Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AV2390

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
23-02-2006
Zaaknummer
06/037609-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijf veroordeeld tot deels voorwaardelijke geldboete voor overtreding van vergunningsvoorschriften. Vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen, nu er door het ontbreken van gegevens niet een verantwoorde schatting kan worden gemaakt.

Zie ook de bijbehorende ontnemingszaak met LJN AV2398.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 06/037609-04

Uitspraak d.d.: 28 december 2005

Tegenspraak / dnip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

de besloten vennootschap [naam B.V.] B.V.,

gevestigd te [postcode] [vestigingsplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 december 2005.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij één- of meermalen in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 mei 2004 in de gemeente [vestigingsplaats], (telkens) al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een aan of nabij de [adres] gelegen inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot en/of behandelen van de oppervlakte van metalen en/of metalen voorwerpen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 12.1 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd, immers:

-was op het middenterrein van de inrichting, een hal geplaatst welke gebruikt werd voor het gloeien van één of meerdere tanks,

-was (naast de bedrijfshal [[...]]) een propaantank geplaatst (welke gebruikt werd bij het aanbrengen van een vuurvaste binnenmantel van tanks), en/of

-was op het middenterrein van de inrichting een (2e) hal geplaatst welke gebruikt werd voor het stralen en/of coaten van één of meerdere tanks;

art 8.1 lid 1 ahf/ond a Wet milieubeheer

art 8.1 lid 1 ahf/ond b Wet milieubeheer

art 8.1 lid 1 ahf/ond c Wet milieubeheer

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

zij meermalen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 mei 2004 in de gemeente [vestigingsplaats], telkens opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een aan de [adres] gelegen inrichting voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot en/of behandelen van de oppervlakte van metalen en/of metalen voorwerpen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 12.1 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft veranderd, immers:

-was op het middenterrein van de inrichting, een hal geplaatst welke gebruikt werd voor het gloeien van één of meerdere tanks,

-was naast de bedrijfshal [[...]] een propaantank geplaatst welke gebruikt werd bij het aanbrengen van een vuurvaste binnenmantel van tanks, en

-was op het middenterrein van de inrichting een (2e) hal geplaatst welke gebruikt werd voor het stralen en coaten van één of meerdere tanks.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Namens verdachte is, kennelijk op voet van artikel 8.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, betoogd dat de veranderingen die hebben plaatsgevonden in overeenstemming waren met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften.

De rechtbank verwerpt dit verweer aangezien uit de aan verdachte verleende vergunning duidelijk blijkt dat de vergunde werkzaamheden gekoppeld zijn aan (en daarmee beperkt tot) de in de vergunning aangewezen hallen. Het oprichten van niet in de vergunning genoemde tijdelijke hallen is daardoor in strijd met de vergunning.

Het bewezene levert op het misdrijf:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens verdachte is aangevoerd dat verdachte heeft gedwaald in de reikwijdte van de aan haar gestelde milieuvoorschriften over de periode van 1 januari 2004 tot 14 april 2004, de dag waarop de voorzitter van de Raad van State in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure heeft aangegeven dat deze werkzaamheden in strijd waren met de (revisie)vergunning.

Een beroep op dwaling komt de verdachte niet toe, aangezien de vergunningsvoorschriften op het punt van de opgerichte hallen niets aan duidelijkheid te wensen over laten.

De rechtbank verwerpt het beroep.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

De rechtbank is van oordeel dat de hierna te noemen geldboete in overeenstemming is met de ernst van het feit, mede gelet op de justitiële documentatie, de maatschappelijke positie en de draagkracht van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank houdt bij bepaling van de hoogte van de op te leggen geldboete rekening met het volgende. Verdachte heeft zelf de keuze gemaakt om de aangenomen opdrachten uit te gaan vervoeren, wetende dat er zou worden gehandeld in strijd met de aan haar verleende vergunning. Door op deze wijze te handelen heeft zij zich een onrechtmatig concurrentievoordeel verschaft ten opzichte van bedrijven die zich wel aan de voorgeschreven procedures houden.

Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee, dat niet is gebleken, dat door de door verdachte uitgevoerde werkzaamheden milieuvoorschriften zijn overtreden en dat, naar ter terechtzitting is meegedeeld, verdachte uitzicht lijkt te hebben op een vergunning, waardoor zij deze werkzaamheden thans legaal zou kunnen uitvoeren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 8.1 van de Wet milieubeheer;

- 2.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,--.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 10.000,--, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Elders, voorzitter, Brouns en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 december 2005.