Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AX8789

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
16-06-2006
Zaaknummer
74914 / HA ZA 05-1386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vraag of de gemeente onjuiste informatie heeft verstrekt kan in het midden blijven nu eisers geen schade hebben geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Civiel

Afdeling Handel

Rolnummer: 74914 / HA ZA 05-1386

Uitspraak: 14 juni 2006

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van

1. [eiser],

wonende te Klarenbeek,

2. [eiseres],

wonende te [plaats],

eisers,

procureur mr. A.P. Maes

tegen

DE GEMEENTE VOORST,

zetelende te Twello, gemeente Voorst,

gedaagde,

procureur mr. E.G.M. Wiggers,

advocaat: mr. B.J.P.G. Roozendaal te Breda.

Partijen zullen hierna [eisers]. en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 april 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 9 mei 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 20 mei 1998 heeft [eisers] van [verkopers], hierna te noemen [verkopers], een perceel grond gekocht gelegen aan de [adres en plaats]. Op de grond stond een in aanbouw zijnde bedrijfswoning. [verkopers] woonde op het moment van verkoop in een tijdelijke noodwoning die gelegen was op het ernaast gelegen perceel aan de [adres].

2.2. Partijen hebben bij deze overeenkomst aan elkaar een voorkeursrecht van koop verleend voor elkaars percelen.

2.3. Toen de Gemeente aan [verkopers] een bouwvergunning verleende voor de bedrijfswoning, zijn zij overeengekomen dat [verkopers]. de noodwoning zou afbreken zodra de bedrijfswoning gereed was.

2.4. [eisers]. heeft de bedrijfswoning laten afbouwen waarna [eisers]. de woning op 1 november 1998 heeft betrokken.

2.5. Op 24 februari 1999 heeft [eisers] een brief ontvangen van [verkopers] die luidt - voor zover relevant -:

"Zoals bekend ben ik van plan om mijn opstallen, gesitueerd op [perceel] te verkopen.

Volgens uw koopcontract van mei 1998 heeft U recht op eerste koop.

Graag zou ik van U willen vernemen of U daar momenteel serieus gebruik van zou willen maken. Er is een taxatierapport (...) welke een waarde aangeeft van ƒ 450.000,00

(...)"

Aan [eisers] werd in dit verband mondeling te kennen gegeven dat voormelde koopprijs gerechtvaardigd was omdat er volgens het bestemmingsplan een huis gebouwd mocht worden op de grond.

2.6. [eisers] heeft toen geen gebruik gemaakt van zijn voorkeursrecht.

2.7. Op 15 mei 2001 werd het perceel wederom door [verkopers] aan [eisers] te koop aangeboden, nu voor ƒ 900.000,-- onder de mededeling dat er inmiddels een bouwvergunning voor de grond was verleend. Aangezien [eisers] de vraagprijs te hoog vond heeft [eisers] wederom afgezien van zijn voorkeursrecht en de grond niet gekocht.

2.8. Op 3 juli 2001 is de grond aan een derde verkocht voor € 363.024,00.

2.9. De op 11 mei 2001 verleende bouwvergunning is inmiddels verlopen omdat er geen gebruik van is gemaakt.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

1. zal verklaren voor recht dat de gemeente Voorst onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld;

2. de gemeente Voorst zal veroordelen om de door [eisers] geleden schade te voldoen;

3. de gemeente Voorst zal veroordelen in de kosten van de procedure.

Aan deze vorderingen legt [eisers] in het licht van de feiten de volgende stellingen ten grondslag. Tussen 4 december 1998 en 8 mei 2000 heeft [eisers] meerdere keren aan medewerkers van de Gemeente informatie gevraagd over de bouwmogelijkheden op de grond aan de [adres]. Bij herhaling hebben de heren [gemeentemedewerker A] (hierna te noemen: [gemeentemedewerker A]) en [gemeentemedewerker B] (hierna te noemen: [gemeentemedewerker B]) beiden toentertijd werkzaam bij de Gemeente, aan [eisers. te kennen gegeven dat er geen bouwvergunning voor een woning op de plaats van de noodwoning zou worden afgegeven omdat het bestemmingsplan niet voorzag in twee naast elkaar gelegen woningen. Ook na 8 mei 2000 heeft [eisers] nog een aantal malen contact gehad met [gemeentemedewerker B]. In een van die gesprekken heeft [gemeentemedewerker B] [eisers ervan op de hoogte gesteld dat de Gemeente een fout had gemaakt. De Gemeente is indertijd vergeten de noodwoning aan de [adres] van de plankaart te verwijderen en heeft per abuis aan dit perceel een woonbestemming toegekend. Nadat [verkopers]. aan [eisers]. de grond had aangeboden voor ƒ 900.000,00 heeft [gemeentemedewerker B] - desgevraagd - bevestigd dat er inderdaad een bouwvergunning voor de grond was afgegeven.

Als de Gemeente bij monde van haar medewerkers aan [eisers] de juiste informatie had gegeven over de bouwmogelijkheden op het perceel aan de [adres], had [eisers] in 1999 de kavel willen kopen voor ƒ 450.000,00. Door de onjuiste informatie van de Gemeente, heeft [eisers]. toen daarvan afgezien. De Gemeente heeft door het verstrekken van onjuiste inlichtingen onrechtmatig gehandeld jegens [eisers]. nu een gemeente gehouden is in antwoord op dergelijke vragen nauwgezet en op juiste wijze informatie te verstrekken. Uit dien hoofde is de Gemeente gehouden de schade te vergoeden die [eisers] heeft geleden.

4. Het verweer

De Gemeente heeft zich gemotiveerd verweerd waartoe zij het volgende heeft aangevoerd. De vordering van [eisers] is verjaard. Subsidiair betwist de Gemeente dat [gemeentemedewerker A] en/of [gemeentemedewerker B] zonder het maken van enig voorbehoud de mededelingen heeeft/hebben gedaan zoals door [eisers] wordt gesteld. De enige mededeling die [gemeentemedewerker A] of [gemeentemedewerker B] mogelijk heeft gedaan is dat het niet uit te sluiten is dat er een bouwvergunning kan worden verleend maar dat daarover geen uitspraken worden gedaan en dat een vergunning moet worden aangevraagd.

Indien er vanuit moet worden gegaan dat [gemeentemedewerker A] of [gemeentemedewerker B] de informatie aan [eisers] heeft verstrekt als door [eisers] gesteld, is het nog maar de vraag of [eisers] de grond had gekocht nu [eisers] zelf aanvoert dat hij het perceel had willen kopen indien er zekerheid bestond dat er een bouwvergunning zou worden verkregen. Deze zekerheid zou de Gemeente nooit hebben gegeven. Tot slot is de Gemeente van mening dat [eisers] een verkeerd uitgangspunt hanteert bij de berekening van zijn schade.

5. De beoordeling

5.1. Partijen zijn het er over eens dat de verjaringstermijn van de vordering van [eisers] gaat lopen vanaf het moment dat [eisers] bekend is met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Gelet op het verweer van de Gemeente dat de vordering is verjaard, dient dan ook - als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de Gemeente onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld - eerst te worden beoordeeld of [eisers] door dit handelen schade heeft geleden. [eisers] heeft in dit verband aangevoerd dat zijn schade bestaat uit het verschil tussen de eerste vraagprijs voor het perceel van ƒ 450.000,00 en de huidige waarde van de kavel (althans de waarde waarvoor de kavel is verkocht), dit bedrag te vermeerderen met de stijging van de waarde van ter plaatse vergelijkbare onroerende zaken in de periode 1999 tot 2005, te verminderen met de door hem bespaarde kosten, nader op te maken bij staat.

5.2. Op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omvat vermogensschade zowel geleden verlies als gederfde winst.

Op de voet van dit artikel kan [eisers] aanspraak maken op schadevergoeding indien vast komt te staan dat hij ten gevolge van de informatie van de Gemeente geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het perceel voor ƒ 450.000,00 te kopen, waardoor hij later een veel hogere prijs ervoor heeft moeten betalen. Nu [eisers] het perceel evenwel niet heeft gekocht, is van een dergelijk verlies geen sprake.

Voorts wordt met "gederfde winst" in artikel 6:96 BW gedoeld op die winst waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat [eisers] die ook werkelijk zou hebben. De winst die Kers eventueel zou hebben kunnen maken door verkoop van de grond - de kans op winst - komt niet voor vergoeding in aanmerking. Zie onder meer NJ 1978, 174, NJ 1986, 567 en NJ 1992, 396. In dit verband is van belang dat [eisers]. geen feiten en/of omstandigheden heeft gesteld waaruit eenduidig blijkt, dat hij in 1999 de grond had willen kopen met als doel het perceel weer met winst door te verkopen. Zo schrijft de raadsman van [eisers] aan het College van B&W van de Gemeente op 7 juni 2005:

"Door de onjuiste informatie heeft cliënt afgezien van de koop van het perceel. Als bouwkavel met vergunning had cliënte de kavel willen kopen teneinde de bouw van een woning voor een van zijn kinderen mogelijk te maken."

In zijn dagvaarding schrijft [eisers]:

"Een van de opties was om de bouw van een woning voor een van de kinderen te realiseren. Zelf verhuizen naar de nieuw te bouwen woning en de verkoop van de bestaande eigen woning aan een van de kinderen was een andere optie. Ook de doorverkoop van kavel en/of kavel met de woning was een mogelijkheid."

En ter gelegenheid van de comparitie heeft [eisers] verklaard:

"Wij zitten niet op buren te wachten. Als ik had kunnen bouwen dan was het voor een van mijn kinderen. Dat was maar een van de mogelijkheden die ik had gehad als ik had gekocht en had kunnen bouwen want je kunt nu eenmaal niet in de toekomst kijken."

Nu aldus geconcludeerd wordt dat Kers geen schade heeft geleden, zal reeds hierom de vordering worden afgewezen en behoeven de overige stellingen en weren geen bespreking meer. Ook zal het bewijsaanbod van [eisers] wordt gepasseerd, nu de feiten waarvan het bewijs wordt aangeboden, niet tot een ander oordeel zullen leiden.

5.3. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente Voorst worden begroot op:

- vast recht € 244,00

- salaris procureur € 904,00 (2 × tarief € 452,00)

Totaal € 1148,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente Voorst tot op heden begroot op € 1148,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2006.