Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AV4220

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-03-2006
Datum publicatie
10-03-2006
Zaaknummer
06/437120-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding van de Wet bodembescherming, namelijk het op de onbeschermde bodem opslaan van paardenmest.

Het rapport van het NFI is bij de bewezenverklaring buiten beschouwing gelaten. Het rapport bevat een uiteenzetting van algemene aard over de gevolgen van niet volgens de regels opgeslagen mestconcentraties. De vervuiling in concreto wordt door de deskundige niet besproken. Dit maakt het rapport ongeschikt als bewijsmiddel te dienen in deze zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Economische politierechter

Parketnummer: 06/437120-05

Uitspraak d.d.: 6 maart 2006

Tegenspraak / dip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[voornamen verdachte] [achternaam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode en woonplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

20 februari 2006.

De tenlastelegging

Aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij in de gemeente Apeldoorn, terwijl hij op een perceel grond gelegen aan of nabij [straatnamen ] te Klarenbeek, op of in de bodem handelingen heeft verricht, te weten het opslaan van mest waarbij stoffen (mest en/of mestvocht) die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op en/of in de bodem worden gebracht althans handelingen heeft verricht waarbij als nevengevolg stoffen (mest en/of mestvocht) die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten op of in de bodem (kunnen) geraken en terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, op of omstreeks 19 januari 2005 niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen dan wel, indien die verontreiniging of aantasting zich voordeed, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

art 13 Wet bodembescherming

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de economische politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de gemeente Apeldoorn, terwijl hij op een perceel grond gelegen aan de Brinkenweg en Hooiland te Klarenbeek, op de bodem handelingen heeft verricht, te weten het opslaan van mest, waarbij stoffen (mest en/of mestvocht) die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten op de bodem worden gebracht, terwijl verdachte redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, op 19 januari 2005 niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen.

De verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de bodem niet kon worden verontreinigd nu de door hem opgeslagen paardenmest een droge stof betrof en de emissie daardoor minimaal was.

De economische politierechter overweegt het volgende.

De verbalisanten hebben op 19 januari 2005 geconstateerd dat verdachte op het betreffende perceel vaste dierlijke mest, bestaande uit stro en paardenmest, op de onbeschermde bodem heeft opgeslagen en deze bovendien niet heeft afgedekt. Er zijn foto’s gemaakt waarop valt waar te nemen dat de mest op dat moment gedeeltelijk in vocht lag.

Verdachte is op 19 januari 2005 gehoord en heeft verklaard dat hij de paardenmest, ongeveer 40 m3, op 13 januari 2005 op zijn land heeft gebracht met de bedoeling deze drie weken later over zijn land te verspreiden en onder te werken.

Het is een feit van algemene bekendheid dat mest hoge concentraties van stoffen bevat die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Om die reden dient de opslag van mest op zodanige wijze te geschieden dat de mest en de in de mest voorkomende vloeistof niet in de bodem of in oppervlaktewateren terecht kan komen. Bovendien moet de wijze van opslag voorkomen dat hemelwater in de mest kan dringen. Is er hemelwater in de mest ingedrongen dan moet voorkomen worden dat het vervolgens met daarin opgeloste concentraties van de in de mest voorkomende stoffen, ongecontroleerd kan uitsijpelen. Weliswaar bevat paardenmest een lagere concentratie schadelijke stoffen dan andere mestsoorten, maar de wijze en duur waarop verdachte de mest heeft opgeslagen zorgde voor een onaanvaardbaar hoge belasting, hetgeen blijkt uit de metingen die op 31 januari 2005 zijn gedaan.

De economische politierechter merkt ten overvloede op dat hij het rapport van het NFI van 19 april 2005 bij de bewezenverklaring buiten beschouwing heeft gelaten. Het rapport bevat een uiteenzetting van algemene aard over de gevolgen van niet volgens de regels opgeslagen mestconcentraties. De vervuiling in concreto wordt door de deskundige niet besproken. Dit maakt het rapport ongeschikt als bewijsmiddel te dienen in deze zaak.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De economische politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De economische politierechter acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De economische politierechter heeft bij de straftoemeting het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft door zijn handelen ertoe bijgedragen dat door (over)bemesting schade aan het milieu kon worden toegebracht. Anderzijds houdt de economische politierechter er rekening mee dat verdachte door het gerechtshof te Arnhem terzake niet emissie-arm aanwenden van paardenmest naar zeggen van de verdachte is vrijgesproken en daardoor in verwarring is gebracht over de schade die paardenmest aan het milieu kan toebrengen. Daarom zal een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht,

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 7 en 13 van de Wet bodembescherming.

BESLISSING

De economische politierechter beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot € 250,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen mr. Brouns, economische politierechter, in tegenwoordigheid

van Heebink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2006.