Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AY0445

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
06-07-2006
Zaaknummer
72400 / HA ZA 05-950 en 74600 / HA ZA 05-1342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Ongeval op smal landweggetje. Kort nadat twee auto's elkaar op een smalle landweg passeren, rijdt een van de auto's tegen een boom. De automobilist die tegen een boom is aangereden heeft geen rijbewijs, zijn passagiere droeg geen gordel en de automobilist in de tweede auto heeft door zijn wijze van rijden onzorvuldig gehandeld. Vastgesteld wordt voor welke percentages de schade aan de betrokkenen dient te worden toegerekend.

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 15
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 10
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/103

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Civiel

Afdeling Handel

Uitspraak: 26 april 2006

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak met rolnummer 72400 / HA ZA 05-950 van

de naamloze vennootschap

AXA SCHADE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. A.P. Hovinga te Rotterdam,

tegen

[bestuurder Mazda],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. A. Schrik,

advocaat mr. A. Hofman te Barneveld,

en in de zaak met rolnummer 74600 / HA ZA 05-1342 van

[bestuurder Mazda],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. A. Schrik,

advocaat mr. A. Hofman te Barneveld,

tegen

[bestuurder Volkswagen],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert te Zwolle.

Partijen zullen hierna Axa, [bestuurder Mazda] en [bestuurder Volkswagen] genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in het incident van 23 november 2005

- het tussenvonnis van 1 maart 2006

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 12 april 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 maart 2006

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 12 april 2006.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. Op 19 september 2003 heeft er omstreeks 19.45 uur een eenzijdig ongeval plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande en buiten de bebouwde kom van Oldebroek gelegen Vierhuizenweg. Ten tijde van het ongeval gold ter plaatse een maximumsnelheid van 80 km/uur. De Vierhuizenweg is ter plaatse 3.90 meter breed. Het ongeval vond plaats nabij de kruising met het Bovenpad. Het betreft wegen van gelijke orde. Op het Bovenpad stond voor de kruising met de Vierhuizenweg ten tijde van het ongeval een waarschuwingsbord met de tekst: “Let op! rechts gaat voor”. Op het wegdek van beide wegen waren bovendien in de nabijheid van de kruising zigzagstrepen aangebracht. Ten tijde van het ongeval was het droog weer en was er sprake van beginnende schemering.

3.2. De toedracht van het ongeval was als volgt. [bestuurder Mazda] reed als bestuurder van zijn personenauto (merk Mazda, kenteken [nummer]) over de Vierhuizenweg. Naast hem was gezeten [[passagiere Mazda] (hierna: [passagiere Mazda]). Op enig moment zag [bestuurder Mazda] de door [bestuurder Volkswagen] bestuurde personenauto (merk Volkswagen, type Bora, kenteken [nummer]). [bestuurder Volkswagen] was kort voordien vanuit het Bovenpad de Vierhuizenweg opgereden en reed in de richting van [bestuurder Mazda].

[bestuurder Mazda] heeft zijn auto naar rechts gestuurd en afgeremd, waarna zijn auto tegen een rechts van de weg gelegen boom tot stilstand is gekomen. Op dat moment was [bestuurder Mazda] [bestuurder Volkswagen] reeds gepasseerd, zonder dat hij de door [bestuurder Volkswagen] bestuurde auto had geraakt. [bestuurder Mazda] is gewond geraakt aan zijn knie. [passagiere Mazda] heeft diverse fracturen, onder meer aan haar benen, opgelopen en is per ambulance naar een ziekenhuis vervoerd. De auto van [bestuurder Mazda] is als gevolg van het ongeval total-loss verklaard en naar de sloop afgevoerd.

3.3. [bestuurder Mazda] was ten tijde van het ongeval niet in het bezit van een rijbewijs. Het kenteken van de Mazda stond op naam van de vader van [bestuurder Mazda]. De vader van [bestuurder Mazda] had geen verzekering ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) voor de Mazda afgesloten. In de periode van 1 september 2003 tot 9 september 2003 was de betreffende auto wel verzekerd door de vorige eigenaar. Risicodrager was Axa. Axa heeft op basis van het zogenaamde narisico van de WAM een begin gemaakt met de regeling van de letselschade van [passagiere Mazda]. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding had Axa reeds € 21.391,96 aan voorschotten aan [passagiere Mazda] betaald. De schade van [passagiere Mazda] is nog niet definitief geregeld.

De door [bestuurder Volkswagen] bestuurde auto was voor de WAM verzekerd bij Winterthur Verzekeringen N.V. (hierna: Winterthur). Winterthur heeft iedere aansprakelijkheid voor het aan [passagiere Mazda] overkomen ongeval van de hand gewezen.

4. De vorderingen in de hoofdzaak

4.1. Axa vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht zal verklaren dat [bestuurder Mazda] gehouden is tot betaling aan Axa van al hetgeen Axa heeft betaald en zal moeten betalen naar aanleiding van het ongeval van 19 september 2003, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 2003, althans vanaf de datum dat Axa de verschillende bedragen daadwerkelijk betaald heeft, een en ander met veroordeling van [bestuurder Mazda] in de kosten van het geding.

4.2. Axa legt aan haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

[bestuurder Mazda] heeft zelf aangegeven dat hij met een snelheid van 90 km per uur heeft gereden. Hij heeft daarmee de ter plaatse geldende maximumsnelheid overtreden. In verband met de geringe breedte van de weg was die snelheid roekeloos te noemen. Niet staat vast dat de uitwijkmanoeuvre van [bestuurder Mazda] geboden was op grond van verkeersnoodzaak. [bestuurder Volkswagen] hield immers zoveel mogelijk rechts. [bestuurder Mazda] kan, omdat hij geen rijbewijs had, niet geacht worden voldoende rijvaardigheid te hebben gehad op het moment van het ongeval. [bestuurder Mazda] heeft meerdere fouten gemaakt en is aansprakelijk voor het ontstaan van de aanrijding. Niet uit te sluiten valt dat [bestuurder Volkswagen] ook voor een deel aansprakelijk is, maar dat is hier niet relevant.

[passagiere Mazda] bevindt zich (afgezien van aan haar toe te rekenen eigen schuld) in de positie dat zij als onschuldig slachtoffer kan kiezen wie zij aansprakelijk stelt. [bestuurder Mazda] en [bestuurder Volkswagen] zijn immers hoofdelijk voor de volledige schade van [passagiere Mazda] aansprakelijk.

Op basis van artikel 15 WAM heeft Axa voor de door haar aan [passagiere Mazda] reeds vergoede en nog te vergoeden schade een recht van verhaal op [bestuurder Mazda]. Omdat de schaderegeling nog niet is afgewikkeld, is Axa niet in staat de hoogte van haar definitieve claim kenbaar te maken. Verder maakt Axa aanspraak op buitengerechtelijke kosten, welke voorshands worden begroot op € 2.000,--.

5. Het verweer in de hoofdzaak

5.1. [bestuurder Mazda] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Axa niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het geding.

5.2. [bestuurder Mazda] voert de navolgende verweren aan.

[bestuurder Volkswagen] heeft aan hem ten onrechte geen voorrang, althans geen vrije doorgang verleend. Door de fout van [bestuurder Volkswagen] is hij met de auto van de weg geraakt met alle gevolgen van dien. Hij heeft niet onrechtmatig jegens [passagiere Mazda] gehandeld. Nu hij niet aansprakelijk is jegens [passagiere Mazda], heeft Axa jegens hem geen regresrecht.

Uit het door de politie uitgevoerd technisch onderzoek blijkt dat zijn snelheid hoogstens 79 km per uur heeft kunnen zijn, waarmee hij binnen de maximum toegestane snelheid is gebleven. Zijn snelheid heeft niet bijgedragen aan de toedracht van het ongeval.

Hij had ruim 20 rijlessen gevolgd en beschikte dientengevolge reeds over rijvaardigheid, ook al beschikte hij toen nog niet over een geldig rijbewijs. Het door Axa veronderstelde gebrek aan rijvaardigheid heeft niet bijgedragen aan het ongeval.

[passagiere Mazda] is bij hem in de auto gestapt, terwijl zij wist dat hij niet over een geldig rijbewijs beschikte en dat de auto onverzekerd was. [passagiere Mazda] droeg geen autogordel. Door de botsing is [passagiere Mazda] naar voren geprojecteerd, als gevolg waarvan zij met voertuigdelen in aanraking is gekomen en letsel heeft opgelopen. Het letsel van [passagiere Mazda] zou niet zijn ontstaan indien zij de veiligheidsgordel zou hebben gebruikt. Vanwege de eigen schuld van [passagiere Mazda] dient de door haar geleden schade geheel, dan wel gedeeltelijk voor haar eigen rekening te blijven.

6. De vorderingen in de vrijwaring

6.1. [bestuurder Mazda] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, zo mogelijk gelijk met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak aanhangig onder rolnummer 72400 / HA ZA 05-950, voor recht zal verklaren dat [bestuurder Volkswagen] gehouden is tot betaling aan [bestuurder Mazda] van al hetgeen [bestuurder Mazda] gehouden is te betalen aan Axa naar aanleiding van het ongeval van 19 september 2003, met inbegrip van de kostenveroordeling in de hoofdzaak, een en ander met veroordeling van [bestuurder Volkswagen] in de kosten van de vrijwaringsprocedure.

6.2. [bestuurder Mazda] legt aan zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

[bestuurder Volkswagen] heeft aan hem ten onrechte geen voorrang, althans geen vrije doorgang verleend. Door de fout van [bestuurder Volkswagen] is hij met de auto van de weg geraakt met alle gevolgen van dien. Nu de botsing en de daaruit voortvloeiende schade een gevolg van de verkeersfout van [bestuurder Volkswagen] is, dient [bestuurder Volkswagen] hem te vrijwaren voor het geval dat hij jegens [passagiere Mazda] aansprakelijk blijkt te zijn voor de door haar geleden schade en Axa een regresrecht op hem heeft.

7. Het verweer in de vrijwaring

7.1. [bestuurder Volkswagen] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [bestuurder Mazda] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans hem deze zal ontzeggen met zijn veroordeling in de kosten van het geding.

7.2. [bestuurder Volkswagen] voert de navolgende verweren aan.

Bij de nadering van de kruising heeft hij naar rechts gekeken, achter de voor hem rechts gelegen boerderij langs, om te zien of er over de Vierhuizenweg verkeer naderde. Dat bleek niet het geval te zijn. Hij is de kruising opgereden -rijdend in de eerste versnelling- en is vervolgens rustig de Vierhuizenweg opgereden. Dat oprijden was nodig om (voldoende) zicht naar rechts te krijgen. Door de bomenrij en overige begroeiing ter plaatse werd het uitzicht voor [bestuurder Volkswagen] belemmerd. Eerst op het moment dat hij zich in de bocht naar rechts bevond had hij voldoende zicht. Op dat moment zag hij [bestuurder Mazda] naderen. Hij schat dat [bestuurder Mazda] op dat moment ongeveer 100 meter van de kruising was verwijderd. De politie heeft die afstand vastgesteld op 73,5 meter.

[bestuurder Mazda] had hem eerder moeten zien dan dat hij [bestuurder Mazda] opmerkte. Voor [bestuurder Volkswagen] was het immers nodig om de Vierhuizenweg op te rijden, terwijl voor [bestuurder Mazda] de Volkswagen van [bestuurder Volkswagen] zichtbaar werd op het moment dat de voorzijde van die auto de weg opstak. [bestuurder Mazda] is onvoldoende oplettend geweest, nu [bestuurder Mazda] de Volkswagen van [bestuurder Volkswagen] op een afstand van meer dan 73,5 meter had kunnen en moeten waarnemen. Hij heeft [bestuurder Mazda] de doorgang niet belemmerd. Beide auto’s hebben elkaar niet geraakt.

Het ongeval is uitsluitend ontstaan doordat [bestuurder Mazda] met een veel te hoge snelheid van (tenminste) 90 km per uur heeft gereden en door onoplettendheid veel te laat heeft gereageerd, waardoor hij in paniek is gaan remmen en de Mazda naar rechts heeft gestuurd, waarna hij van de weg is geraakt.

[bestuurder Volkswagen] heeft jegens [bestuurder Mazda] en [passagiere Mazda] niet onrechtmatig gehandeld.

[bestuurder Mazda] heeft aanvankelijk gemeend dat hij de Volkswagen met (min of meer) onverminderde snelheid zou kunnen passeren en is op laatst hevig gaan remmen, niet omdat hij plotseling met de Volkswagen werd geconfronteerd, maar omdat hij bij nader inzien merkte dat zijn snelheid te hoog was om de Volkswagen rustig te kunnen passeren. Tussen het door [bestuurder Mazda] gestelde onrechtmatig handelen en het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade bestaat dan ook geen causaal verband.

De schade is in overwegende mate een gevolg van de gedragingen van [bestuurder Mazda]. De eventuele schuld van [bestuurder Volkswagen] valt in het niet bij de schuld van [bestuurder Mazda]. [bestuurder Volkswagen], kan slechts (zeer) ten dele gehouden zijn tot vergoeding van de door [passagiere Mazda] geleden schade.

[passagiere Mazda] heeft eigen schuld. Zij is met [bestuurder Mazda] meegereden in de wetenschap dat [bestuurder Mazda] niet beschikte over een rijbewijs en heeft kennelijk niet ingegrepen toen [bestuurder Mazda] met onverantwoord hoge snelheid over de Vierhuizenweg reed. Bovendien heeft [passagiere Mazda] (kennelijk) geen veiligheidsgordel gedragen.

[bestuurder Volkswagen] kan (gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 december 2002; NJ 2005,139) niet worden veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak.

8. De beoordeling

in de hoofdzaak

8.1. Uit hetgeen hierna in de vrijwaringsprocedure zal worden overwogen volgt dat [bestuurder Mazda] en [bestuurder Volkswagen] hoofdelijk jegens [passagiere Mazda] aansprakelijk zijn voor het aan [passagiere Mazda] overkomen ongeval. [bestuurder Mazda] heeft met recht niet het verweer gevoerd dat Axa in het geheel niet gehouden is om op grond van het narisico van de WAM aan [passagiere Mazda] enige schade te vergoeden.

Bij deze stand van zaken kan Axa er mee volstaan om een keuze te maken of zij [bestuurder Mazda] en [bestuurder Volkswagen] gezamenlijk, dan wel een van beide, in casu [bestuurder Mazda], aanspreekt uit hoofde van haar regresrecht.

8.2. Met betrekking tot het door [bestuurder Mazda] gedane beroep op eigen schuld van [passagiere Mazda] wordt het volgende vooropgesteld.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 2005 (NJ 2006,110) volgt dat een WAM-assuradeur, die gehouden is de schade die als gevolg van een verkeersongeval is geleden door een inzittende van een motorrijtuig, zeer beperkt is in haar mogelijkheden om jegens de inzittende een beroep op eigen schuld te doen. Een uitzondering wordt aangenomen voor het -zich in casu niet voordoende- geval dat een persoon geheel vrijwillig heeft plaatsgenomen in een gestolen motorrijtuig dat de schade heeft veroorzaakt en de betreffende persoon wist dat het om een gestolen voertuig ging. Het enkele feit dat [passagiere Mazda] bij [bestuurder Mazda] in de auto is gestapt, wetende dat [bestuurder Mazda] geen rijbewijs had, kan Axa niet aan [passagiere Mazda] tegenwerpen. Dit ligt evenwel anders ten aanzien van de stelling van Axa dat [passagiere Mazda] geen autogordel droeg. Immers, anders dan de omstandigheid dat de bestuurder niet in het bezit is van een geldig rijbewijs, is het niet dragen van een autogordel door een inzittende geen omstandigheid die de bestuurder van het motorrijtuig betreft.

8.3. Bedoelde beperkingen in het verweer gelden niet voor [bestuurder Mazda]. [bestuurder Mazda] kan het beroep op eigen schuld dan ook aan [passagiere Mazda] en daarmee tevens aan Axa tegenwerpen. Indien vast komt te staan dat [passagiere Mazda] ten tijde van het ongeval geen autogordel droeg, dient voorshands te worden geoordeeld dat dit heeft bijgedragen aan de omvang van de schade, welke schade alsdan voor 25% voor rekening van [passagiere Mazda] dient te blijven.

8.4. In het proces-verbaal van politie (productie 1 bij dagvaarding, dossierpagina 18, onder foto 14), wordt gemotiveerd geconcludeerd dat de passagiere (met wie [passagiere Mazda] wordt bedoeld) zeer waarschijnlijk geen gebruik heeft gemaakt van de voor haar bestemde driepunts veiligheidsgordel. Deze conclusie wordt versterkt doordat in het door Axa bij gelegenheid van de comparitie van partijen in het geding gebrachte rittenrapport van de ambulancedienst in rubriek 22 “BESCHERMING” het vakje “20 gordel” niet is aangekruist. Daarnaast is [passagiere Mazda] na het ongeval met haar hoofd liggend op de bestuurdersstoel aangetroffen. Hieruit wordt als vaststaand aangenomen dat [passagiere Mazda] de autogordel niet heeft gedragen. Voorshands wordt voorts aangenomen dat deze omstandigheid het letsel heeft verergerd.

Axa zal in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag of, en zo ja, op welke wijze zij tegenbewijs wenst te leveren tegen de voorshandse aanname dat de omstandigheid dat [passagiere Mazda] ten tijde van het ongeval geen autogordel droeg het letsel heeft verergerd.

8.5. Vast staat dat [bestuurder Mazda] ten tijde van het ongeval 20 à 22 rijlessen had genoten. [passagiere Mazda] wist dat [bestuurder Mazda] geen rijbewijs had toen zij bij hem in de auto stapte. [bestuurder Mazda] heeft ter comparitie verklaard dat [passagiere Mazda] niet wist hoe hij reed, omdat hij voordien nimmer met [passagiere Mazda] een autorit had gemaakt. Door zonder rijbewijs met een auto aan het verkeer deel te nemen wordt het risico om door onvoldoende rijvaardigheid en/of onervarenheid bij een verkeersongeval te worden betrokken vergroot. Aan [passagiere Mazda] kan dan ook worden verweten dat zij bij [bestuurder Mazda] in de auto is gestapt en met hem is meegereden, zonder de rijvaardigheid van [bestuurder Mazda] te kennen, hetgeen ook impliceert dat [passagiere Mazda] niet kon weten of het hem aan rijvaardigheid ontbrak.

Uit hetgeen hierna in de vrijwaringszaak zal blijken, dient te worden geconcludeerd dat het ongeval mede is veroorzaakt door onervarenheid van [bestuurder Mazda].

Hoewel een terughoudende toets dient te worden aangelegd in dit geval, wordt geoordeeld dat onder deze omstandigheden [passagiere Mazda] voor 15 % eigen schuld aan het ontstaan van het ongeval heeft.

Dit brengt met zich dat, los van het aspect van de autogordel, Axa zonder meer 15% van de aan [passagiere Mazda] te vergoeden schade niet op [bestuurder Mazda] zal kunnen verhalen.

8.6. Ter comparitie van partijen heeft [bestuurder Mazda] gewezen op zijn beperkte draagkracht en is gebleken dat [bestuurder Mazda] (geboren op 9 februari 1984) inkomsten uit dienstbetrekking heeft ad € 1.100,-- netto per maand.

[bestuurder Mazda] heeft als gevolg van het ongeval de linker knieschijf gebroken. Ten aanzien daarvan is thans nog sprake van licht restletsel. De auto van [bestuurder Mazda] is als gevolg van het ongeval total-loss verklaard. [bestuurder Mazda] heeft ter comparitie nog verklaard dat hij ter zake van zijn eigen schade een claim bij Winterthur, de WAM-assuradeur van [bestuurder Volkswagen], heeft ingediend alsmede dat Winterthur die claim van de hand heeft gewezen. De rechtbank verstaat hetgeen door of namens [bestuurder Mazda] ter comparitie is verklaard als een beroep op matiging in de zin van artikel 6: 109 BW. Nu Axa daarop nog niet afdoende heeft kunnen reageren, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over dit beroep.

8.7. Het vorenoverwogene leidt tot na te melden beslissing.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

in de vrijwaringszaak

8.8. In deze zaak staat centraal de vraag of [bestuurder Volkswagen] een of meerdere verkeersfouten heeft begaan en, zo ja, of die fout(en) hebben bijgedragen aan het ontstaan van het aan [passagiere Mazda] overkomen ongeval.

8.9. Ter comparitie van partijen heeft [bestuurder Volkswagen] onder meer verklaard:

“(...)Als je achter de boerderij van het Bovenpad naar de Vierhuizerweg kijkt, kun je 300 m. van de Vierhuizerweg zien. Je hebt daar vrij zicht op. Tussen de kruising en de achterzijde van de boerderij zit ongeveer 60 m. Ik draai altijd de hoek om als ik achter de boerderij niks zie. Als je zou stoppen, zit je met je neus te ver op de weg, zodat je beter de hoek om kan draaien. Ik draai de bocht door hoog aan te halen. Dat doe ik altijd en ik denk dat ik dat destijds ook heb gedaan. Ik bedoel daarmee dat ik midden op het Bovenpad rij, zodat ik de bocht hoog aansnij en dan stuur ik scherp in. Als je de bocht krap zou nemen, zie je minder. Ik schat dat de lengte tussen mijn stuur en de voorbumper meer dan één meter is (...).

Het klopt dat ik 300 m. zicht had op de weg en de Mazda niet heb gezien (...).”

8.10. Indien er met [bestuurder Volkswagen] vanuit wordt gegaan dat [bestuurder Mazda] hem is gepasseerd op ongeveer 35 meter vanaf de kruising van het Bovenpad met de Vierhuizenweg (volgens [bestuurder Mazda] gebeurde dat dichter bij de kruising), dan kan uit de hiervoor weergegeven inhoud van de verklaring van [bestuurder Volkswagen] worden afgeleid dat [bestuurder Volkswagen] toen hij rijdende over het Bovenpad de kruising met de Vierhuizenweg naderde niet goed heeft opgelet of er zich verkeer op de Vierhuizenweg bevond. [bestuurder Volkswagen] had naar eigen zeggen immers 300 meter vrij zicht op de Vierhuizenweg en hij heeft toen hij zich nog op het Bovenpad bevond de door [bestuurder Mazda] bestuurde Mazda moeten kunnen zien rijden over de Vierhuizenweg. Daartoe is mede redengevend dat de politie heeft vastgesteld dat [bestuurder Mazda], toen [bestuurder Volkswagen] hem voor de eerste keer gewaar werd op de Vierhuizenweg, zich op 73,5 meter afstand van [bestuurder Volkswagen] bevond. Ook al zou die afstand naar schatting van [bestuurder Volkswagen] ongeveer 100 meter hebben bedragen, dan kan dit niet tot de conclusie leiden dat [bestuurder Mazda] zich nog buiten de “vrij zicht zone” van 300 meter moet hebben bevonden toen [bestuurder Volkswagen] nog op het Bovenpad reed en de kruising naderde. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals hierna zal worden overwogen, er in deze van moet worden uitgegaan dat [bestuurder Mazda] ten tijde van het ongeval met een snelheid van 79 km per uur reed, dat is bijna 80 km per uur.

8.11. Uit de door [bestuurder Volkswagen] geschetste -voor hem gebruikelijke- handelwijze bij het naderen van de voor hem bekende kruising, kan eveneens worden afgeleid dat in het geval dat [bestuurder Volkswagen] [bestuurder Mazda] tijdig had opgemerkt, [bestuurder Volkswagen] zijn auto voor de kruising tot stilstand had gebracht en [bestuurder Mazda] eerst zou hebben laten passeren alvorens de Vierhuizenweg op te rijden. [bestuurder Volkswagen] heeft in de gegeven omstandigheden een onverantwoord risico genomen door zonder te stoppen de Vierhuizenweg op te rijden, terwijl hij er niet zeker van kon zijn dat over die weg geen verkeer in zijn richting naderde. Dit klemt temeer nu [bestuurder Volkswagen] tegenover de politie heeft verklaard (proces-verbaal, dossierpagina 33) dat het hem bekend is dat de Vierhuizenweg smal is en dat over de Vierhuizenweg zeer snel wordt gereden. De verklaring van [bestuurder Volkswagen] dat als hij zou stoppen, hij met de neus van zijn auto te ver op de weg zit, vormt voor zijn handelwijze -gegeven het belang dat weggebruikers op de Vierhuizenweg hebben om ongehinderd hun weg te kunnen vervolgen- geen voldoende rechtvaardiging. Dit geldt temeer nu [bestuurder Volkswagen], indien hij bij het naderen van de kruising beter had opgelet, had kunnen weten dat [bestuurder Mazda] over de Vierhuizenweg deze kruising naderde.

Op welk moment [bestuurder Mazda] [bestuurder Volkswagen] is gepasseerd is niet exact komen vast te staan. Ook al zou dit op een afstand van ongeveer 35 meter van de kruising zijn geweest, dan kan nog gezegd worden dat [bestuurder Volkswagen] de voor hem van rechts komende [bestuurder Mazda] ten onrechte geen voorrang heeft verleend. In deze is immers sprake van een smalle weg, waarvoor destijds een maximum snelheid van 80 km per uur gold. De door [bestuurder Volkswagen] bestuurde auto is -zo blijkt uit het rapport van Rasenberg BV d.d. 8 februari 2005- 174 cm breed (dat is naar ter comparitie door [bestuurder Volkswagen] niet is weersproken exclusief buitenspiegels). Dit betekent dat er voor de uit tegenovergestelde richting komende Mazda (167 cm breed, exclusief buitenspiegels) niet voldoende ruimte overblijft om bij een snelheid van 80 km per uur op veilige wijze de auto van [bestuurder Volkswagen] te passeren. [bestuurder Volkswagen] heeft ter comparitie verklaard dat naar zijn mening een snelheid van 60 km per uur een verantwoorde passeersnelheid is.

Bij een snelheid van 80 km per uur wordt per minuut een afstand van 1,333 km afgelegd. Om een afstand van 100 meter te overbruggen is dan circa 4,5 seconde nodig. Ook al zou [bestuurder Mazda] toen [bestuurder Volkswagen] hem voor het eerst op de Vierhuizenweg gewaar werd zich op een afstand van 100 meter van [bestuurder Volkswagen] hebben bevonden, dan bedraagt de tijd die nodig was om de auto van [bestuurder Volkswagen] te passeren minder dan 4,5 seconde. [bestuurder Volkswagen] stond immers niet stil, maar reed naar eigen zeggen nog in de eerste versnelling. Op bedoelde tijd dient dan nog een reactietijd van 1 seconde in mindering te worden gebracht. Bij deze stand van zaken moet worden aangenomen dat [bestuurder Mazda] zijn snelheid niet meer tijdig kon terugbrengen tot een snelheid waarmee hij [bestuurder Volkswagen] veilig kon passeren. Het verweer van [bestuurder Volkswagen] dat zijn wijze van rijden niet in causaal verband staat met het ongeval wordt dan ook verworpen. Aan getuigen- of deskundigenbewijs wordt aldus niet toegekomen.

In de gegeven omstandigheden dient te worden geoordeeld dat [bestuurder Volkswagen] door zijn wijze van rijden onzorgvuldig heeft gehandeld alsmede dat dit gedrag voor 50% heeft bijgedragen aan het ongeval.

8.12. Met betrekking tot het rijgedrag van [bestuurder Mazda] wordt voorop gesteld dat aan de eigen verklaring van [bestuurder Mazda], dat hij ten tijde van het ongeval 90 km per uur reed, in deze onvoldoende gewicht toekomt. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verklaring van [echtgenote bestuurder Volkswagen], de echtgenote van [bestuurder Volkswagen], inhoudende dat naar haar mening [bestuurder Mazda] met een snelheid van meer dan 100 km per uur reed (productie 3 bij dagvaarding). Uit de resultaten van het technisch onderzoek van de politie (zoals neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 17 en 18) dat door [bestuurder Volkswagen] niet voldoende gemotiveerd is tegengesproken, blijkt immers dat [bestuurder Mazda] maximaal met een snelheid van 79 km per uur heeft gereden. Die snelheid zou slechts dan hoger kunnen liggen indien [bestuurder Mazda] tijdens het reageren heeft geremd, maar voor die aanname is in de stukken geen steun te vinden.

Weliswaar is [bestuurder Mazda] door met een snelheid van 79 km per uur te rijden binnen de destijds ter plaatse geldende maximum snelheid gebleven, maar dat kan [bestuurder Mazda] in casu niet baten. Immers, een bestuurder van een auto is gehouden zijn snelheid zodanig aan de omstandigheden aan te passen dat hij zijn auto te allen tijde veilig tot stilstand kan brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien.

Vast staat dat [bestuurder Mazda] kort voordat hij de kruising naderde reeds een voor hem aan de rechterzijde gelegen zijweg (Bovenpad noord) was gepasseerd, waarbij hij er door een waarschuwingsbord opmerkzaam op was gemaakt dat hij verkeer van rechts moest laten voorgaan. Een snelheid van 80 per uur was in de gegeven omstandigheden op die plek al te hoog. Voordat [bestuurder Mazda] vervolgens de ten processe bedoelde kruising naderde is hij door zogenaamde zigzagstrepen gewaarschuwd voor mogelijk voor hem bezien van links komend verkeer als de door [bestuurder Volkswagen] bestuurde auto. Uit de in het geding gebrachte situatiefoto’s kan in verband met de zich aan weerszijden van de weg bevindende bomenrijen worden afgeleid dat verkeer dat van het Bovenpad komt (in belangrijke mate) aan het zicht wordt onttrokken voor verkeer dat zich op de Vierhuizenweg bevindt. Bij deze stand van zaken was de door [bestuurder Mazda] gevoerde snelheid, mede in aanmerking genomen de geringe breedte van de Vierhuizenweg, veel te hoog om tijdig adequaat te kunnen reageren op het feit dat [bestuurder Volkswagen] kort voordien vanuit het Bovenpad de Vierhuizenweg op was gereden.

Onder deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat [bestuurder Mazda] door zijn wijze van rijden onzorgvuldig heeft gehandeld (hetgeen in overwegende mate is terug te voeren op een gebrek aan rijervaring) alsmede dat dit gedrag voor 50% heeft bijgedragen aan het ongeval.

8.13. [bestuurder Mazda] heeft door zijn snelheid roekeloos gereden, waarbij komt dat hij destijds niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. [bestuurder Volkswagen] heeft bij het oprijden van de Vierhuizenweg teveel risico genomen. Onder deze omstandigheden wordt het aan [passagiere Mazda] overkomen ongeval voor 60% aan [bestuurder Mazda] en voor 40% aan [bestuurder Volkswagen] toegerekend.

8.14. In de hoofdzaak is op het tweeledig verweer van [bestuurder Mazda] dat [passagiere Mazda] eigen schuld treft reeds ingegaan, zodat indien en voor zover dat beroep slaagt dit mede strekt ten gunste [bestuurder Volkswagen] in de vrijwaringszaak. [bestuurder Volkswagen] heeft in de vrijwaringszaak daarenboven nog als derde element van eigen schuld van [passagiere Mazda] aangevoerd dat zij verzuimd heeft om in te grijpen toen zij bemerkte dat [bestuurder Mazda] veel te hard reed. Dit laatste dient in het licht van het vorenstaande te worden genuanceerd tot: in de gegeven omstandigheden te hard. Dit onderdeel van het beroep op eigen schuld wordt verworpen. De snelheid waarmee in een auto wordt gereden is immers de uitsluitende verantwoordelijkheid van de bestuurder. Ter zake is dan ook geen taak voor een inzittende als [passagiere Mazda] weggelegd, temeer nu gesteld noch gebleken is dat [passagiere Mazda] heeft gemerkt en moeten begrijpen dat een snelheid van bijna 80 km per uur in de gegeven omstandigheden te hoog was. [bestuurder Volkswagen] heeft bovendien ook niet gesteld op welke wijze [passagiere Mazda] de door [bestuurder Mazda] gevoerde snelheid effectief zou hebben kunnen beïnvloeden.

8.15. Het vorenoverwogene brengt met zich dat voor recht zal worden verklaard dat [bestuurder Volkswagen] 40% van hetgeen [bestuurder Mazda] gehouden is te betalen aan Axa naar aanleiding van het ongeval van 19 september 2003, aan [bestuurder Mazda] dient te te betalen.

8.16. De vordering van [bestuurder Mazda] omvat de veroordeling van [bestuurder Volkswagen] tot vergoeding van de proceskosten, waartoe [bestuurder Mazda] in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. Het door [bestuurder Mazda] in de hoofdzaak gevoerde verweer diende mede ter verdediging van de belangen van [bestuurder Volkswagen]. De proceskosten die in de hoofdzaak voor rekening van [bestuurder Mazda] zijn gekomen, moeten daarom worden aangemerkt als in redelijkheid gemaakte kosten in de zin van artikel 6:10 lid 3 BW, waarin iedere medeschuldenaar moet bijdragen naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat. Het aandeel van [bestuurder Volkswagen] in hetgeen [bestuurder Mazda] aan Axa zal dienen te betalen is op 40% bepaald. [bestuurder Volkswagen] moet daarom datzelfde percentage van de proceskosten, waarin [bestuurder Mazda] in de hoofdzaak zal worden veroordeeld, aan [bestuurder Mazda] vergoeden.

8.17. [bestuurder Volkswagen] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt. Het verweer van [bestuurder Volkswagen] dat hij in het geheel niet aansprakelijk is, is immers verworpen en zijn aandeel aan het ontstaan van het ongeval is substantieel. Om die reden zal [bestuurder Volkswagen] in de kosten van de vrijwaringsprocedure worden veroordeeld.

8.18. Nu in de hoofdzaak nog geen eindvonnis kan worden gewezen, zal in de vrijwaring iedere verdere beslissing worden aangehouden.

9. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

9.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 mei 2006 voor het nemen van een akte door Axa over hetgeen is vermeld onder r.o. 8.4 en r.o. 8.6.,

9.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak in vrijwaring

9.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2006.