Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AY3930

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
06/552736-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden, daarbij de binnenbocht heeft genomen en op de verkeerde weghelft heeft gereden. Hij heeft daarbij de, hem tegemoetkomende, fietser niet of te laat opgemerkt, met alle gevolgen van dien – een ongeval heeft plaatsgevonden, tengevolge waarvan een ander werd gedood.

Het onomkeerbare gevolg van het overlijden van het slachtoffer zal blijvend leed en gevoelens van onmacht bij de nabestaanden tot gevolg hebben. Een strafoplegging in welke vorm dan ook zal dat leed nimmer ongedaan kunnen maken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een werkstraf gedurende 200 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen. Zij ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer: 06/552736-05

Uitspraak d.d.: 7 juli 2006

Tegenspraak / dnip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode, woonplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juni 2006.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 november 2005 in de gemeente Voorst als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee heeft gereden over de weg, de Polveensweg, terwijl de omstandigheden als volgt waren;

- ter plaatse gold voor hem -verdachte- een maximum snelheid van 60 kilometer per uur en/of

- ter plaatse maakte de weg, gelet op de rijrichting van verdachte, een (flauwe) bocht naar links en/of

- ter plaatse was de rijbaan ongeveer 4.6 meter breed en/of was de rijbaan niet verdeeld in rijstroken en/of aan weerszijde van de rijbaan was, op een afstand van ongeveer 1.0 meter van de rijbaanrand, een onderbroken streep aangebracht en/of

- ter tijde van het ongeval was het donker en/of ter plaatse was de weg niet verlicht, anders dan door de verlichting van de bij het ongeval betrokken voertuigen.

Hij -verdachte- heeft zich, gelet op voornoemde omstandigheden, toen daar zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, welk rijgedrag hieruit heeft bestaan dat hij -verdachte-;

- bij het inrijden en/of doorrijden van voornoemde bocht deze bocht heeft afgesneden, op een zodanige wijze dat hij, gelet op de rijrichting van verdachte, met de linkerwielen van het door hem bestuurde voertuig (gedeeltelijk) in de berm aan de linkerzijde van de rijbaan heeft gereden, in ieder geval geheel of gedeeltelijk met het door hem bestuurde voertuig op de

weghelft voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden en/of

- heeft gereden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- niet de handelingen heeft verricht die van hem -verdachte- werden vereist en/of zijn aandacht niet voortdurend bij de weg en/of het verkeer heeft gehouden en/of snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij -verdachte- de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft hij -verdachte-, (op het moment dat hij op de verkeerde weghelft reed), een tegemoetkomende fietser niet of pas opgemerkt toen hij deze fietser op korte afstand genaderd was en/of heeft verdachte het door hem bestuurde voertuig niet tot stilstand kunnen brengen op het moment dat hij een tegemoetkomende fietser heeft waargenomen, waarbij of waardoor hij -verdachte- met het door hem bestuurde voertuig (frontaal) tegen voornoemde fietser is gebotst, aangereden en/of aangegleden,

waardoor een ander, de heer [slachtoffer] is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (weefselschade en/of (veel) bloedverlies en/of uitval van een /of meerdere organen, in ieder geval een (groot) aantal gebroken ribben en/of een gebroken en/of verscheuring van het borstbeen en/of het schaambeen en/of breuk van de wervelkolom en/of een ingescheurd middenrif en/of een gescheurde en/of gekneusde milt) heeft bekomen;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 12 november 2005 in de gemeente Voorst, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg, de Polveensweg, waarbij hij

-verdachte-;

- bij het inrijden en/of doorrijden van -gelet op de rijrichting van verdachte- een (flauwe) bocht naar links, deze bocht heeft afgesneden, op een zodanige wijze dat hij, gelet op de rijrichting van verdachte, met de linkerwielen van het door hem bestuurde voertuig (gedeeltelijk) in de berm aan de linkerzijde van de rijbaan heeft gereden, in ieder geval geheel of gedeeltelijk met het door hem bestuurde voertuig op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden en/of

- heeft gereden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- niet de handelingen heeft verricht die van hem -verdachte- werden vereist en/of zijn aandacht niet voortdurend bij de weg en/of het verkeer heeft gehouden en/of snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij -verdachte- de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft hij -verdachte-, (op het moment dat hij op de verkeerde weghelft reed), een tegemoetkomende fietser niet of pas opgemerkt toen hij deze fietser op korte afstand genaderd was en/of heeft verdachte het door hem bestuurde voertuig niet tot stilstand kunnen brengen op het moment dat hij een tegemoetkomende fietser heeft waargenomen, waarbij of waardoor hij

-verdachte- met het door hem bestuurde voertuig (frontaal) tegen voornoemde fietser is gebotst, aangereden en/of aangegleden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 12 november 2005 in de gemeente Voorst als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee heeft gereden over de weg, de Polveensweg, terwijl de omstandigheden als volgt waren;

- ter plaatse gold voor hem -verdachte- een maximum snelheid van 60 kilometer per uur en

- ter plaatse maakte de weg, gelet op de rijrichting van verdachte, een (flauwe) bocht naar links en

- ter plaatse was de rijbaan ongeveer 4.6 meter breed en was de rijbaan niet verdeeld in rijstroken en/of aan weerszijde van de rijbaan was, op een afstand van ongeveer 1.0 meter van de rijbaanrand, een onderbroken streep aangebracht en

- ter tijde van het ongeval was het donker en ter plaatse was de weg niet verlicht, anders dan door de verlichting van de bij het ongeval betrokken voertuigen.

Hij -verdachte- heeft zich, gelet op voornoemde omstandigheden, toen daar zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden, welk rijgedrag hieruit heeft bestaan dat hij

-verdachte-;

- bij het inrijden en doorrijden van voornoemde bocht deze bocht heeft afgesneden, op een zodanige wijze dat hij, gelet op de rijrichting van verdachte, met de linkerwielen van het door hem bestuurde voertuig gedeeltelijk in de berm aan de linkerzijde van de rijbaan heeft gereden en

- heeft gereden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en

- niet de handelingen heeft verricht die van hem -verdachte- werden vereist en zijn aandacht niet voortdurend bij de weg en het verkeer heeft gehouden en snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij -verdachte- de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft hij -verdachte-, (op het moment dat hij op de verkeerde weghelft reed), een tegemoetkomende fietser niet of pas opgemerkt toen hij deze fietser op korte afstand genaderd was en heeft verdachte het door hem bestuurde voertuig niet tot stilstand kunnen brengen op het moment dat hij een tegemoetkomende fietser heeft waargenomen, waardoor hij -verdachte- met het door hem bestuurde voertuig frontaal tegen voornoemde fietser is aangereden,

waardoor een ander, de heer [slachtoffer] is overleden.

Bewijsverweer

Ten aanzien van het onder primair tenlastegelegde heeft de raadsman van verdachte aangevoerd, dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat er volgens de raadsman geen bewijs is dat de verdachte te hard heeft gereden. De raadsman is van oordeel dat er derhalve geen sprake is van roekeloos rijgedrag en de verdachte derhalve van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in het onderliggende dossier voldoende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, aanwezig zijn om tot wettig en overtuigend bewijs van het primair tenlastegelegde te komen. De verdediging heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aanne-melijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een taakstraf als na te melden – met welke strafmodaliteit verdachte heeft ingestemd – op zijn plaats. Deze taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking dat door de handelwijze van verdachte – waarbij hij met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden, daarbij de binnenbocht heeft genomen en op de verkeerde weghelft heeft gereden. Hij heeft daarbij de, hem tegemoetkomende, fietser niet of te laat opgemerkt, met alle gevolgen van dien – een ongeval heeft plaatsgevonden, tengevolge waarvan een ander ([slachtoffer]) werd gedood.

Het onomkeerbare gevolg van het overlijden van het slachtoffer zal blijvend leed en gevoelens van onmacht bij de nabestaanden tot gevolg hebben. Een strafoplegging in welke vorm dan ook zal dat leed nimmer ongedaan kunnen maken.

De rechtbank acht voorts een deels voorwaardelijke ontzegging op zijn plaats is, teneinde de verdachte er van te weerhouden opnieuw zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag te vertonen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte onder primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt ver-dachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte straf-baar.

Veroordeelt verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

- een werkstraf gedurende 200 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen.

Ontzegt ver-dachte ter zake van het bewezen-ver-klaar-de de bevoegdheid motorrijtuigen te bestu-ren voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt, dat deze van deze bijkomende straf een gedeelte groot 5 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. Buijs, voorzitter, en mrs. Kuiken en Eijkelestam, rech-ters, in tegenwoordigheid van Damink, griffier, en uitge-sproken op de openbare terechtzitting van 7 juli 2006.