Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AY4893

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
06/1354 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voor het bouwen van een schoolcomplex in Elburg verleende vrijstelling op grond van artikel 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning zijn bij deze uitspraak geschorst, aangezien de vrijstelling naar voorlopig oordeel niet berust op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 06/1354 WRO

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

de [verzoekster]l, te Elburg, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 23 mei 2006 waarbij het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 21 februari 2006 waarbij aan de gemeente Elburg - met toepassing van de bij besluit van 3 januari 3006 aan de gemeente Elburg verleende vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) - bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een schoolcomplex, ongegrond is verklaard en de vrijstelling en bouwvergunning in stand is gelaten.

2. Procesverloop

Namens verzoekster heeft mr. J. van Groningen bij brief van 7 juni 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van dezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 juli 2006. Namens verzoekster is verschenen [naam] bijgestaan door mr. Van Groningen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. ing. G.S. Woudstra en A. Post.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Het in het geding zijnde project voorziet in de oprichting van een onderwijsgebouw met sportvoorziening bestaande uit werkplaatsen, onderwijsruimten, aula, sportzalen en kantoren met een bebouwde oppervlakte van 4582 m² op het perceel aan de Kruidenlaan 1 te Elburg.

Niet in geschil is dat het project in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen “Buitengebide Elburg” en “De Pal”.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten een verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd aangegeven waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

De gemeenteraad kan de haar toekomende vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Niet in geschil is dat de Raad van de gemeente Elburg bij besluit van 27 januari 2005 de haar op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO toekomende bevoegdheid aan verweerder heeft gedelegeerd.

Verzoekster, die een intensieve veehouderij exploiteert aan de Oostendorperstraatweg 22, meent dat zij door de met het bestreden besluit mogelijk gemaakte oprichting van een schoolcomplex - ernstig wordt aangetast in haar bedrijfsbelangen. Volgens verzoekster wordt met de oprichting van het schoolcomplex een stankgevoelig object categorie geïntroduceerd op een zodanige afstand van haar bedrijf dat uitbreidingen van haar bedrijf - gelet op de ingevolge de Stankwet aan te houden afstanden tussen een veehouderij en een voor stank gevoelig object – niet meer mogelijk is. Verzoekster heeft daartoe aangevoerd dat het schoolcomplex - al dan niet in combinatie met de omgevende (toekomstige) bebouwing - een stankgevoelig object categorie I is terwijl thans ter plaatse slechts stankgevoelige objecten categorie III (de woningen Oostendorperstraatweg 21, 23 en 25) aanwezig zijn.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat het te realiseren schoolcomplex geen wijziging in de mogelijkheden van het bedrijf van verzoekster met zich meebrengt. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het schoolcomplex is aan te merken als een stankgevoelig object categorie II waarvoor een tot de veehouderij van verzoekster aan te houden afstand geldt van 313 meter en dat die afstand niet wordt overschreden. Verweerder heeft voorts overwogen dat de woningen aan de Oostendorperstraatweg 21,23 en 25 eerst bij realisering van bebouwing in het plan Vossenakker categorie II zullen worden. Verzoekster wordt dan mogelijk in haar bedrijfsuitbreiding belemmerd doch volgens verweerder biedt de Interimwet stad en milieubenadering (Stb 2006, 37) mogelijkheden om van de gestelde eisen af te wijken.

In het midden latend of het schoolcomplex door verweerder terecht is ingedeeld in categorie II kan de voorzieningenrechter verweerder niet volgen in zijn standpunt. Naar voorlopig oordeel brengt de omstandigheid dat een nieuw stankgevoelig object (categorie I of II) wordt opgericht binnen een afstand van het bedrijf van verzoekster waar voorheen slechts categorie III objecten aanwezig waren reeds met zich mee dat verzoekster in zijn uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt. Gelet daarop is verweerder bij de belangenafweging niet van de juiste feiten uitgegaan.

Verzoekster heeft er terecht op gewezen dat het plan Vossenakker door verweerder mede aan de ruimtelijke onderbouwing van het project ten grondslag is gelegd. Naar voorlopig oordeel had verweerder dan ook de haalbaarheid van het plan Vossenakker en het effect van een gerealiseerd plan Vossenakker in de belangenafweging moeten betrekken. Dit klemt des te meer nu verweerder zelf reeds constateert dat het realiseren van het plan Vossenakker gevolgen heeft voor de uitbreidingsmogelijkheden van verzoeksters bedrijf. Naar voorlopig oordeel dient verweerder voorts in het kader van die belangenafweging concreet aan te geven op welke wijze de Interimwet stad en milieubelangen ruimte biedt om zo nodig ten behoeve van verzoekster van de regelgeving af te wijken.

De voorzieningenrechter volgt verzoekster tenslotte in het standpunt dat uit het bestreden besluit niet blijkt in hoeverre de ruimtelijke onderbouwing van het project past in het streekplan Gelderland 2005. Daartoe wordt overwogen dat uit het streekplan volgt dat bebouwing van het onderhavige gebied mogelijk is mits recht wordt gedaan aan de kernkwaliteit van het desbetreffende landschap. De kernkwaliteit wordt omschreven als: “Een smalle dekzandrug bij Oostendorp. Het gebied kent een onregelmatige en kleinschalige blokverkaveling met grasland en bouwland, dat in contrast staat met het omliggende veenontginnings- en kleigebied.”. Het is de voorzieningenrechter vooralsnog niet gebleken dat verweerder heeft onderzocht of aan voorbedoelde, de in het Streekplan gestelde voorwaarde is voldaan. De voorzieningenrechter wijst er daarbij op dat niet kan worden volstaan met verwijzing naar de overwegingen in de door Gedeputeerde Staten op

29 november 2005 afgegeven verklaring van geen bezwaar.

Gelet op het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als vereist op grond van artikel 3:46 van de Awb, zodat voorshands betwijfeld moet worden of dit besluit in beroep in stand kan blijven.

Op grond van het vorenstaande moet worden gezegd dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

De voorzieningenrechter ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

- schorst het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Elburg het betaalde griffiegeld ad € 281,- aan verzoekster vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 644,- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Elburg.

Aldus gegeven door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.