Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AY7315

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
01-09-2006
Zaaknummer
79326 / KG ZA 06-174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schorsing royement turncoach

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 904
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/5 met annotatie van Maessen

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK Zutphen

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 79326 / KG ZA 06-174

Vonnis in kort geding van 1 september 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. S.F.H. Jellinghaus te Tilburg,

tegen

de vereniging

DE KONINKLIJKE NEDERLANDSE GYMNASTIEK UNIE,

gevestigd te Beekbergen,

gedaagde,

procureur mr. C.B. Gaaf,

advocaat mr. H.J.A. Knijff te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en KNGU genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van KNGU.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is meer dan 30 jaar lid geweest van KNGU. Hij is diverse malen namens KNGU en Nederland als trainer/coach uitgezonden naar diverse EK’s en WK’s turnen en trampolinespringen en andere internationale turn- en trampolinetoernooien.

2.2. Bij uitspraak van 25 november 2005 heeft de tuchtcommissie van KNGU aan [eiser] de straf opgelegd van royement als lid van KNGU, naar aanleiding van een klacht van het bondsbestuur die als volgt luidt: “Het bondsbestuur heeft bij de politie aangifte gedaan van diefstal van turntoestellen. Betrokkene is als verdachte aangemerkt en tegen hem is strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Daarmee heeft betrokkene artikel 7.1.b. van de Statuten, alsmede overtreding van artikel 2.2.01 onder c van het Huishoudelijk Reglement (HR) overtreden.”.

In de uitspraak staat onder het kopje “bevindingen” het volgende vermeld:

“Bij vonnis van 15 december 2004 is betrokkene door de rechtbank te Alkmaar veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. De rechtbank heeft in totaal acht diefstallen van turntoestellen en brandstichting van de sporthal te Opmeer bewezen verklaard (www.rechtspraak.nl, LJNAR7617). Betrokkene is in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden voor acht feiten ter zake van heling van diverse turntoestellen.”

Daarna wordt – onder meer – het volgende overwogen:

“De Tuchtcommissie is van oordeel dat betrokkene niet alleen de gedupeerde verenigingen en de betrokken Gemeenten aanzienlijke schade heeft berokkend maar ook de turnsport in het algemeen. Betrokkene heeft daarmee tevens gehandeld in strijd met de belangen van de KNGU. Gelet op de ernst van de gedragingen, de enorme schade die hij heeft toegebracht, de vergaande onsportiviteit waarvan hij heeft blijkgegeven, evenals de grote impact die zijn aanhouding, berechting en veroordeling binnen de turnwereld heeft gehad acht de Commissie de zwaarst mogelijke straf op zijn plaats”.

2.3. Bij uitspraak van 9 mei 2006 heeft de Commissie van Beroep van de KNGU de uitspraak van de Tuchtcommissie van de KNGU bekrachtigd. In deze uitspraak is onder meer het volgende overwogen omtrent door [eiser] aangevoerde grieven:

“Grief 1

De straf is onrechtmatig en voorbarig in verband met het beroep in cassatie dat tegen de veroordeling in hoger beroep is ingesteld.

Deze grief moet worden verworpen. Er is geen bepaling in het toepasselijke tuchtrecht op grond waarvan de behandeling in deze beroepsprocedure moet worden aangehouden in afwachting van een beslissing van de Hoge Raad in het cassatieberoep. Daarbij komt dat [eiser] geen specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid kan worden geconcludeerd dat het bestreden arrest niet in stand zal blijven en dat hij van alle blaam zal worden gezuiverd. Andere gronden voor aanhouding van de behandeling van deze procedure zijn gesteld noch gebleken.

Grief 2

De KNGU heeft de resultaten van een intern onderzoek waaruit de betrokkenheid van [eiser] bij de verdwenen turntoestellen zou kunnen worden afgeleid, veel te snel ter beschikking gesteld van de politie en hem daardoor de mogelijkheid ontnomen om zelf een onderzoek in te stellen. De KNGU had daarmee volgens [eiser] moeten wachten totdat zijn betrokkenheid uit een onderzoek definitief was gebleken.

Voor zover [eiser] bedoeld heeft dat hij door de gestelde handelswijze onredelijk in zijn belangen is geschaad, kan deze grief ook niet slagen. Wat ook zij van de keur aan argumenten die deze stelling vergezellen, er bestaat geen enkele geschreven of ongeschreven regel op grond waarvan KNGU verplicht was tot inachtneming van de door [eiser] be(t)oogde handelswijze. Evenmin kan worden ingezien dat in verband met de volgens de Wit jarenlange relatie tussen partijen en zijn gestelde verdiensten voor de KNGU de feitelijke gang van zaken moreel verwerpelijk is. [eiser] miskent dat juist uit het interne onderzoek van KNGU zijn betrokkenheid op enigerlei wijze bij de verdwijning van toestellen van de KNGU was gebleken. (...)

Grief 3

De strafbare feiten (...) is niet gerelateerd aan de doelstelling van de KNGU als bedoeld in artikel 2 van het huishoudelijk reglement en zijn vermeende gedragingen hebben de belangen van de KNGU niet geschaad en hebben hem evenmin financieel voordeel opgeleverd.

Deze grief moet ook worden verworpen. Blijkens het arrest heeft [eiser] zich beziggehouden met de handel in turntoestellen van de KNGU en bij haar aangesloten turnverenigingen en had hij redelijkerwijs moeten vermoeden dat die toestellen afkomstig waren van diefstal. (...)

Zijn strafbare gedragingen zijn [eiser] zeer zwaar aan te rekenen, nu hij daardoor de KNGU en diverse turnverenigingen gedupeerd heeft. Het is volstrekt evident dat hij daardoor hun belangen geschaad heeft als bedoeld in artikel 7.1.b. van de statuten van de KNGU en artikel 2.2.01 sub c van het huishoudelijk reglement van de KNGU. Ook zijn veroordeling op zich is in dit geval al voldoende voor het oordeel dat hij de bedoelde belangen heeft geschaad. Leden van de KNGU behoren zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten.

Tenslotte is voldoende gebleken dat [eiser] financieel voordeel heeft verkregen. Immers, aldus het arrest, uit zijn verklaringen komt naar voren dat de opbrengsten werden aangewend om openstaande rekeningen en schulden van de turnvereniging van [eiser] te voldoen. Ook dit is niet op inhoudelijke gronden door [eiser] ontkracht.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert na een wijziging van eis ter zitting waartegen KNGU zich niet heeft verzet - samengevat –

primair

dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

1. KNGU zal bevelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het royement in te trekken met terugwerkende kracht vanaf de datum van inwerkingtreding, althans zodanige maatregel als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren,

2. zal bepalen dat KNGU een dwangsom van EUR. 5.000,00 verbeurt voor iedere dag of gedeelte van een dag dat KNGU geheel of gedeeltelijk nalatig blijft aan het onder 1 genoemde bevel te voldoen, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, subsidiair dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

3. het royement van [eiser] door (de tuchtorganen van) de KNGU zal schorsen totdat in de strafzaak van [eiser] in cassatie is beslist,

primair en subsidiair

4. met veroordeling van KNGU in de kosten van dit geding.

3.2. KNGU voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] vordert – kort gezegd – veroordeling van KNGU tot intrekking van het royement dat hem op grond van tuchtrechtelijke uitspraken is opgelegd.

Bij de beoordeling van deze vordering wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de uitspraken van de tuchtorganen partijen binden op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW.

Dit houdt in dat voor toewijzing van de vorderingen slechts plaats is indien voldoende aannemelijk is dat gebondenheid van [eiser] aan de tuchtrechtelijke beslissingen - in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan - in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.2. Voorshands is voldoende aannemelijk dat de bestreden tuchtrechtelijke uitspraken deze toetsing in een bodemprocedure niet zullen doorstaan.

Van belang daarbij is dat de beslissing tot royement uitsluitend is gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling die nog niet onherroepelijk is geworden doordat nog dient te worden beslist op het cassatieberoep van [eiser].

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het in dit geval te ver om aan een nog niet onherroepelijk geworden vonnis de straf van royement te verbinden. Hierbij is in aanmerking genomen dat tussen partijen staat vast dat [eiser] niet buiten de turnsport werkzaam is geweest en dat het na het royement niet meer mogelijk is om zijn vak als turncoach op topniveau uit te oefenen, ook niet in internationaal verband.

Het royement komt derhalve neer op een beroepsverbod, dat mede gelet op zijn leeftijd (41 jaar) en zijn werkervaring zeer verstrekkende gevolgen heeft voor [eiser].

Weliswaar zijn de belangen van KNGU ook begrijpelijk, in die zin dat zij geen prijs stelt op leden die strafrechtelijk veroordeeld zijn. Voldoende aannemelijk is echter dat de straf die de tuchtorganen van KNGU aan [eiser] hebben opgelegd, mede gelet op de aard van de aan [eiser] in strafrechtelijke zin verweten feiten (te weten schuldheling), niet in een redelijke verhouding staat tot de maatregelen die aan andere strafrechtelijk veroordeelde leden zijn opgelegd.

Van belang daarbij is dat KNGU geen andere gevallen heeft genoemd waarin de straf van royement is opgelegd bij een strafrechtelijke veroordeling. Bovendien is ter zitting vast komen te staan dat aan een turnleraar, naar aanleiding van een strafrechtelijke veroordeling voor het (meer dan 5 jaar geleden) onzedelijk betasten van een leerling, een vergrijp dat de goede naam van de turnsport zonder meer in diskrediet brengt, een aanzienlijk minder verstrekkende straf is opgelegd, te weten een voorwaardelijke ontzegging voor de duur van twee jaar van het recht om in de KNGU en/of bij een club voor een te vermelden duur iedere functie te bekleden in het bijzonder die van trainer van minderjarigen.

4.3. Op grond van het vorenstaande komen de vorderingen in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Voor het de gevorderde bevel tot intrekking is echter gelet op het definitieve karakter van een dergelijke veroordeling geen plaats in deze procedure. Derhalve zal worden overgegaan tot toewijzing van de subsidiaire vordering tot schorsing, met dien verstande dat uit al het vorenstaande volgt dat deze zal worden toegewezen voor de duur van een civiele bodemprocedure (over - kort gezegd - het royement) en niet voor de duur van de cassatieprocedure.

4.4. KNGU zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- betaald vast recht 62,00

- in debet gesteld vast recht 186,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.148,87

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. schorst de werking van het royement van [eiser] door (de tuchtorganen van) de KNGU totdat in een bodemprocedure is beslist omtrent de gebondenheid van [eiser] aan de daartoe strekkende tuchtrechtelijke uitspraken,

5.2. veroordeelt KNGU in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.148,87, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer [nummer] ten name van arrondissement Zutphen onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer 79326 / KG ZA 06-174,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.F. Hillen en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2006.