikel 1:141 lid 4 BW alleen van toepassing indien een verrekenbeding is overeengekomen dat impliciet of expliciet ook winst uit een rechtspersoon of personenvennootschap in de verrekening betrekt.

Aan voorwaarde (1) is voldaan, nu de man directeur en enig aandeelhouder van [naam holding B.V.] en indirect van [naam werkmaatschappij B.V.] is.

Aan voorwaarde (2) is gelet op de definitie van het begrip inkomen in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden (kort gezegd: de periodiek genoten inkomsten en vruchten waarover inkomstenbelasting wordt geheven, dus ook winst uit een eenmanszaak) in elk geval voldaan over de periode dat de man zijn eenmanszaak die aanvankelijk uit één en later uit twee lingeriewinkels bestond nog niet in [naam B.V.] had ingebracht.

Voor de periode vanaf de inbreng van de eenmanszaak in [naam B.V.] rijst de vraag of het verrekenbeding impliciet of expliciet ook ziet op niet uitgekeerde winst in [naam holding B.V.] en [naam werkmaatschappij B.V.] en of ook in die situatie aan voorwaarde (2) is voldaan. Deze vraag moet niet alleen worden beantwoord op grond van de tekst en inhoud van de huwelijkse voorwaarden, maar ook aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen hebben afgeleid en van wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

In dit verband zijn allereerst vooral van belang de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden op dit punt, de omstandigheden waaronder deze zijn gemaakt en de wederzijds kenbare bedoelingen van partijen.

Op de zitting van 19 september 2006 is gebleken dat het periodiek verrekenbeding bij het maken van de huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk ter sprake is gekomen, dat de man op dat moment een onderneming in de vorm van een eenmanszaak dreef, dat blijkens de tekst van de huwelijkse voorwaarden onder inkomen in elk geval de winst uit de onderneming die de man in de vorm van een eenmanszaak dreef viel en dat de reden voor het maken van de huwelijkse voorwaarden was gelegen in bescherming van de vrouw tegen de risico’s die de man als ondernemer liep. Bij deze stand van zaken wordt geoordeeld dat een redelijke uitleg van de huwelijkse voorwaarden met zich brengt dat het verrekenbeding – zij het impliciet - ook ziet op winst die is gemaakt door de B.V. waarin de man zijn eenmanszaak tijdens huwelijk heeft ingebracht en die nog niet is uitgekeerd. De vrouw mocht immers in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verwachten dat de wijziging van de rechtsvorm van de onderneming geen afbreuk zou doen aan de afspraak die partijen omtrent de periodieke verrekening van de winst uit de onderneming van de man hadden gemaakt. Overigens is gebleken dat een deel van de winst in 1995 in verband met een terugbetaling op kapitaal in [naam holding B.V.] aan de man is uitgekeerd en in de geest van het periodiek verrekenbeding ten behoeve van beide partijen is geïnvesteerd in de gezamenlijke voormalige echtelijke [adres en plaats], zonder een verplichting van de vrouw tot terugbetaling van enig bedrag daarvan aan de man.

Daarmee wordt voorbijgegaan aan het betoog van de man dat het periodieke verrekenbeding zo moet worden uitgelegd dat het privé-vermogen moet worden verrekend, maar dat het ondernemingsvermogen geheel van hem is en dus niet behoeft te worden verrekend. De vrouw heeft deze uitleg betwist en de man heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die een dergelijke uitleg kunnen rechtvaardigen.

Partijen zijn het erover eens dat 1 januari 2004 als peildatum voor verrekening moet gelden. De balans per 31 december 2003 van zowel de holding als de werkmaatschappij zullen daarom de grondslag van de hierna volgende berekening vormen.

De vrouw heeft gesteld dat de verrekening moet worden geëffectueerd door de algemene reserve zoals die blijkt uit de jaarrekening van [naam holding B.V.] per 31 december 2003 van € 296.273,-- bij helfte te verdelen. Deze jaarrekening is evenals die van [naam werkmaatschappij B.V.] overgelegd door mr. Sanders bij brief van 20 februari 2006.

De man heeft in dit verband naar voren gebracht dat voor de continuïteit van de bedrijfsactiviteiten een solvabiliteit (verhouding eigen vermogen/totaal vermogen) van 30 tot 35% vereist is en voor zover de solvabiliteit hoger is het meerdere in aanmerking komt voor een dividenduitkering. Gelet op zijn betoog gaat hij ervan uit dat deze solvabiliteitstoets eerst in de werkmaatschappij ([naam werkmaatschappij B.V.]) en vervolgens in [naam holding B.V.] moet worden gedaan. Vervolgens moet bij uitkering in aanmerking worden genomen dat er 25% dividendbelasting moet worden betaald.

Nu een dergelijke solvabiliteitstoets naar het oordeel van de rechtbank in de zin van artikel 1:141 lid 4 BW in het maatschappelijk verkeer als redelijk kan worden beschouwd en de vrouw de stelling van de man op dit punt bovendien niet meer gemotiveerd heeft betwist, zal de rechtbank de redenering van de man volgen. Daarbij wordt overigens anders dan de man kennelijk doet uitgegaan van de geconsolideerde balans. Op de vennootschappelijke balans van [naam werkmaatschappij B.V.] is slechts een agioreserve opgenomen en geen overige reserves die voor uitkering in aanmerking zouden komen. Kennelijk worden de winsten van [naam werkmaatschappij B.V.] jaarlijks uitgekeerd aan [naam holding B.V.] Op de balans van [naam holding B.V.] zijn wel vrij uitkeerbare reserves opgenomen die kennelijk mede zijn ontstaan door de uitkering van winst door [naam werkmaatschappij B.V.] Daar komt nog bij dat de solvabiliteit van [naam werkmaatschappij B.V.] in negatieve zin sterk wordt bepaald door de (langlopende) schuld in rekening-courant van € 260.732,-- aan [naam holding B.V.]. Deze schuld van de werkmaatschappij aan de holding en de daarmee corresponderende vordering van de holding komen op de geconsolideerde balans niet voor en hebben vanwege het concernverband voor de berekening van de te verrekenen winst geen reële betekenis.

Bij een solvabiliteit van 32,5% (het gemiddelde van het door de vrouw gestelde percentage van 30 tot 35) op de balans per 31 december 2003 komt van de reserves een bedrag van € 103.041,-- voor uitkering in aanmerking. Na deze uitkering bedraagt het eigen vermogen € 211.406,-- en het totale vermogen € 650.479,--. Vervolgens moet op het uit te keren bedrag de in te houden dividendbelasting naar een tarief van 25% in mindering worden gebracht, zodat een te verrekenen winst resteert van € 77.281,--. De man dient de helft hiervan, derhalve € 38.640,--, aan de vrouw ten titel van verrekening uit te keren.

verrekening belastingaanslagen 2002 en 2003

Partijen zijn het eens over de verrekening van de aanslagen inkomstenbelasting over 2002 en 2003. De aanslagen van de man over 2002 bedraagt € 6.702,-- en over 2003 € 6.490,-- en zijn door de man betaald. De vrouw heeft over 2002 een teruggave gehad van € 1.479,-- en over 2003 een nihilaanslag. De vrouw dient daarom aan de man ten titel van verrekening nog een bedrag van € 7.335,-- te betalen.

Na verrekening van de vorderingen van de man en de vrouw tot hun gemene beloop dient de man nog aan de vrouw te betalen € 31.305,--. Aldus zal worden bepaald.

overige verrekeningen

De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw te bepalen dat de waarde op 1 januari 2004 van de effectenportefeuille, de polissen van levensverzekering en de Mercedes Benz bij helfte moet worden verrekend. Partijen hebben overigens geen gegevens overgelegd op grond waarvan het te verrekenen bedrag kan worden vastgesteld. Daarom zal worden bepaald dat partijen deze goederen dienen te verrekenen en dat de man de helft van de waarde daarvan op

1 januari 2004 aan de vrouw moet betalen.

Alimentatie.

Voor de beoordeling van de alimentatie wordt overeenkomstig de bedoeling van partijen uitgegaan van hetgeen naar voren is gebracht bij de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening inzake de partneralimentatie (78707 FARK 06/1080, uitspraak van 10 juli 2006 van deze rechtbank) en hetgeen op de zitting van 19 september is besproken.

de behoefte

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat partijen tot nu toe de beschikking hadden over een gezamenlijk bruto jaarinkomen van circa € 90.000,--, zijnde een gemiddeld bruto jaarinkomen van de man van circa € 60.000,-- en van de vrouw van circa € 30.000,--. In afwijking van de beoordeling van de verzochte voorlopige voorziening vermeerdert de rechtbank dit bruto jaarinkomen niet met een bedrag van circa € 10.000,-- per jaar. De vrouw heeft haar stelling op dat punt immers tegenover de betwisting door de man op de zitting van 19 september 2006 niet nader onderbouwd met schriftelijke bescheiden of anderszins en dat evenmin aangeboden. Op het bruto jaarinkomen van € 90.000,-- worden in mindering gebracht de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen ad circa € 8.400,-- per jaar, zodat een bruto jaarinkomen resteert van circa € 81.600,--.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan 60% van dit bruto jaarinkomen, aldus afgerond € 48.960,-- bruto per jaar of € 4.080,-- per maand, nu een eenpersoonshuishouden in zijn algemeenheid duurder is dan een tweepersoons.

Gezien haar huidige inkomen van circa € 1.000,-- netto per maand, omgerekend circa € 1.400,-- bruto per maand, welk inkomen de rechtbank tevens als haar verdiencapaciteit aanmerkt, heeft de vrouw behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man van afgerond € 2.680,-- bruto per maand, zodat de verzochte bijdrage ad € 4.000,-- per maand haar behoefte overstijgt en deze gematigd dient te worden tot dat bedrag. Het is redelijk dat de man naar draagkracht in deze huwelijksgebonden behoefte voorziet.

In verband met de uitvoering van het periodiek verrekenbeding en de verkoop van de voormalige echtelijke woning zal de vrouw met ingang van 1 maart 2007 kunnen beschikken over een bedrag van € 230.000,--, waarmee de vrouw geacht kan worden een bruto-rendement van 3.5% of € 8.050,-- per jaar te verkrijgen. Op maandbasis betreft dit een bedrag van € 670,--, zodat de vrouw vanaf 1 maart 2007 nog behoefte zal hebben aan een aanvullende bijdrage van de man van afgerond € 2.010,-- bruto per maand.

de draagkracht van de man

Ter beoordeling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank met partijen met een bruto maandinkomen van € 6.000,--, inclusief vakantiegeld.

Verder wordt op basis van de aangifte inkomstenbelasting 2004 van de man en de onbetwiste stelling van de vrouw dat de man inkomsten uit sparen en beleggen heeft van ten minste € 5.000,-- per jaar, uitgegaan van een vermogen in box 3 van

€ 150.000,--. De rechtbank brengt daarop in mindering een bedrag van afgerond

€ 30.000,-- dat de man in verband met de uitvoering van het periodiek verrekenbeding aan de vrouw moet voldoen. Over de resterende € 120.000,-- wordt gerekend met een bruto-rendement van 3.5% per jaar of € 4.200,-- per jaar.

Vanaf 1 maart 2007 wordt bij de beoordeling van de draagkracht van de man evenals hierboven is gedaan ten aanzien van de behoefte van de vrouw rekening gehouden met de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning waaruit de man een bedrag van € 200.000,-- zal ontvangen, zodat zijn vermogen vanaf dat moment € 320.000,-- bedraagt en gerekend wordt met een bruto-rendement van 3.5% per jaar over dit bedrag, derhalve € 11.200,-- per jaar.

Rekening houdend met - alles op jaarbasis - de WW-premie, het eigenwoningforfait ad € 3.027,--, de hypotheekrente ad € 27.131,--, de algemene heffingskorting ad € 1.990,--, de arbeidskorting ad € 1.357,-- en de inkomstenbelasting ad € 15.936--, (18.336) berekent de rechtbank het besteedbaar maandinkomen van de man op afgerond € 4.899,-- en met ingang van 1 maart 2007 op € 5.282.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 846,-- per maand minus de wooncomponent van € 197,-- en met de navolgende, door de vrouw niet betwiste lasten op maandbasis:

- de hypothecaire aflossing/de premie levensverzekering ad € 217,--;

- het forfait overige eigenaarslasten ad € 95,--;

- de premie ziektekostenverzekering ad € 111,--;

De opgevoerde hypotheekrente ad € 2.260,-- per maand matigt de rechtbank tot een bedrag van € 1.883,-- per maand en met ingang van 1 maart 2007 tot € 1.916,--, nu het meerdere de redelijke netto woonlast overstijgt.

Van de draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor alimentatie.

Aldus gerekend en rekening houdend met een bijdrage voor de kinderen van € 350,-- per kind per maand alsook met het belastingvoordeel dat de man heeft wegens alimentatiebetaling voor de jongste zoon van partijen en de vrouw, welk voordeel de rechtbank aan de vrouw toerekent, heeft de man ruimte voor een bedrag van € 900,-- tot 1 maart 2007 en € 1.261,-- per maand met ingang van 1 maart 2007. Deze bedragen acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Omdat de man en de vrouw elkaars echtelieden zijn, zal de rechtbank de kosten als volgt compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de man vanaf heden tot 1 maart 2007 aan de vrouw voor levensonderhoud zal betalen de som van € 900,-- (negenhonderd euro) per maand en met ingang van 1 maart 2007 de som van € 1.261,-- (twaalfhonderdeenenzestig euro), telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw ten titel van verrekening een bedrag van

€ 31.305,-- (eenendertigduizend driehonderdvijf euro) zal voldoen;

bepaalt dat partijen de effectenportefeuille, de polissen van levensverzekering en de Mercedes Benz bij helfte zullen verrekenen en dat de man de helft van de waarde daarvan op 1 januari 2004 aan de vrouw zal voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Lieber en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.