Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AY9943

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
80084 / KG ZA 06-225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beëindiging managementovereenkomst t Stappeland-Sportaccomodaties Zutphen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK Zutphen

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 80084 / KG ZA 06-225

Vonnis in kort geding van 10 oktober 2006

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPORT EN EVENEMENTENCENTRUM ’T STAPPELAND B.V.,

gevestigd te De Koog, gemeente Texel,

eiseres,

procureur mr. F.B.M. van Aanhold,

advocaat mr. P.W.M. Traudes te Den Hoorn,

tegen

de stichting STICHTING SPORTACCOMMODATIES ZUTPHEN,

gevestigd te Zutphen,

gedaagde,

procureur mr. R.J. Voorink,

Partijen zullen hierna 't Stappeland en Sportaccommodaties genoemd worden.

1. De procedure

1.1Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van 't Stappeland

- de pleitnota van Sportaccommodaties.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1Sport- en Evenementen ’t Stappeland B.V. houdt zich bezig met de verhuur van stacaravans alsmede de exploitatie van een sportveld en tennisbanen. Zij is tevens een evenementen-organisatiebureau en participatiemaatschappij. Haar directeur / enig aandeelhouder is [directeur/enig aandeelhouder].

2.2. Stichting Sportaccommodaties Zutphen heeft ten doel het voor eigen rekening en risico exploiteren van sportaccommodaties binnen de gemeente Zutphen, waaronder het zwembadcomplex [zwembad] te Zutphen.

2.3. Partijen hebben op 10 september 2005 een managementovereenkomst gesloten, waarin 't Stappeland is aangeduid als “de BV” en Sportaccommodaties als “de onderneming” waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen:

“ De ondergetekenden (...) in aanmerking nemende dat:

- de onderneming in verband met haar organisatie een aantal bedrijfsprocessen wil laten

aansturen;

- de BV over bijzondere expertise beschikt op dit gebied;

- de onderneming en de BV een overeenkomst zijn aangegaan overeenkomstig de daartoe

geldende wettelijke en statutaire bepalingen, waarbij de BV de bedrijfsprocessen van de

onderneming gaat aansturen;

- de overeenkomst is aangegaan onder de volgende voorwaarden.

Artikel 1

De BV is met ingang van één september tweeduizendvijf overeenkomstig de daartoe geldende wettelijke en statutaire bepalingen benoemd als gevolmachtigde van de onderneming, welke benoeming door de BV overeenkomstig de daartoe geldende wettelijke en statutaire bepalingen is aanvaard.

Artikel 2

De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en geldt vanaf één september tweeduizendvijf tot éénendertig december tweeduizendzes.

Artikel 3

Partijen zijn niet bevoegd de overeenkomst tussentijds op te zeggen.

Artikel 6

De BV zal als tijdelijk gevolmachtigde de bedrijfsprocessen van de onderneming aansturen. De BV voert deze werkzaamheden adequaat overeenkomstig de wet en statutaire bepalingen, waaronder de statutaire doelstelling mede wordt begrepen, van de onderneming uit. Onder de werkzaamheden valt in ieder geval de feitelijke en dagelijkse leiding van de onderneming.

Deze overeenkomst is een overkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. Partijen willen derhalve geen arbeidsovereenkomst met elkaar sluiten.

Artikel 7

De volgende rechtshandelingen zijn uitdrukkelijk uitgesloten van de werkzaamheden zoals vermeld in artikel 6:

a. handelingen die voorzienbaar het financiële belang van € 5.000,-- te boven gaan;

b. het aangaan van borgtochten en financieringsovereenkomsten;

c. het verkrijgen, vervreemden, huren, verhuren, pachten, verpachten of anderszins in gebruik nemen of geven van onroerende zaken;

d. het aangaan of beëindigen van arbeidsovereenkomsten.

Artikel 8

De BV draagt ervoor zorg dat de werkzaamheden door daartoe gekwalificeerde en capabele natuurlijke personen worden uitgeoefend.

Artikel 9

1. De BV ontvangt voor haar werkzaamheden een maandelijkse vergoeding van € 2.000,--

(zegge: tweeduizend euro). De vergoeding zal met ingang van één december

tweeduizendvijf met € 2.000,-- worden verhoogd tot € 4.000,--.

(...)”

2.4. Partijen hebben tevens op 10 september 2005 een aanvullende overeenkomst, onder de naam bonusregeling, gesloten, waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen:

“ De ondergetekenden (...) in aanmerking nemende dat:

- de BV werkzaamheden zal gaan verrichten voor de onderneming;

- partijen daartoe op dertig augustus tweeduizendvijf een overeenkomst hebben gesloten;

- partijen een deel van de vergoeding voor de BV afhankelijk willen laten zijn van een

bepaalde prestatie-indicator;

- partijen de volgende voorwaarden zijn overeengekomen.

Artikel 1

Als presentatie-indicator zal gaan fungeren de omvang van het exploitatietekort, vóór aftrek van de prestatieafhankelijke vergoeding, zoals blijkt uit de verlies- en winstrekening over tweeduizendzes van de onderneming.

Artikel 2

De hoogte van de prestatieafhankelijke vergoeding bedraagt tien procent, exclusief omzetbelasting, van de afname van het door de gemeenteraad van de Gemeente Zutphen voorlopig vastgesteld exploitatietekort 2006.

(...)”

2.5. De feitelijke en dagelijkse leiding over het zwembad is daarbij in handen gegeven van de heer [directeur/enig aandeelhouder] (hierna: [directeur/enig aandeelhouder]), directeur / enig aandeelhouder van Sportaccommodaties.

2.6. Op 13 juli 2006 heeft tussen het bestuur van Sportaccomodaties Zutphen ([bestuurlid A], [bestuurlid B], [bestuurslid C] en [bestuurlid D] en [directeur/enig aandeelhouder] een evaluatiegesprek plaatsgevonden. De afspraken die tijdens het gesprek zijn gemaakt, worden in het verslag als volgt weergegeven:

“4. (...)

[bestuurlid A] zegt dat er nog steeds vertrouwen in [directeur/enig aandeelhouder] is en dat wij nog steeds bezig zijn om de relatie tussen manager en bestuur te verbeteren, zodat dit tot een prettige samenwerking van allen (bestuur, manager en personeel) leidt voor een optimaal resultaat. [bestuurtlid D] en [bestuurslid C] vinden dat al het besprokene in september 2006 zichtbaar moet zijn en om dan te beslissen over eventueel een verdere samenwerking, die dan echter wel van 2 kanten moet komen.”

(...)”

en

“6. Eindconclusie: In september 2006 gaan wij opnieuw om de tafel om verdere samenwerking voor het jaar 2007 te bespreken. Bestuur verwacht dat [directeur/enig aandeelhouder] meer kennis op gaat doen over de problematiek van dit zwembad en meer gaat meewerken waar dat kan. Wil [directeur/enig aandeelhouder] volgend jaar [zwembad] gaan managen dan zullen deze verbeterpunten duidelijk zichtbaar moeten worden. De functie eisen voor manager zwembad worden hem overhandigd.“

2.7. Op 27 juli 2006 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden tussen [directeur/enig aandeelhouder] enerzijds en [bestuurlid A] en [bestuurslid D] anderzijds. In een van dit gesprek opgemaakt verslag staat onder meer: “Wij spreken verder met [directeur/enig aandeelhouder] af dat hij na zijn week vakantie op gaat geven waar hij naar toegaat, zodat het bestuur altijd weet waar hij in diensttijd verblijft. Hoe wij dit gaan regelen moet nog afgesproken worden.”

2.8. Op 8 augustus 2006 heeft er tussen [directeur/enig aandeelhouder] en het bestuur een bespreking plaatsgevonden waarin, blijkens het daarvan opgemaakte verslag, het volgende is besproken: “[bestuurlid A] zegt dat het bestuur vindt dat [directeur/enig aandeelhouder] niet goed functioneert, onvoldoende kennis heeft op allerlei gebied en niet de bijzondere expertise levert, die wordt gevraagd in de managementovereenkomst zoals overeengekomen met Stappeland B.V. Het bestuur lijkt het beter om de samenwerking met [directeur/enig aandeelhouder] te beëindigen of Stappeland moet de bijzondere expertise leveren die voor de leiding van ons zwembad nodig is. [bestuurlid A] vraagt aan [directeur/enig aandeelhouder] of zijn BV hiertoe in staat is en hij antwoord hierop dat hij totaal overdonderd is door deze gang van zaken, maar wel al een voorgevoel had en vindt dat dit bestuur het allemaal verkeerd ziet en eerst de tijd wil hebben om dit allemaal te bestuderen. Op dit moment vindt hij de bijzondere expertise voldoende. (...)

[bestuurlid A] legt hem namens het bestuur een beëindigingsvoorstel voor en zet deze uiteen en vraagt na deze uitgebreide uitleg aan [directeur/enig aandeelhouder] of hij deze wil ondertekenen. [directeur/enig aandeelhouder] antwoord hierop dat hij deze overeenkomst eerst wil bestuderen, omdat hij hier recht op heeft en omdat zij zich hier niet op heeft kunnen voorbereiden. De aanwezige bestuursleden tekenen dit voorstel en [bestuurlid A] geeft deze aan [directeur/enig aandeelhouder]. [bestuurlid A] deelt [directeur/enig aandeelhouder] mede dat hij vanaf nu de dagelijkse leiding van dit zwembad niet meer heeft door gebrek aan de broodnodige kennis en de bijzondere expertise en verzoekt de sleutels in te leveren en zijn privé spullen mee te nemen en het zwembad te verlaten.”

2.9. 't Stappeland heeft de voorgestelde beëindigingsovereenkomst niet ondertekend.

2.10. Bij brief van 4 september 2006 heeft Sportaccommodaties de buitengerechtelijke ontbinding van de managementovereenkomst bevestigd.

3. Het geschil

3.1 't Stappeland vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

primair

1. Sportaccommodaties zal gebieden om binnen een dag na betekening van dit vonnis [directeur/enig aandeelhouder] weer toe te laten tot [zwembad] aan de [adres], teneinde ’t Stappeland in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden naar behoren te doen verrichten;

2. Sportaccommodaties zal verbieden om bemoeienis te hebben met de door ’t Stappeland gegeven dagelijkse en feitelijke leiding aan [zwembad] en in dit kader het bestuur van Sportaccommodaties te verbieden om vaker dan een keer per twee maanden in [zwembad] voor overleg met ’t Stappeland aanwezig te zijn anders dan op uitdrukkelijk verzoek van ’t Stappeland;

3. Sportaccommodaties zal verbieden enige contacten te hebben met het in [zwembad] werkzame personeel;

4. alles op straffe van een dwangsom van € 500,00, per dag of per overtreding dat Sportaccommodaties nalatig is aan de onder punt 1, 2 en 3 genoemde verplichtingen te voldoen; subsidiair

5. Sportaccommodaties zal veroordelen om aan ’t Stappeland te betalen als voorschot op de door haar geleden en nog te lijden schade een bedrag van € 45.000,-- .

3.2. Sportaccomodaties Zutphen voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 't Stappeland heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat Sportaccomodaties Zutphen op verwijtbare wijze tekort is geschoten in de nakoming van de managementovereenkomst.

Door eenzijdige beëindiging van deze overeenkomst op 8 augustus 2006, heeft Sportaccomodaties Zutphen in strijd gehandeld met artikel 3 van de managementovereenkomst. 't Stappeland stelt hierdoor schade te lijden die in haar visie alleen volledig kan worden hersteld door intrekking van de beëindigingsbeslissing.

Deze schade bestaat uit het mislopen van een bedrag van EUR. 20.000,00 aan managementvergoeding en van het reële uitzicht op de afgesproken bonus (van 10% van de door 't Stappeland gerealiseerde verkleining van het exploitatietekort van [zwembad]) en er is sprake van reputatieschade.

In de periode voorafgaand aan de beëindigingsbeslissing heeft Sportaccomodaties Zutphen

de managementovereenkomst geschonden doordat zij zich met details heeft bemoeid en beslissingen heeft doorkruist, op gebied van - onder meer - personeelsbeleid, vrouwenzwemmen en de organisatie van een turbocursus zwemmen voor kinderen.

Het wezenskernmerk van de managementovereenkomst was nu juist dat het geven van de dagelijkse leiding aan 't Stappeland was voorbehouden, aldus 't Stappeland.

4.2 Het verweer van Sportaccomodaties Zutphen komt er op neer dat 't Stappeland geen rechten meer kan ontlenen aan de managementovereenkomst, omdat Sportaccomodaties Zutphen die overeenkomst op 8 augustus 2006 buitengerechtelijk heeft ontbonden wegens wanprestatie hetgeen op 4 september 2006 schriftelijk aan 't Stappeland is bevestigd.

De managementovereenkomst moest volgens Sportaccomodaties Zutphen op 8 augustus 2006 ogenblikkelijk worden beëindigd. Redengevend daarvoor was dat er niet voldoende expertise bestond bij [directeur/enig aandeelhouder] en/of 't Stappeland (laat staan de bijzondere gepretendeerde expertise) en dat een relevant deel van de overeengekomen werkzaamheden - het feitelijk meewerken – niet is uitgevoerd Sportaccomodaties Zutphen wijst in dit kader op het verslag van het gesprek dat op dat 27 juli 2006 heeft plaatsgevonden, waarin staat dat verschillende – nog maar kort tevoren gemaakte – afspraken door [directeur/enig aandeelhouder] niet zijn/worden nagekomen.

Volgens Sportaccomodaties Zutphen moge duidelijk zijn dat het kort daarvoor nog uitgesproken vertrouwen in verbetering van het functioneren van [directeur/enig aandeelhouder] daarmee weggevallen is. Sportaccomodaties Zutphen wijst voorts op een verslag van een vergadering met het bestuur met het managementteam, waarin staat dat dit managementteam van oordeel is dat de door 't Stappeland gestelde expertise niet aanwezig is.

Volgens Sportaccomodaties Zutphen heeft 't Stappeland medegedeeld dat zij niet in staat is om de overeengekomen werkzaamheden door een ander dan [directeur/enig aandeelhouder] uit te laten voeren.

Sportaccomodaties Zutphen stelt zich voorts op het standpunt dat terugkeer van [directeur/enig aandeelhouder] niet aan de orde kan zijn vanwege de wijze van omgang door [directeur/enig aandeelhouder] met een vrouwelijk personeelslid.

4.3 De omstandigheid dat partijen opzegging van de overeenkomst van opdracht contractueel hebben uitgesloten, staat er niet aan in de weg dat de overeenkomst wegens wanprestatie kan worden ontbonden.

In deze procedure is echter onvoldoende vast komen te staan dat de buitengerechtelijke ontbinding door Sportaccomodaties Zutphen in rechte stand kan houden. De standpunten van partijen over de feiten staan voor het grootste gedeelte lijnrecht tegenover elkaar en de verklaring van de ene partij komt niet aannemelijker voor dan die van de andere partij.

Voor nadere bewijslevering is in deze procedure geen plaats.

Voormelde onduidelijkheid over de feiten brengt echter evenzeer met zich dat geen aanleiding bestaat voor een verbod aan Sportaccommodaties om bemoeienis te hebben met de door ’t Stappeland gegeven dagelijkse en feitelijke leiding en om contact te hebben met het personeel.

De afwijzing van de vordering tot een verbod aan het bestuur om zich – kort gezegd – te bemoeien met de dagelijkse zaken en het personeel, brengt met zich dat ook de gevorderde wedertewerkstelling zal worden afgewezen. Uit de vorderingen en uit het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat 't Stappeland niet meer samen kan werken met een bestuur dat zich met de dagelijkse gang van zaken en het personeel bemoeit. Bovendien is ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat er over en weer sprake is van een zodanige vertrouwensbreuk dat samenwerking ook daarom geen reële optie meer is.

4.4 't Stappeland vordert tevens een voorlopige voorziening te treffen aldus, dat Sportaccomodaties Zutphen zal worden veroordeeld tot betaling van een geldsom.

Voor de vraag of toewijzing bij voorraad van een geldvordering in kort geding geïndiceerd is, moet volgens de Hoge Raad niet alleen worden onderzocht of het bestaan van een vorderingen van 't Stappeland op Sportaccomodaties Zutphen voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden, welke meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van belangen van partijen dient mede te worden betrokken het risico van de onmogelijkheid van de terugbetaling door 't Stappeland van de toe te wijzen geldvordering. Terughoudendheid acht de Hoge Raad geboden.

4.5. Ingevolge artikel 7:411 BW heeft de opdrachtnemer bij voortijdig einde van de opdracht recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. Uit de overgelegde producties blijkt vooral dat 't Stappeland en Sportaccomodaties Zutphen diametraal tegenover elkaar staan betreffende de redenen welke tot de beëindiging van de overeenkomst hebben geleid. Wel staat vast dat Sportaccomodaties Zutphen ondanks de door haar aangevoerde redenen van opzegging coulancehalve het aanbod heeft gedaan aan ’t Stappeland om een bedrag van EUR 8.000,--, zijnde twee maandtermijnen, te voldoen. Bij deze stand van zaken wordt geoordeeld dat de redenen voor opzegging kennelijk niet zo zwaarwegend waren dat deze aan een uitkering in de weg stonden. Op grond van dit een en ander acht de voorzieningenrechter veroordeling van Sportaccomodaties Zutphen tot betaling van dat bedrag op zijn plaats.

4.6 't Stappeland zal, nu zij slechts ten dele in het gelijk is gesteld, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Sportaccomodaties Zutphen worden begroot op:

- vast recht EUR 248,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.064,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1 veroordeelt Sportaccomodaties Zutphen tot betaling aan ’t Stappeland van een bedrag van EUR 8.000,--;

5.2 veroordeelt 't Stappeland in de proceskosten, aan de zijde van Sportaccomodaties Zutphen tot op heden begroot op EUR 1.064,00,

5.3verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2006.?