Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2006:AV1665

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
15-02-2006
Zaaknummer
67549 / HA ZA 05-89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging of ontbinding van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst niet voor toewijzing vatbaar. Schuldeisersverzuim. Veroordeling de vaststellingsovereenkomst alsnog na te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Civiel

Afdeling Handel

Rolnummer: 67549 / HA ZA 05-89

Uitspraak: 11 januari 2006

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van

[Eiser],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. V.J.A. Hetterscheidt,

tegen

[Gedaagde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. Th.R.M. Welling.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,

- de conclusie van repliek met vermeerdering van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie,

- de akte uitlating vermeerdering/wijziging eis,

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,

- de conclusie van dupliek in reconventie,

- de akte uitlating producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn buren. [eiser] is sinds 1994 eigenaar van het perceel aan [adres 1] te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente [gemeente] sectie L, nummers 2538 en 2536. Hij bewoont de op het perceel staande woning.

[Gedaagde] is sinds 1998 eigenaar van het perceel aan de [adres 2], kadastraal bekend als gemeente [gemeente] sectie L, nr. 40069. Hij bewoont de op dat perceel staande woonboerderij.

De percelen van [gedaagde] en [eiser] grenzen aan de oostzijde aan het aan [buurman] toebehorende en door hem bewoonde perceel met kadastraal nummer 2540, plaatselijk bekend als [adres 3]. Het perceel van [eiser] ligt vanaf de [adresweg] gezien achter dat van [gedaagde] en grenst niet aan de [adresweg].

2.2. Bij een op 4 augustus 1969 verleden akte van ruilverkaveling is ten behoeve van het perceel van [eiser] (toen nog genummerd 40043) als erfdienstbaarheid een recht van uitweg gevestigd ten laste van het aan [gedaagde] toebehorende perceel met nummer 40069 om te komen van en te gaan naar de [adresweg]. De uitweg over het perceel van [gedaagde] loopt langs de oostgrens van kavel 40069.

2.3. [Eiser] heeft [gedaagde] bij exploit van 10 april 2000 opgeroepen voor de terechtzitting van de president van deze rechtbank in kort geding op 21 april 2000 en daarbij gevorderd - kort gezegd - [gedaagde] te verbieden het recht van uitweg van [eiser] te frustreren. Na aanhouding van de behandeling ter zitting zijn bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 9 juli 2001, bij verstek gewezen, de vorderingen van [eiser] toegewezen en is [gedaagde] verboden het recht van uitweg van [eiser] te frustreren en is hem bevolen bielzen en een heg te verwijderen en reparaties aan de weg door [eiser] te gehengen en te gedogen. Dit alles op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de veroordelingen te voldoen. Het vonnis is op 10 december 2001 aan [gedaagde] betekend.

2.4. Op 19 december 2001 heeft gerechtsdeurwaarder Jonker een proces-verbaal van constatering opgemaakt, waarin hij heeft geconstateerd dat laaghangende takken van de notenboom en een hoop zand, onkruid en afval de vrije doorgang naar het perceel van [eiser] belemmeren en dat de heg niet is verwijderd.

2.5. Bij exploit van 20 maart 2002 is ten laste van [gedaagde] en op verzoek van [eiser] executoriaal beslag gelegd op het perceel van [gedaagde], kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie L nummer 99 in verband met een vordering van [eiser] van € 22.891,93 aan in de periode van 27 oktober tot en met 19 december 2001 verbeurde dwangsommen, met kosten.

2.6. [Gedaagde] heeft bij exploit van 17 april 2002 [eiser] opgeroepen voor de terechtzitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 13 mei 2002 en onder meer gevorderd dat zowel het executoriaal beslag als de bij het vonnis van

9 juli 2001 uitgesproken veroordeling tot verbeurte van dwangsommen worden opgeheven.

2.7. Tijdens de op 13 mei 2002 ter plaatse aan de [adres 2] te [woonplaats] gehouden terechtzitting in kort geding hebben partijen afspraken gemaakt ter beëindiging van de procedure. Partijen zijn overeengekomen dat op kosten van

[gedaagde] de erfdienstbaarheid nader zal worden omschreven en notarieel vastgelegd volgens vier vaste, in de overeenkomst nader omschreven kadastrale punten. In het proces-verbaal van de terechtzitting zijn de overige afspraken tussen partijen als volgt vastgelegd:

“(…) [gedaagde] zal met witte stenen het tracé van de weg markeren, aan de zijde van het huis vanaf de [adresweg] doorlopend tot aan de zuidoost hoek van het huis en aan de zijde van [buurman] om de 3 meter.

De notariële akte zal uiterlijk op 1 augustus 2002 worden gepasseerd. Op die datum zullen ook de markeringsstenen zijn aangebracht.

Na uitvoering van deze afspraken zal binnen 1 week het beslag worden opgeheven. Partijen dragen de eigen proceskosten. De procedure wordt doorgehaald. [eiser] heeft afstand gedaan van zijn rechten op basis van het tussen partijen gewezen verstekvonnis. (…)”

3. De vordering in conventie

3.1. [Eiser] vordert na wijziging van eis dat de rechtbank

1. voor recht zal verklaren dat de tussen partijen op 20 juni 2002 getroffen regeling zal zijn ontbonden c.q. de ontbinding uit zal spreken met terugwerkende kracht tot het moment van het ontstaan van deze overeenkomst en

2. bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 45.378,-- + € 1.485,82, derhalve totaal € 46.863,82 alsmede de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2004 tot aan de algehele voldoening,

3. subsidiair de vaststellingsovereenkomst ex artikel 7: 904 BW zal vernietigen, althans voor recht zal verklaren dat deze overeenkomst nietig is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. [Eiser] legt aan zijn vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag

[gedaagde] heeft verzuimd tijdig de notaris de van belang zijnde stukken en informatie voor het verlijden van de akte te leveren. Daardoor is de akte waarin de herziene erfdienstbaarheid zou worden vastgelegd, niet vóór of op 1 augustus 2002 verleden. De datum van 1 augustus 2002 geldt als een fatale termijn.

[Gedaagde] heeft ook geen uitvoering gegeven aan zijn verplichting om de uitweg te markeren door het aanbrengen van witte stenen. Hij heeft witgekalkte stenen zodanig aangebracht dat zij gemakkelijk kunnen worden weggereden of wegzakken.

Hierdoor en door de treiterende houding van [gedaagde] is een einde gekomen aan [eiser]s’ bereidwilligheid en dient de getroffen regeling met terugwerkende kracht te vervallen. Dit betekent dat [gedaagde] gehouden is de verbeurde dwangsommen aan [eiser] te betalen en dat de oude erfdienstbaarheid in stand blijft.

Het is niet redelijk en ook onaanvaardbaar [eiser] aan de vaststellingsovereenkomst te houden en hem te verplichten een akte te ondertekenen, wetende dat daardoor de problemen van partijen niet worden opgelost. De overeenkomst is daarom nietig.

4. Het verweer in conventie

4.1. [Gedaagde] concludeert dat de rechtbank [eiser] in diens vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans hem die zal ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen en met veroordeling van [eiser] in de kosten van de onderhavige procedure in reconventie gevallen;

4.2. [Gedaagde] voert de navolgende verweren aan.

In de tussen partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst is declaratoir het tracé van de uitweg vastgelegd. Eenzijdig de ontbinding van een dergelijke overeenkomst inroepen is niet mogelijk. Ontbinding met terugwerkende kracht is ook niet mogelijk.

Hij is niet tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst. Hij heeft tijdig met de notaris contact opgenomen. De otaris had meer tijd nodig voor recherche en heeft aangegeven dat het verlijden van de akte vóór 1 augustus 2002 niet mogelijk was. [Eiser] heeft onmiddellijk iedere medewerking aan het opstellen van de notariële akte geweigerd en weigert ook nadien mee te werken aan het verlijden van de akte.

De datum van 1 augustus 2002 is geen fatale termijn. Partijen dienden beide mee te werken aan het verlijden van de akte. Deze verplichting rustte niet alleen op [gedaagde]. [Eiser] is de op hem rustende verplichting niet nagekomen.

Van een herleving van de situatie voorafgaande aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, waaronder de herleving van [eiser] vordering tot betaling van dwangsommen kan geen sprake zijn. Daar komt bij dat deze vorderingen verjaard zijn.

5. De vordering in reconventie

5.1. [Gedaagde] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] zal veroordelen om

1. binnen 8 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis ten overstaan van een notaris verbonden aan het notariskantoor Hofstand en Hendriks notarissen te Gendringen, zijn medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële akte strekkende tot vestiging erfdienstbaarheid overeenkomstig het concept door de notaris opgesteld onder zaaknummer 2002R13014AL in augustus 2002;

2. binnen 14 dagen na het passeren van de notariële akte als hiervoor bedoeld zorg te dragen voor opheffing/doorhaling van het op 20 maart 2002 gelegde executoriale beslag op het onroerend goed van [gedaagde], bestaande uit huis, tuin, schuur en garage, staande en gelegen te [woonplaats], gemeente [gemeente], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L nummer 99, groot 25 are en 20 centiare;

3. een en ander op straffe van verbeurte van direct opvorderbare dwangsommen van € 1.000,-- per dag of gedeelte van een dag gedurende welke [eiser] in gebreke mocht blijven met de nakoming van het hiervoor gevorderde en

4. een en ander te vermeerderen met de kosten van de onderhavige procedure zowel in conventie als in reconventie gevallen.

5.2. [Gedaagde] baseert zijn vorderingen op hetgeen hij in conventie heeft aangevoerd en op de stelling dat hij recht op en belang bij de gevorderde voorziening heeft, aangezien [eiser] weigert aan de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst mee te werken.

6. Het verweer in reconventie

6.1. [Eiser] concludeert dat de rechtbank bij vonnis de vorderingen aan [gedaagde] zal ontzeggen althans hem hierin niet ontvankelijk zal verklaren met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

6.2. Naast hetgeen [eiser] in conventie heeft aangevoerd heeft hij als verweer aangevoerd dat opheffing van het gelegde beslag onderdeel van de vaststellingsovereenkomst is en onlosmakelijk met andere onderdelen daarvan verbonden is.

Uitvoering van de overeenkomst is niet meer mogelijk en ook jegens [eiser] niet redelijk, omdat de oostgrens van de uitweg onvoldoende duidelijk afgebakend is. Inmiddels is wel duidelijk dat de getroffen regeling geen afdoende oplossing biedt. Het is dan ook niet redelijk en onaanvaardbaar dat [eiser] nog aan de vaststellingsovereenkomst wordt gehouden.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. [Gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie zich erover beklaagd dat de in de dagvaarding genoemde producties niet aan hem zijn betekend of ter hand gesteld. Hij heeft aangevoerd dat hij ernstig in zijn mogelijkheid van verweer wordt bemoeilijkt en stelt dat [eiser] daarom in diens vorderingen niet ontvankelijk verklaard dient te worden, althans dat die vorderingen afgewezen moeten worden. Doordat de betreffende stukken bij de conclusie van repliek in conventie zijn gevoegd, heeft [gedaagde] alsnog van deze stukken kennis genomen. Daarbij heeft hij geconstateerd dat het om hem al bekende stukken gaat, op de inhoud waarvan hij al bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie is ingegaan. Hij heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de consequenties voor [eiser] van één en ander.

7.2. De rechtbank ziet geen aanleiding enige consequentie te verbinden aan het feit dat de bij de dagvaarding behorende producties kennelijk niet met de dagvaarding aan [gedaagde] zijn betekend. Zij gaat ervan uit dat een misverstand de oorzaak van deze omissie is geweest. Uit de inhoud van de conclusie van antwoord/eis in reconventie blijkt niet dat [gedaagde] in zijn verweer is bemoeilijkt door het ontbreken van deze stukken, waarvan [gedaagde] achteraf ook heeft geconstateerd dat het alle voor hem bekende stukken betroffen.

7.3. Partijen hebben door het sluiten van de overeenkomst van 13 mei 2002 beoogd een einde te maken aan de onzekerheid die tussen hen bestaat over hun rechtsverhouding en het in verband daarmee tussen hen bestaande geschil. Zij hebben zich over en weer verplicht om de prestaties te verrichten die moeten worden verricht om de overeengekomen nieuwe rechtstoestand tot stand te brengen. De verbintenissen die de rechtsgrond van deze prestaties zijn, worden door elkaar veroorzaakt. Dit brengt met zich dat er op de voet van artikel 7:900 Burgerlijk wetboek (BW) sprake is van een wederkerige vaststellingsovereenkomst, welke in beginsel voor ontbinding vatbaar is. De stelling van [gedaagde] dat ontbinding van de overeenkomst niet mogelijk is, omdat de overeenkomst in een proces-verbaal is vastgelegd, treft dan ook geen doel. Dat geldt ook voor zijn stelling dat de vaststellingsovereenkomst door de wijze van vastlegging de werking van een declaratoir vonnis heeft gekregen, waardoor ontbinding niet mogelijk is. Deze stelling strandt op het feit dat de vaststellings-overeenkomst geen declaratieve, maar een dispositieve werking heeft; anders gezegd, de nieuwe rechtstoestand ontstaat niet door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zelf, maar door de tenuitvoerlegging van de verbintenissen uit die overeenkomst.

7.4. [Eiser] vordert primair ontbinding van de overeenkomst met terugwerkende kracht. Hij baseert deze vordering op de stelling dat [gedaagde] de in de vaststellings-overeenkomst opgenomen afspraken niet of niet deugdelijk is nagekomen.

Nu ontbinding van een wederkerige overeenkomst op grond van wanprestatie door één van partijen geen terugwerkende kracht heeft, is de vordering om voor recht te verklaren dat de overeenkomst met terugwerkende kracht is ontbonden, niet voor toewijzing vatbaar.

7.5. [Eiser] stelt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen de weg te markeren met witte stenen en de erfdienstbaarheid uiterlijk 1 augustus 2002 notarieel te laten vastleggen. Hoewel in de vaststellingsovereenkomst wordt gesproken over het door [gedaagde] markeren van het tracé van de weg met witte stenen, kan niet gezegd worden dat door gebruik te maken van witgekalkte in plaats van witte stenen, [gedaagde] deze verplichting niet deugdelijk is nagekomen. Zowel met witte als met witgekalkte stenen kan het beoogde doel van de afspraak, te weten het markeren van de begrenzing van de uitweg, bereikt worden. Het feit dat in de loop van de tijd mede als gevolg van het gebruik van de weg door partijen, de stenen zijn weggezakt of anderszins minder goed zichtbaar zijn geworden doet niet af aan de conclusie dat [gedaagde] conform de in de overeenkomst vastgelegde afspraak het tracé van de uitweg heeft gemarkeerd.

7.6. Ten aanzien van de notariële vastlegging van de tussen partijen nader overeengekomen uitweg geldt dat uit het feit dat [gedaagde] de kosten daarvan dient te dragen, genoegzaam volgt dat het ook aan [gedaagde] was om de notaris de opdracht voor die vastlegging te geven. Onweersproken is dat [gedaagde] enkele dagen vóór 1 augustus 2002 de betreffende notaris opdracht heeft gegeven de voor de vastlegging benodigde akte op te maken en te passeren. [Gedaagde] heeft verklaard dat de notaris toen heeft meegedeeld dat het in verband met diens verplichting tot kadastrale recherche c.a. niet mogelijk was de akte binnen enkele dagen, dus vóór 1 augustus 2002 te laten passeren, enerzijds omdat er meer tijd nodig was voor het kennelijk noodzakelijke onderzoek en anderzijds omdat hij nog nadere, door [eiser] en [gedaagde] te leveren stukken nodig had. Volgens [gedaagde] is door de notaris contact opgenomen met [eiser], maar werd door [eiser] direct iedere medewerking aan het opstellen en het passeren van de akte geweigerd.

[Eiser] heeft deze door [gedaagde] gestelde gang van zaken niet of onvoldoende weersproken. Hij heeft aangevoerd dat op hem geen enkele verplichting rust met betrekking tot het opstellen of het laten passeren van de notariële akte. [Eiser] gaat er met dit standpunt echter aan voorbij dat ieder van de partijen jegens de ander verplicht is te verrichten hetgeen van haar zijde nodig is om aan de vereisten voor de totstandkoming van de vaststelling te voldoen. Dit brengt met zich dat (ook) op [eiser] de verplichting rustte en rust om de door de notaris eventueel verzochte gegevens te verstrekken.

7.7. [Eiser] heeft nog aangevoerd dat uitsluitend omdat [gedaagde] in gebreke was met het tijdig aanleveren van voldoende stukken, de notariële akte niet uiterlijk op 1 augustus 2002 gepasseerd kon worden. Na betwisting door [gedaagde] heeft [eiser] ter onderbouwing van zijn stelling als productie 4 bij zijn conclusie van repliek met vermeerdering van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebracht een brief van 31 juli 2002 van notaris mr. J.C.W. Hendriks te Gendringen aan hem. Daarin schrijft deze notaris:

“(...) In verband met een incompleet dossier is het helaas niet mogelijk om op 1 augustus 2002 de akte te laten passeren.

We zullen dit zo spoedig mogelijk laten plaatsvinden. (...)”

Uit deze brief blijkt niet dat (uitsluitend) aan [gedaagde] een verwijt ten aanzien van de incompleetheid van het dossier gemaakt kon worden.

[Eiser] heeft voorts aangevoerd dat hij bevoegd was zijn medewerking aan het passeren van de akte te weigeren, aangezien de door de notaris opgestelde akte geen oplossing bood voor de afbakening van de weg aan de oostgrens met [buurman]. Uit de stellingen van [eiser] blijkt dat dit bezwaar uitsluitend ziet op het feit dat de door [gedaagde] ter markering van de oostzijde van de uitweg aangebrachte stenen niet meer goed zichtbaar zijn. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] zich niet kan verenigen met de tussen partijen overeengekomen oostgrens van de uitweg, zoals deze in het aan [eiser] toegezonden concept van de te passeren notariële akte is omschreven. Het enkele feit dat [eiser] het niet eens is met de wijze van afbakening van die oostgrens door [gedaagde] verschaft [eiser] niet de bevoegdheid zijn medewerking aan het passeren van de akte te weigeren.

7.8. In de onderhavige situatie, waar enerzijds vast staat dat [gedaagde] bereid en in staat is na te komen en zijnerzijds daartoe het nodige heeft gedaan en anderzijds vast staat dat nakoming wordt verhinderd door de weigering van [eiser] de benodigde gegevens te verstrekken en mee te werken aan het passeren van de akte, is [eiser] als schuldeiser in verzuim geraakt. Van verzuim aan de zijde van [gedaagde] kan in die situatie geen sprake zijn. Aan de stelling van [eiser] dat enkel door het verstrijken van de termijn van 1 augustus 2002 [gedaagde] in verzuim is geraakt, kan daarom voorbijgegaan worden.

Nu geen ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan [eiser] zelf in verzuim is, is zijn vordering voor recht te verklaren dat de overeenkomst is ontbonden, niet voor toewijzing vatbaar.

Daar komt bij dat in het geval [gedaagde] al enig verwijt gemaakt kan worden met betrekking tot het te laat gereed zijn van de notariële akte, deze eventuele tekortkoming gezien haar geringe betekenis, ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt.

7.9. Subsidiair heeft [eiser] de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen, waarbij hij heeft gewezen op het bepaalde in artikel 7:904 BW. Dit artikel ziet echter op een vaststellingsovereenkomst waarbij slechts één partij of een onafhankelijke derde een bindende beslissing heeft genomen. De betreffende bepaling is hier derhalve niet van toepassing.

[eiser] heeft ter onderbouwing van de door hem ingeroepen nietigheid aangevoerd dat [gedaagde] in strijd met de afspraken de notaris niet tijdig van de benodigde stukken heeft voorzien, waardoor de akte van de herziene erfdienstbaarheid niet uiterlijk 1 augustus 2002 gepasseerd kon worden. Hiermee en door de treiterende houding van [gedaagde] is een einde gekomen aan de bereidwilligheid van [eiser] jegens [gedaagde].

De vaststellingsovereenkomst kan volgens [eiser] mede niet blijvend worden uitgevoerd, omdat de witgekalkte stenen aan de oostzijde van de uitweg niet meer zichtbaar zijn en grotendeels verdwenen zijn. Een notariële vastlegging van dit onderdeel van de vaststellingsovereenkomst zou in de toekomst tot nog meer problemen leiden. Het is dan beter de “oude” erfdienstbaarheid in stand te laten, omdat daarbij de oostzijde van de uitweg duidelijk en voor geen discussie vatbaar is, stelt [eiser].

Deze door [eiser] aangevoerd omstandigheden kunnen echter niet tot nietigheid of vernietiging van de overeenkomst leiden. Zou [eiser] beoogd hebben te betogen dat op grond van onvoorziene omstandigheden [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten, dan zou dat slechts kunnen leiden tot een wijziging of een geheel of gedeeltelijk ontbinden van de overeenkomst. Gelet echter op hetgeen hiervoor is overwogen over de weigering van [eiser] gegevens te verstrekken voor het opstellen van de notariële akte, de (wijze van) afbakening van de grenzen van de uitweg en de overeenstemming tussen partijen over de oostgrens van de uitweg, kan niet geoordeeld worden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [eiser] aan de vaststellingsovereenkomst te houden.

7.10. De vorderingen van [eiser] tot ontbinding dan wel vernietiging van de vaststellingsovereenkomst zullen worden afgewezen. [Eiser] is gebonden aan de overeenkomst, waarin hij onder meer afstand heeft gedaan van zijn rechten op basis van het tussen partijen gewezen verstekvonnis. Zijn vordering tot betaling van een bedrag van € 45.378,--, bestaande uit een schadevergoeding ter grootte van de vervallen dwangsommen en de door hem gemaakte deurwaarderskosten, is daarom evenmin voor toewijzing vatbaar.

7.11. [Eiser] zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure in conventie.

In reconventie

7.12. Nu in conventie de stelling van [eiser] dat de overeenkomst ontbonden dan wel vernietigd dient te worden, is verworpen, liggen de reconventionele vorderingen van [gedaagde], strekkende tot nakoming door [eiser] van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst voor toewijzing gereed. Omdat de door [gedaagde] gevorderde dwangsom te hoog voorkomt, zal deze als na te noemen gematigd worden. Ook zal een maximum aan de te verbeuren dwangsom gesteld worden.

7.13. [Eiser] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de procedure in reconventie.

8. De beslissing

De rechtbank

In conventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.788,-- aan salaris procureur en € 1.030,-- aan verschotten;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

1. veroordeelt [eiser] om binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis ten overstaan van een notaris verbonden aan het notariskantoor Hofstad en Hendriks notarissen te Gendringen, zijn medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële akte strekkende tot vestiging erfdienstbaarheid overeenkomstig het concept door de notaris opgesteld onder zaaknummer 2002R13014AL in augustus 2002;

2. veroordeelt [eiser] om binnen 14 dagen na het passeren van de notariële akte als bedoeld onder 1 zorg te dragen voor opheffing/doorhaling van het op 20 maart 2002 gelegde executoriale beslag op het onroerend goed van [gedaagde], bestaande uit huis, tuin, schuur en garage, staande en gelegen te [woonplaats], gemeente [gemeente], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L nummer 99, groot 25 are en 20 centiare;

3. veroordeelt [eiser] tot betaling van een direct opvorderbare dwangsom van € 500,-- voor ieder dag of gedeelte van een dag dat hij in gebreke blijft met het voldoen aan de onder 1 en 2 vermelde veroordelingen, zulks tot een maximum van € 50.000,--;

4. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.117,50 aan salaris procureur;

5. verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2006.

ap/wi?