Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AV8716

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
06/801567-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Seksueel misbruik met stiefdochter bestraft met 8 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf voor de duur van 100 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer: 06/801567-05

Uitspraak d.d.: 5 april 2006

tegenspraak / dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode, woonplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

22 maart 2006.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997

tot en met 1 april 1997, te Didam en/of (elders) in Nederland en/of in (de

omgeving) van Parijs, althans in Frankrijk en/of in Duitsland,

(telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], buiten echt

ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het sexueel

binnendringen van het lichaam, te weten het met de penis en/of de vinger(s)

binnendringen in de vagina van die [slachtoffer]

en voornoemde [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die

van zestien jaren had bereikt;

art 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997

tot en met 1 april 1997, te Didam en/of (elders) in Nederland,

(telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht hierin dat hij

verdachte (telkens) opzettelijk ontuchtig de borst(en) en/of de bil(len)

en/of de vagina van die [slachtoffer] heeft betast;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Ontvankelijkheid officier van justitie

Verdachte is ten laste gelegd dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd in de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 april 1997 met zijn stiefdochter die in [geboortedatum] is geboren. In de toen geldende wetgeving met betrekking tot art. 245 Wetboek van Strafrecht gold onder meer dat ontuchtige handelingen gepleegd met een persoon die de leeftijd van twaalf doch nog niet die van zestien jaren heeft bereikt slechts op klacht vervolgbaar zijn. Bij wet van 13 juli 2002 (i.w.t. 1 oktober 2002) is het klachtvereiste vervallen. Ingevolge het tweede lid van art. 1 Wetboek van Strafrecht - dat inhoudt dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast - geldt het klachtvereiste derhalve ook voor de aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde ontuchtige handelingen. (HR 23 maart 1993, NJ 1993, 722).

Ingevolge het bepaalde bij het eerste lid van art. 164 Wetboek van Strafvordering bestaat een klacht uit een aangifte en een verzoek tot vervolging en ingevolge het bepaalde bij het eerste lid van art. 165 Wetboek van Strafvordering zijn tot kennisneming van die klacht uitsluitend de officier van justitie en de hulpofficier van justitie bevoegd.

De stukken van het geding houden in dat:

Het slachtoffer op 28 augustus 2003 ten overstaan van [naam agent 1], [functie] en [naam agent 2], [functie Marechaussee], aangifte heeft gedaan van ontuchtige handelingen begaan door de verdachte. Aangeefster verklaart aan het slot van haar aangifte dat zij geïnformeerd wenst te worden over het verloop en de afdoening van de strafzaak. Het stuk bevat geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging. Een dergelijk verzoek is ook niet nadien gedaan.

Het bepaalde in art. 164 Wetboek van Strafvordering strekt ertoe dat duidelijk is dat de tot klacht gerechtigde persoon heeft verzocht een strafvervolging in te stellen en dat deze niet buiten zijn of haar wil om wordt betrokken in een strafproces. Indien een stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in het eerste lid van art. 164 Wetboek van Strafvordering worden aangenomen indien uit de stukken dan wel op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (HR 11 januari 1994, NJ 1994, 278).

Gelet op de inhoud van de klacht en de wens van aangeefster op te hoogte te worden gehouden van de strafzaak is voldoende duidelijk dat aangeefster een vervolging tegen verdacht wenste.

Aangeefster had door de verbalisanten moeten worden verwezen naar een hulpofficier van justitie. Dit verzuim dat voor de klachtgerechtigde in de regel niet kenbaar zal zijn en hem redelijkerwijs dan ook niet kan worden toegerekend, behoeft volgens vaste rechtspraak niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging te leiden.

Tot slot is van algemene bekendheid dat in Duitsland en Frankrijk op de onderhavige feiten eveneens straf is gesteld, zodat geconcludeerd kan worden dat artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht in zoverre geen belemmering vormt voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 april 1997,

in Frankrijk en in Duitsland,

telkens met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], buiten echt

ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, te weten het met de penis en/of de vinger(s)

binnendringen in de vagina van die [slachtoffer]

en voornoemde [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die

van zestien jaren had bereikt;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 april 1997,

te Didam, telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht hierin dat hij

verdachte telkens opzettelijk ontuchtig de borsten en de billen en de vagina van

die [slachtoffer] heeft betast.

Overwegingen met betrekking tot het bewezenverklaarde

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het slachtoffer op gedetailleerde wijze aangegeven wat er met haar is gebeurd. In alle nadere verklaringen is zij consistent gebleven. Haar verklaring wordt op belangrijke onderdelen, zoals het tijdsbestek en de aard van het misbruik, door anderen bevestigd. Dat de toenmalige zeer gecompliceerde gezinssituatie, de druk die op het slachtoffer binnen het gezin werd uitgeoefend om de zaak te laten rusten en haar jeugdige leeftijd er toe hebben geleid dat het slachtoffer aanvankelijk niet in staat was een aangifte door te zetten maar dat pas kon doen toen zij op zichzelf was gaan wonen, acht de rechtbank alleszins voorstelbaar en doet zeker niet af aan de betrouwbaarheid van haar aangifte.

De door verdachte opgeworpen (complot) theorie dat zijn echtgenote, met wie hij in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld het “misbruikverhaal” heeft verzonnen en haar dochter daarvoor heeft ingeschakeld, is de rechtbank niet aannemelijk geworden en strookt ook niet met de omstandigheid dat het slachtoffer al jaren geleden aan derden heeft aangegeven dat zij werd misbruikt door haar stiefvader.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

feit 1: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen, die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

feit 2: ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf als na te melden op zijn plaats. Bedoelde taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat de bewezen verklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, nu verdachte gedurende enkele maanden op ernstige wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn stiefdochter [slachtoffer] en algemeen bekend is dat dergelijke feiten zeer nadelige psychische gevolgen met zich kunnen brengen.

De rechtbank zal echter de eis van de officier van justitie volgen wat betreft de strafmodaliteit, nu verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, het misbruik na enige tijd zonder ingrijpen van derden is gestopt en er inmiddels een aanzienlijke tijd is verstreken. De rechtbank zal de duur van de werkstraf lager stellen dan het aantal uren dat door de officier van justitie is gevorderd, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de gezondheidstoestand van verdachte en de verzorgende taken die hij nog verricht met betrekking tot zijn thuiswonende kinderen.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer], [adres], [postcode, woonplaats], bankrekeningnummer [cijfers] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.609,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijs-middelen en hetgeen verder ter terecht-zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorde-ring is voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 1, 5, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f, 57, 245 (oud) en 249(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres], [postcode, woonplaats], bankrekeningnummer [cijfers], van een bedrag van € 2.609,-, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer voornoemd, een bedrag te betalen van € 2.609,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 52 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. Krijger, voorzitter, mrs. Borgerhoff Mulder en Hemrica, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Bruijn-van der Sluijs, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 april 2006.