Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AW4604

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
11-05-2006
Zaaknummer
68162 / HA ZA 05-223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de wanverhouding tussen de boete en de door de verkoper geleden schade wegens het niet nakomen door de koper van de overeenkomst, wordt aanleiding gezien de door de koper verbeurde boete te matigen tot 2/3 van het bedongen bedrag. Aangezien partijen in hun koopakte uitdrukkelijk zijn afgeweken van het bepaalde in artikel 6:92 BW is daarnaast ook plaats voor het toewijzen van aanvullende schadevergoeding hoewel de werkelijk geleden schade de hoogte van de boete niet overstijgt.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt de procedure in vrijwaring niet vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Civiel

Afdeling Handel

Uitspraak: 22 maart 2006

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring,

in hoofdzaak in de zaak met rolnummer 68162 / HA ZA 05-223 van

1. [eiser A],

2. [eiser B],

beide wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J.W. Damstra,

tegen

1. [gedaagde A],

2. [gedaagde B],

beide (destijds) wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. A. Wiltink,

en voorts in vrijwaring in de zaak met rolnummer 70809 / HA ZA 05-663 van

1. [gedaagde A],

2. [gedaagde B],

beide (thans) wonende te [woonplaats], gemeente Lochem,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. A. Wiltink,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[naam firma adviseurs].,

gevestigd te [woonplaats],

2. [medewerker firma],

3. [medewerker firma],

beide wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. D.J.M. Volkholz-Plaum te Rotterdam.

Partijen zullen hierna tevens [eisers]., [gedaagden] en [naam firma adviseurs]. genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 oktober 2005

- het proces-verbaal van comparitie van partijen gehouden op 8 december 2005

- de pleitaantekeningen van [gedaagden] ter comparitie van partijen

- de akte overlegging producties van [eisers].

- de akte tot wijziging van eis van [eisers].

- de akte uitlating vermeerdering c.q. wijziging van eis van [gedaagden]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

(...)

3. De feiten

In de hoofdzaak

3.1. Bij overeenkomst van 2 juli 2004 heeft [gedaagden] van [eisers]. gekocht de woning aan de [adres] te [plaats]. De koopsom bedroeg € 157.500,00. Voor de vastlegging van de koopovereenkomst hebben partijen de NVM koopakte “bestaande eengezinswoning” gebruikt, hierna: de koopakte. Voor de begeleiding van de aankoop, met name de financiering daarvan, heeft [gedaagden] zich laten bijstaan door [naam firma adviseurs].

3.2. De koopakte biedt in artikel 16.1 aan [gedaagden] de mogelijkheid om de overeenkomst uiterlijk op 23 juli 2004 te ontbinden indien hij niet in staat zou zijn om financiering te verkrijgen. In artikel 10.1 van de koopakte is bepaald:

“Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige deze overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige.”

In artikel 10.2 van de koopakte is bepaald:

“Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van € 15.750,00 verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal.”

3.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1 van de koopakte zou de levering plaatsvinden op 1 september 2004. Omdat [gedaagden] niet in staat bleek op die datum de woning af te nemen is door [eisers]. aan hem een uitstel verleend van maximaal 8 dagen, zodat de woning uiterlijk op 9 september 2004 diende te worden afgenomen. Bij brief van 9 september 2004 heeft de door [eisers]. ingeschakelde naam makelaardij], hierna te noemen: [makelaar], [gedaagden] in gebreke gesteld en hem gesommeerd uiterlijk binnen 8 dagen schriftelijk te bevestigen dat hij de overeenkomst alsnog stipt zal nakomen bij gebreke waarvan [gedaagden] in verzuim zal verkeren. Bij brief van 10 september 2004 heeft [gedaagden] aan [makelaar] geschreven dat hij de woning niet kan afnemen omdat hem duidelijk is geworden dat de daartoe benodigde hypothecaire geldlening niet aan hem zal worden verstrekt. Naar aanleiding van deze brief heeft [eisers]., bij brief van zijn rechtsbijstandverzekeraar van 19 oktober 2004, de tussen partijen gesloten koopovereenkomst op grond van artikel 10.2 van de koopakte ontbonden en aanspraak gemaakt op de boete ter hoogte van € 15.750,00. Voorts is [gedaagden] in die brief aansprakelijk gesteld voor extra kosten die [eisers]. heeft moeten maken vanwege het feit dat de koopovereenkomst niet is nagekomen.

In vrijwaring

(...)

4. De vorderingen

In de hoofdzaak

4.1. [eisers]. vordert, na wijziging van de eis, dat [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om aan [eisers]. te betalen een bedrag van € 33.028,46 (hoofdsom en buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met een bedrag van € 149,82 aan wettelijke rente over de boete van € 15.750,00 vanaf 19 oktober 2004 tot 13 januari 2005, althans te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.

4.2. [eisers]. legt aan de vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de volgende stellingen ten grondslag.

Aangezien [gedaagden] in gebreke is gebleven om de woning op 9 september 2004 af te nemen is hij jegens [eisers]. toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. Dat [gedaagden], naar hem achteraf is gebleken, al dan niet door onjuist advies van zijn adviseur, nimmer een hypothecaire geldlening voor het benodigde bedrag hadden kunnen krijgen, dient niet voor rekening van [eisers]. te komen. De ontbinding van de overeenkomst brengt mee dat [gedaagden], ingevolge het bepaalde in artikel 10.2 van de koopakte, een direct opeisbare boete van € 15.750,00 verschuldigd is. Daarnaast is [gedaagden] uit hoofde van wanprestatie aansprakelijk voor de schade die [eisers]. lijdt nu [eisers]. extra kosten heeft moeten maken door het feit dat hij de woning niet op 9 september 2004 aan [gedaagden] kon leveren. Deze kosten, onder meer bestaande uit dubbele woonlasten, gederfde inkomsten, extra verhuiskosten, telefoonkosten, reiskosten voor overleg met hun jurist, en dergelijke worden door [eisers]. begroot op totaal € 15.480,44. [eisers]. heeft voorts kosten moeten maken voor incassomaatregelen, welke kosten aan de hand van het incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten worden begroot op € 1.798,02.

In vrijwaring

(...)

5. Het verweer

In de hoofdzaak

5.1. [gedaagden] concludeert tot matiging van de schadevergoedingsvordering van [eisers], uitvoerbaar bij voorraad, tot een bedrag van € 5.000,00 althans tot een zodanig bedrag als de rechtbank billijk acht, onder compensatie van kosten.

5.2. [gedaagden] voert de volgende verweren.

[gedaagden] ontkent niet dat hij tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. Echter, de billijkheid brengt mee dat de door [eisers]. gevorderde contractuele boete dient te worden gematigd tot € 5.000,00. [gedaagden] wijst in dit verband op de volgende omstandigheden. De wanprestatie van [gedaagden] is veroorzaakt door fouten die gemaakt zijn door [naam firma adviseurs]., die hij als financieel deskundige voor de begeleiding van de koop had ingeschakeld. [gedaagden] heeft, als een jong stel dat voor het eerst in hun leven een huis wenste te kopen, geheel gesteund op de adviezen van [naam firma adviseurs]. Dat [gedaagden] om die reden de woning niet heeft kunnen afnemen is een grond voor matiging van de contractuele boete op grond van artikel 6: 94 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een andere reden voor matiging is dat [gedaagden] niet hoog is opgeleid. Ook dient mee te spelen dat zowel [gedaagde A] als [gedaagde B] slechts een minimale draagkracht hebben. Voorts is er een aanzienlijk verschil tussen de werkelijk door [eisers]. geleden schade en de contractuele boete. Wat betreft de aanvullende schade die [eisers]. vordert wijst [gedaagden] op rechtspraak waarin is uitgemaakt dat indien de werkelijke schade de som van de overeengekomen boete niet overstijgt er geen aanleiding is om de aanvullende schadevergoeding toe te wijzen. Bovendien heeft [eisers]. nagelaten de door hem gevorderde schade deugdelijk te onderbouwen zodat die kosten als onduidelijk en niet gespecificeerd dienen te worden afgewezen. De opgevoerde kosten zijn ook buitensporig hoog, in het bijzonder de extra telefoonkosten en reiskosten, terwijl ook de samenhang tussen de opgevoerde kosten en de wanprestatie van [gedaagden] niet wordt aangetoond. Slechts de dubbele hypotheeklasten vormen daadwerkelijk schade alsmede een eventuele verzekering voor het woonhuis en de extra kosten van elektra en dergelijke. Ook deze kosten zijn door [eisers]. niet bewezen en worden door [gedaagden] betwis. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich er tegen dat [gedaagden] een substantieel bedrag aan schadevergoeding of boete zou moeten betalen, nu [gedaagden] geen verwijt kan worden gemaakt van het tekortschieten. [gedaagden] vraagt voorts matiging van de wettelijke rente op grond van artikel 6:109 BW en compensatie van de proceskosten. Ook de buitengerechtelijke kosten worden betwist.

In vrijwaring

(...)

6. De beoordeling

in de hoofdzaak

6.1. Tussen partijen staat vast dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst door, in strijd met de gemaakte afspraken, de van [eisers]. gekochte woning niet uiterlijk op 9 september 2004 af te nemen. Bij de onder 3.3. vermelde brief namens [eisers]. van 9 september 2004 is [gedaagden] in gebreke gesteld waarna [gedaagden] op 10 september 2004 reeds schriftelijk laat weten de woning niet te kunnen afnemen omdat hij niet in staat is daarvoor de benodigde financiering te verkrijgen. Op grond hiervan was [eisers]., ook gezien het bepaalde in artikel 10.1 van de koopakte, op dat moment gerechtigd de koopovereenkomst te ontbinden, hetgeen is gebeurd bij brief van 19 oktober 2004.

6.2. [eisers]. vordert in de eerste plaats betaling van de overeengekomen boete. Op grond van het bepaalde in artikel 6:92 lid 3 BW kan een schuldeiser slechts nakoming van een boetebeding vorderen, indien de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Deze regel is ook met zoveel woorden neergelegd in artikel 10.2 van de koopakte. Door [gedaagden] is niet betwist dat er sprake is van toerekenbaar tekortschieten. Integendeel, in de stellingen van [gedaagden] ligt besloten dat het niet nakomen van de koopovereenkomst aan hem toerekenbaar is en dat hij de aansprakelijkheid voor dit tekortschieten jegens [eisers]. erkent. Immers, [gedaagden] concludeert niet tot afwijzing van de vordering van [eisers]. doch verzoekt slechts matiging van de gevorderde boete en/of de schadevergoeding terwijl hij tevens de omvang van de door [eisers]. geleden schade betwist. Derhalve moet er van uit worden gegaan dat het niet-nakomen van de verplichtingen uit de koopovereenkomst aan [gedaagden] kan worden toegerekend zoals bedoeld in artikel 6: 92 lid 3 BW en dat in zoverre voldaan is aan de voorwaarden voor het verbeuren van de contractueel overeengekomen boete genoemd in artikel 10.2 van de koopakte. Uit het bepaalde in artikel 6:74 BW volgt voorts dat [gedaagden], nu er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, aansprakelijk is voor de schade die [eisers]. door de tekortkoming lijdt.

6.3. Ten aanzien van de boete heeft [gedaagden], onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:94 lid 1 BW, een beroep gedaan op matiging. Voor matiging van een contractueel overeengekomen boete kan plaats zijn indien uit de omstandigheden volgt dat de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Naar het oordeel van de rechtbank dient hier als uitgangspunt te gelden dat een contractueel bedongen boete die naast de wettelijke schadevergoeding kan worden opgeëist eerder voor matiging in aanmerking komt dan een boete die de wettelijke schadevergoeding vervangt. Daar staat in het onderhavige geval tegenover dat er sprake is van schending van de hoofdverplichting uit de koopovereenkomst, te weten de verplichting van [gedaagden] om de woning tegen de overeengekomen prijs af te nemen. In die zin is er sprake van een ernstige tekortkoming zodat de gronden voor matiging zwaarwegend moeten zijn.

6.4. [gedaagden] stelt in de eerste plaats dat zijn tekortkoming te wijten is aan fouten die werden gemaakt door de door hem ingeschakelde deskundige, [naam firma adviseurs]. Zo zou [naam firma adviseurs]. de termijn voor het inroepen van de ontbindende voorwaarde voor financiering hebben laten verlopen terwijl toen al duidelijk had kunnen zijn dat [gedaagden] niet voor die financiering in aanmerking zou komen. Ook zou [naam firma adviseurs]. [gedaagden] verkeerd hebben geïnformeerd en niet hebben gehandeld als een redelijk en vakbekwaam adviseur. In deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor matiging van de boete. In zijn algemeenheid geldt dat degene die een deskundige inschakelt het eventuele risico van onbekwaamheid van die deskundige heeft te dragen. Dat is mogelijk anders indien de deskundige is voorgeschreven door de contractspartner, doch daarvan is hier geen sprake. Het valt dan ook niet goed in te zien waarom de eventuele wanprestatie van [naam firma adviseurs]. tot een vermindering van de tussen [eisers]. en [gedaagden] overeengekomen boete moet leiden.

6.5. [gedaagden] heeft voorts gewezen op zijn jonge leeftijd en het feit dat hij voor het eerst een huis wilde kopen. Ook dit zijn omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank hier niet tot matiging kunnen leiden. [gedaagden] liet zich immers juist door [naam firma adviseurs]. bijstaan. Dat achteraf mogelijk gezegd moet worden dat hij daarbij, door onervarenheid, te gemakkelijk alles aan zijn adviseur heeft overgelaten dient voor zijn rekening te blijven. In ieder geval kan dat niet ten nadele van [eisers]. worden uitgelegd. Uit de feiten blijkt overigens dat het ook niet zo is dat [gedaagden] volstrekt ondeskundig of onbekwaam was om zijn zaken te regelen of dat er sprake is van een bijzonder jeugdige leeftijd op grond waarvan gezegd kan worden dat de billijkheid matiging van de bedongen boete eist.

6.6. [gedaagden] stelt voorts dat de draagkracht van zowel [gedaagde A] als van [gedaagde B] minimaal is nu zij beiden geen vast dienstverband hebben waardoor er geen zekerheid bestaat over hun inkomsten. Het feit dat er onzekerheid bestaat over de inkomsten van [gedaagden] geeft mogelijk een incassorisico voor [eisers]. doch is hier, ook gelet op de ernst van de tekortkoming, onvoldoende om tot matiging van de boete over te gaan. Bovendien biedt de gestelde onzekerheid over de financiële positie van [gedaagden] onvoldoende inzicht in de werkelijke draagkracht van [gedaagden] Voor het overige heeft [gedaagden] zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd zodat ook niet onmiddellijk evident is dat toekenning van de boete onbillijk is of tot kennelijke onaanvaardbare gevolgen leidt.

6.7. [gedaagden] stelt tot slot dat een grond voor matiging gelegen is in het feit dat er een behoorlijk verschil lijkt te zijn tussen de werkelijke schade zoals die door [eisers]. is geleden en de contractueel overeengekomen boete. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:94 BW volgt dat een reden voor matiging gelegen kan zijn in het feit dat de bedongen boete buitensporig is in verhouding tot de geleden schade. In het licht van hetgeen hierna nog ten aanzien van de door [eisers]. gevorderde schade zal worden overwogen is naar het oordeel van de rechtbank de bedongen boete inderdaad buitensporig in verhouding tot de door [eisers]. geleden schade. In die wanverhouding tussen de boete en de schade ziet de rechtbank aanleiding om de boete te matigen tot tweederde van het overeengekomen bedrag. Derhalve komt aan [eisers]. uit hoofde van de contractueel overeengekomen boete een bedrag toe van € 10.500,00.

6.8. [eisers]. vordert voorts schade die hij geleden heeft ten gevolge van de door [gedaagden] gepleegde wanprestatie. Door [eisers]. is een nadere specificatie van de schade, groot € 15.480,44, als productie 1 bij akte tot wijziging van eis in het geding gebracht. Bij akte overlegging producties heeft [eisers]. zijn vordering op dit punt met enkele stukken onderbouwd. [gedaagden] heeft de schade betwist, onder meer op de grond dat een deugdelijke onderbouwing van de verschillende schadeposten achterwege is gebleven.

6.9. [eisers] stelt dat de door hem geleden schade in de eerste plaats bestaat uit een bedrag van € 2.940,00 voor de maandelijkse kosten, groot € 245,00, van het aflossen van een doorlopend krediet. Volgens [eisers]. was het de bedoeling dat krediet af te lossen uit de overwaarde van de woning. Door het niet afnemen van de woning, zo stelt [eisers]., heeft het krediet een restlooptijd tot september 2005. [gedaagden] betwist dat er sprake is van overwaarde van de woning en voorts dat er verband bestaat tussen de aflossing van het krediet en de opbrengst van de verkoop van de woning. Gezien de stellingen van [eisers]., door hem ter comparitie van partijen herhaald, en de summiere betwisting van [gedaagden] acht de rechtbank het voldoende aannemelijk gemaakt dat [eisers]. het doorlopend krediet uit de opbrengst van de woning had willen aflossen. Derhalve is aannemelijk dat hij zich voor extra kosten zag geplaatst doordat [gedaagden] de woning niet in september 2004 heeft afgenomen. Door [gedaagden] is niet weersproken dat die kosten voor [eisers]. per maand € 245,00 bedroegen zodat daarvan wordt uitgegaan. Nu echter ook vast staat dat [eisers]. de onderhavige woning per 1 december 2004 voor dezelfde prijs aan een derde heeft verkocht valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom [eisers]. niet toen reeds het doorlopend krediet uit die opbrengst heeft afgelost. Aangezien degene die nadeel lijdt ten gevolge van iemands wanprestatie gehouden is zijn schade zoveel mogelijk te beperken, was [eisers]. gehouden om direct tot aflossing van dit krediet over te gaan. Het voorgaande brengt mee dat dit deel van de vordering toewijsbaar is tot een beloop van 3 maanden extra kosten op de aflossing van het doorlopend krediet, derhalve een bedrag van € 735,- (drie maal € 245,00).

6.10. Als schade wordt voorts gevorderd een bedrag van € 1.800,00 voor gemiste inkomsten over een periode van 3 maanden van [eiser B] door het, ten gevolge van de wanprestatie van [gedaagden], te vroeg opzeggen van haar baan per september 2004. Ter onderbouwing van deze stelling zijn door [eisers]. salarisspecificaties overgelegd over de periode maart tot en met augustus 2004. Deze specificaties vertonen een per maand wisselend salaris, variërend van netto € 155,50 (augustus 2004) tot netto € 1.469,00 (juni 2004). Uit deze salarisspecificaties blijkt dat het gemiddelde maandsalaris in die periode € 717,33 heeft bedragen. Nu ten aanzien van deze schadepost door [gedaagden] geen specifiek verweer is gevoerd terwijl dat wel op zijn weg had gelegen en de omvang van het gevorderde bedrag ook niet ten gunste van [eisers]. afwijkt van het gemiddelde bedrag zoals dat uit de salarisspecificaties blijkt, kan dit deel van de vordering worden toegewezen.

6.11. [eisers]. vordert voorts € 6.000,00 aan gederfde inkomsten van [eiser A]. Ter comparitie van partijen heeft [eiser A] daarover verklaard dat de periode gelegen tussen eind oktober en begin maart voor hem, als zelfstandig chauffeur, rustig is en hij zich in die periode laat inhuren voor klussen. Een aan hem aangeboden klus om drie weken in te vallen voor een zieke chauffeur heeft hij niet kunnen aannemen omdat hij, door de financiële problemen waarin hij was komen te verkeren door het niet afnemen van de woning door [gedaagden], gedwongen was zijn nieuwe woning in [plaats] zelf op te knappen. Had hij niet in die situatie verkeerd, zo stelt [eisers]., dan zou hij voor het opknappen van de woning mankracht hebben ingeschakeld. Met [gedaagden] is de rechtbank van oordeel dat [eisers]. onvoldoende heeft gesteld ten bewijze van het feit dat het niet afnemen van de woning door [gedaagden] in september 2004 hem noopte tot het weigeren van het hem aangeboden werk. Met name is niet duidelijk waarom nu precies in de drie weken dat [eiser A] de chauffeurswerkzaamheden had kunnen verrichten, hij zijn nieuwe woning moest opknappen. Bovendien stelt [gedaagden] terecht dat, mocht de stelling van [eisers]. juist zijn, hij dan kosten zou hebben gemaakt voor het inhuren van personeel voor het opknappen van zijn nieuwe woning welke kosten in mindering dienen te worden gebracht op de gestelde schade. Door [eisers]. is geen inzicht gegeven in de kosten die hij daarvoor zou hebben moeten maken. Nu voorts iedere onderbouwing van het schadebedrag ontbreekt zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

6.12. Ter onderbouwing van de schadepost dubbele hypotheeklasten gedurende een periode van drie maanden, in totaal een bedrag van € 2.343,78, heeft [eisers]. een afschrift van zijn hypotheekbetalingen in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat de hypotheeklasten per maand € 737,39 bedragen en hij maandelijks een bedrag van € 43,87 kwijt was voor hypotheekbescherming. [gedaagden] heeft erkend dat de dubbele hypotheeklasten schade vormen die [eisers]. lijdt ten gevolge van de door hem gepleegde wanprestatie doch hij betwist de omvang van deze schade. Het per maand verschuldigde bedrag is door [gedaagden] echter niet als zodanig betwist zodat als vaststaand kan worden aangenomen dat de maandelijkse hypotheeklasten voor [eisers]. € 781,26 hebben bedragen. Ter comparitie van partijen heeft [eiser A] onder meer verklaard dat het de bedoeling was om de woning half september 2004 te betrekken doch dat die datum, in verband met de problemen met de afname van de woning in [plaats], is opgeschoven naar

13 oktober 2004. [eisers]. heeft geen duidelijkheid verschaft over de datum van levering van de woning in [plaats], terwijl dat eenvoudig mogelijk zou zijn geweest door het in het geding brengen van een kopie van de koopakte en/of leveringsakte, terwijl het de rechtbank weinig aannemelijk lijkt dat het moment van overeenstemming over de koop, naar zeggen van [eisers]. eind augustus 2004, vrijwel samenvalt met het moment van levering, begin september 2004. Op grond hiervan begrijpt de rechtbank de opmerkingen van [eisers]. ter comparitie van partijen aldus dat de woning in [plaats] aan hem geleverd is op 13 oktober 2004. Nu voorts vast staat dat [eisers]. de woning in [plaats] aan een derde heeft verkocht en geleverd per 1 december 2004 zal de rechtbank de gevorderde vergoeding van dubbele hypotheeklasten toewijzen vanaf 13 oktober 2004 tot 1 december 2004. Dit komt neer op circa anderhalve maand, zodat toegewezen kan worden € 1.171,89 (1,5 maal € 781,26).

6.13. Dezelfde redenering gaat op voor de schade die [eisers]. vordert in verband met de dubbele woonhuisverzekering en aanvullende verzekering. Eelderink vordert ook hier vergoeding voor 3 maanden dubbele lasten, in totaal een bedrag van € 673,65, waarvan op grond van het voorgaande in beginsel slechts de helft toewijsbaar is. [gedaagden] heeft bovendien terecht als bezwaar tegen dit deel van de vordering opgeworpen dat [eisers]. heeft nagelaten inzichtelijk te maken om welke verzekeringen het hier gaat. [eisers]. had dit eenvoudig kunnen doen, bijvoorbeeld door een kopie van het polisblad in het geding te brengen. Uit het door [eisers]. overgelegde bankafschrift van 17-08-2005 blijkt dit in ieder geval niet. Nu [eisers]. zijn stellingen op dit punt niet voldoende heeft onderbouwd zal, gelet op het verweer van [gedaagden], dit deel van de vordering worden afgewezen.

6.14. [eisers]. vordert voorts een bedrag van € 253,92 voor diverse belastingen (gemeente en waterschapsbelasting). Ter onderbouwing van dit bedrag heeft [eisers]. bankafschriften in het geding gebracht. De rechtbank kan op grond van die bankafschriften deze belastingen niet tot het gevorderde bedrag terugbrengen. Uit de afschriften blijkt dat [eisers]. steeds een termijnbedrag van € 57,38 voor gemeentelijke belastingen verschuldigd was doch uit die afschriften blijkt niet wat de periode is die een termijn beslaat. Mede in het licht van hetgeen hiervoor bij rechtsoverweging 6.12 is overwogen, wordt deze schade geschat op één termijn zoals die blijkt uit de afschriften, zodat derhalve een bedrag van

€ 57,38 wordt toegewezen. Voor het overige wordt dit deel van de vordering afgewezen.

6.15. Aan nutsvoorzieningen vordert [eisers]. een bedrag van € 341,49. Deze kosten zouden, blijkens de toelichting op de specificatie, samenhangen met het warm houden van de woning en het besproeien van de tuin. Terecht heeft [gedaagden] als verweer tegen deze schadepost aangevoerd dat enige onderbouwing of specificatie van die kosten ontbreekt. Het had op de weg van [eisers]. gelegen om zijn stellingen op dit punt met bewijsstukken te onderbouwen. Nu hij dat niet heeft gedaan zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

6.16. [eisers]. stelt voorts dat hij € 600,- heeft moeten betalen voor de huur van een vrachtwagen. In de toelichting op de kostenspecificatie (productie 1 bij akte tot wijziging van eis) staat vermeld dat die huur nodig was voor het transport van meubels. Voorts staat daar: “Bij latere verhuizing was het mogelijk een vrachtwagen te lenen bij een opdrachtgever. Nu moest er gehuurd worden.” Het is in het licht van deze toelichting onduidelijk en daarmee is onvoldoende onderbouwd wat het verband is tussen deze kosten – die overigens door [gedaagden] worden betwist – en de aan [gedaagden] verweten tekortkoming nu juist het verwijt (mede) inhoudt dat door die tekortkoming de levering en daarmee de verhuizing is uitgesteld. Indien [eisers]. hier iets anders heeft beoogd te stellen dan had hij dat dienen te verduidelijken. De vordering wordt dan ook voor dit deel afgewezen.

6.17. [eisers] voert verder een bedrag op van € 200,00 aan telefoonkosten in verband met “overleg tussen jurist, makelaar en overige partijen.” [gedaagden] heeft dit deel van de vordering betwist. Hoewel het niet onwaarschijnlijk is dat [eisers]. in verband met de wanprestatie van [gedaagden] met deze of gene heeft moeten bellen komt het gevorderde bedrag de rechtbank bijzonder hoog voor terwijl [eisers]. heeft nagelaten enig bewijsstuk daarvan in het geding te brengen. Nu derhalve iedere onderbouwing van de telefoonkosten ontbreekt zal, gelet op de betwisting door [gedaagden], dit deel van de vordering worden afgewezen.

6.18. Tot slot vordert [eisers]. een bedrag van € 327,60 als kilometer vergoeding voor de afstand [plaats] - [plaats]. Uit de specificatie die door [eisers]. bij akte in het geding is gebracht leidt de rechtbank af dat de stelling van [eisers]. is dat hij 7 maal die afstand heeft afgelegd in verband met overleg met zijn makelaar en advocaat en het onderhoud van de tuin en de woning. Eeklderink c.s. heeft nagelaten enige concrete onderbouwing van deze schade te geven terwijl de schade ook niet is onderscheiden naar aantal malen dat deze afstand is afgelegd voor overleg met zijn makelaar en/of zijn advocaat en voor het gestelde onderhoud van de tuin en woning. [eisers]. heeft bovendien ook niet aangegeven waaruit het onderhoud aan de tuin en de woning bestond zodat hij zijn vordering, mede gelet op het door [gedaagden] gevoerde verweer, onvoldoende heeft onderbouwd. Derhalve zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

6.19. Het voorgaande brengt mee dat van de door [eisers]. gevorderde schadevergoeding, groot € 15.480,44, de volgende posten worden kunnen toegewezen: € 735,00, € 1.800,00, € 1.171,89 en € 57, 38, derhalve in totaal een bedrag van € 3.764,27. [gedaagden] heeft nog gesteld dat nu de werkelijk door [eisers]. geleden schade de som van de overeengekomen boete niet overstijgt uit het bepaalde in artikel 6:92 lid 2 BW volgt dat er geen aanleiding is om de aanvullende schadevergoeding toe te wijzen. Deze stelling gaat echter niet op omdat partijen in de koopakte uitdrukkelijk zijn afgeweken van het bepaalde in artikel 6:92 lid 2 BW. In artikel 10.2 van de koopakte is immers vastgelegd dat de aanspraak op de boete niet afdoet aan vergoeding van aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten. In de zaak die leidde tot het vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 augustus 2004 (gepubliceerd op rechtspraak.nl, LJN: AR2824), waar [gedaagden] in dit verband ook nog op wijst, lag de situatie in zoverre anders dat tussen partijen was overeengekomen dat slechts voor zover een partij meer schade lijdt hij, naast de boete, recht heeft op aanvullende schadevergoeding. In die zaak trad de boete dus in de plaats van de schadevergoeding, behoudens voor zover de schade het boetebedrag zou overstijgen.

6.20. [gedaagden] heeft voorts gesteld dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat het niet zo kan zijn dat hij wordt veroordeeld om een substantieel bedrag aan schade te betalen. Dit verweer van [gedaagden] slaagt niet. De door [gedaagden] ter onderbouwing van het beroep op de redelijkheid en billijkheid aangevoerde gronden zijn dezelfde als die hij heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn beroep op matiging. Deze gronden zijn, om dezelfde reden als hiervoor is geoordeeld in het kader van de matiging, onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat toekenning van schadevergoeding aan [eisers]. hier in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daar komt bij dat aan [eisers]. slechts een gering deel van de door hem gevorderde schade zal worden toegewezen, zodat ook, anders dan [gedaagden] stelt, niet gesproken kan worden van een “substantieel bedrag aan schade”. Voor zover [gedaagden] hiermee heeft bedoeld te stellen dat het schadebedrag ten opzichte van de eveneens gevorderde boete “substantieel” is, is dat reeds verdisconteerd in de matiging van de verschuldigde boete.

6.21. Het vorenstaande brengt mee dat de vordering van [eisers]. zal worden toegewezen tot een bedrag van € 14.264,27. [eisers]. heeft wettelijke rente enkel gevorderd over de contractuele boete, welke boete is bepaald op € 10.500,00. [gedaagden] heeft matiging gevraagd van de wettelijke rente doch heeft geen omstandigheden aangevoerd die tot die matiging aanleiding geven zodat voor matiging geen plaats is. Nu [gedaagden] de wettelijke rente voor het overige niet heeft betwist zal deze worden toegewezen over een bedrag van € 10.500,00 vanaf 19 oktober 2004, de datum waarvan onweersproken vast staat dat [gedaagden] ten aanzien van de betaling van de boete in verzuim is komen te verkeren, tot de dag der algehele voldoening.

6.22. De vordering van [eisers]. tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eisers]. heeft niet voldoende onderbouwd gesteld dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

6.23. [gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eisers]. op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 90,85

- vast recht 725,00

- salaris procureur 904,00(2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.719,85

in vrijwaring

(...)

7. De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak met rolnummer 68162 HAZA 05-223

7.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [eisers]. te betalen een bedrag van EUR 14.264,27, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen over een bedrag van EUR 10.500,00 vanaf 19 oktober 2004 tot aan de dag der algehele voldoening,

7.2. veroordeelt [gedaagden] eveneens hoofdelijk in de proceskosten van [eisers]., tot op heden begroot op € 1.719,85,

7.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

In de vrijwaringszaak met rolnummer 70809 HAZA 05-663

(...)

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2006.