Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AU9206

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
06/080547-03, BVS-nummer: 05/337
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoek om toekenning van een vergoeding ex artikl 89 Sv niet-ontvankelijk. Aan verzoeker is een maatregel opgelegd ter zake van andere feiten dan waarvoor hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Niet valt in te zien dat en waarom aan de term "zaak" in artikel 89 Sv een andere en beperktere betekenis zou (kunnen) toekomen dan de voor artikel 591a Sv geldende.Bij de beoordeling van de term "zaak" moet worden uitgegaan van het zuiver formele criterium dat door de Hoge Raad voor artikel 591a Sv is bepaald en dat, na beëindiging van een op meer dan één strafbaar feit betrekking hebbende zaak, geen ruimte biedt voor splitsing teneinde een voor de verzoeker billijke vergoeding te bewerkstelligen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2006, 26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Parketnummer: 06/080547-03

BVS-nummer: 05/337

Op 24 oktober 2005 is ter griffie van deze rechtbank ingediend een verzoekschrift ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) van:

[vezoeker],

geboren op [geboortedatum plaats] ([land]),

wonende te [postcode plaats], [adres],

thans verblijvende GGnet te Eindhoven.

De rechtbank heeft de stukken bezien.

Het verzoekschrift is in het openbaar behandeld door de raadkamer op 2 december 2005. Van deze behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

Overwegingen

1. In de onder bovenvermeld parketnummer bekende strafzaak is aan verzoeker krachtens bevelen tot verzekering en voorlopige hechtenis de vrijheid ontnomen van 4 mei 2004 tot 30 juni 2005.

2. Bedoelde strafzaak betrof de vervolging van verzoeker als verdachte van de volgende strafbare feiten:

feit 1: moord;

feit 2: primair poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling, meer subsidiair bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: primair poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling, meer subsidiair bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De onder 1 vermelde bevelen hadden uitsluitend betrekking op het eerstvermelde feit, hoewel de twee overige feiten eveneens vielen onder de in artikel 67, eerste lid sub a WvSv vermelde categorie.

3. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 14 juli 2005 heeft de rechtbank verzoeker vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde feit en hem terzake van de onder 2 primair en 3 primair bewezen en strafbaar verklaarde feiten, wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid, ontslagen van alle rechtsvervolging onder oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar.

4. Het tijdig ingekomen verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding van de door verzoeker als gevolg van de vrijheidsbeneming geleden immateriële schade, namens verzoeker begroot op € 42.200,--. In het verzoekschrift en bij de mondelinge toelichting daarvan is door verzoekers raadsman gesteld, dat en waarom in het onderhavige geval aan de ontvankelijkheid en toewijsbaarheid van het verzochte niet in de weg behoort te staan, dat aan verzoeker vermelde maatregel is opgelegd.

Kort samengevat komt het standpunt van de raadsman erop neer, dat het strafbare feit waarvan verzoeker is vrijgesproken kan en moet worden gezien als een afzonderlijke “zaak” in de zin van artikel 89, eerste lid WvSv.

5. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad en de eigenstandige positie van het Openbaar Ministerie heeft de officier van justitie voormeld standpunt bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker althans afwijzing van zijn verzoek.

6. Blijkens de aanhef van artikel 89 WvSv kan van toekenning van een vergoeding terzake van voorlopige vrijheidsbeneming slechts sprake zijn “indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

Nu vaststaat dat aan verzoeker voormelde maatregel is opgelegd terzake van feiten waarvoor voorlopige hechtenis wel was toegelaten, is voor de ontvankelijkheidsvraag cruciaal of verzoeker kan worden gevolgd in de onder 4 vermelde opvatting van zijn raadsman.

7. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende:

- Blijkens HR 14-11-1989, NJ1990/274 en HR 8-5-2001, NJ2001/508 moet de in het

eerste lid van artikel 591a WvSv vermelde term “zaak” – na aanvang van het

onderzoek ter terechtzitting – worden verstaan als “al datgene waarop het

rechtsgeding betrekking had”.

Voorts wordt in laatstvermeld arrest overwogen dat aan de term “zaak” in het

Wetboek van strafvordering (meer) in het algemeen de betekenis toekomt van

“strafvervolging van een persoon terzake van een of meer strafbare feiten”.

In beide arresten werd ten slotte de opvatting verworpen dat geen sprake kan zijn

van dezelfde zaak in de zin van artikel 591a WvSv indien tussen de ten laste

gelegde feiten enig (zakelijk) verband ontbreekt.

- Gelet op de verwante materie, de wetssystematiek, de (deels) gelijkluidende aanhef

van de artikelen 89 en 591a WvSv en de in laatstvermeld artikel voorkomende

verwijzing naar de artikelen 90 en 91 WvSv, valt niet in te zien dat en waarom aan

de term “zaak” in artikel 89 WvSv (onder bepaalde omstandigheden) een andere en

beperktere betekenis zou (kunnen) toekomen dan de voor artikel 591a WvSv

geldende.

Naar de heersende rechtsopvatting zijn de hiervoor vermelde arresten dan ook voor

de toepassing van artikel 89 WvSv op dit punt maatgevend.

Dat de Hoge Raad zich daaromtrent nog niet uitdrukkelijk heeft kunnen uitspreken

valt te verklaren uit de omstandigheid, dat van beslissingen ex artikel en 89 en 591a

WvSv geen gewoon cassatieberoep openstaat, waardoor de Hoge Raad slechts kon

oordelen over gevallen, die hem in het belang der wet ter cassatie werden

voorgelegd en die slechts betrekking hadden op de term “zaak” in artikel 591a

WvSv.

- Blijkens r.o. 4.3 in laatstvermeld arrest is ook door de Hoge Raad onderkend, dat de

door hem aan de term “zaak” toegekende betekenis in de praktijk soms tot

uitkomsten kan leiden, die als onbillijk worden ervaren, maar is hij tevens van

oordeel dat niet de rechter, maar de wetgever in deze uitkomst zou moeten brengen.

- Gelet op het voorgaande moet bij de beoordeling van de term “zaak” ook bij artikel

89 WvSv worden uitgegaan van het zuiver formele criterium dat door de Hoge Raad

voor artikel 591a WvSv is bepaald en dat, na beëindiging van een op meer dan één

strafbaar feit betrekking hebbende zaak, geen ruimte biedt voor splitsing teneinde

een voor de verzoeker billijke vergoeding te bewerkstelligen.

8. Hoewel de slotsom moet zijn dat de onderhavige casus geen andere beslissing toelaat dan niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn verzoek en de (daartegen) door de raadsman aangevoerde billijkheidsargumenten dus geen doel kunnen treffen, overweegt de rechtbank volledigheidshalve dat deze argumenten als zodanig bovendien geenszins overtuigen, gelet op het volgende:

- Anders dan namens verzoeker is betoogd, kon bij hem niet de gerechtvaardigde

verwachting bestaan, dat hij niet meer zou worden vervolgd voor de hem onder 2 en

3 ten laste gelegde feiten. Deze aan een werkafspraak tussen GGNet en de politie

ontleende stelling miskent immers, dat het hier niet ging om feiten waarvoor een

politiesepot kon worden toegepast of is toegepast, dat het Openbaar Ministerie op

generlei wijze tot de gestelde verwachting heeft bijgedragen en dat cumulatieve

vervolging alleszins in de rede lag toen deze feiten bij het Openbaar Ministerie

bekend werden in het kader van het aanvankelijk slechts op feit 1 betrekking

hebbende onderzoek.

- Gelet op die gang van zaken en op de in hetzelfde vlak liggende aard van de

verdenkingen en de achterliggende problematiek van/rond verzoeker, kan voorts

niet worden geconcludeerd, dat tussen de in de strafzaak berechte drie feiten elke

samenhang en/of voor de beoordeling relevante verwevenheid ontbrak.

- Verzoeker heeft bij de politie de drie strafbare feiten bekend. Dat hij uiteindelijk voor

feit 1 werd vrijgesproken vindt zijn oorzaak hierin, dat hij zijn daarop betrekking

hebbende bekentenis(sen) introk, dat het aanvullende bewijsmateriaal (anders dan

bij de feiten 2 en 3) op zichzelf te mager was en dat de conclusie van forensische

deskundigen erop neerkwam, dat de rechtbank geen staat kon maken op de door

verzoeker bij de politie afgelegde verklaringen, gelet op verzoekers persoonlijkheid

en psychopathologische status. Zulks laat echter onverlet, dat verzoeker uit het zeer

uitgebreide onderzoek betreffende feit 1 als enige verdachte naar voren kwam en

dat de verdenking niet is weggenomen.

- Geconcludeerd kan worden, dat de lange duur van de voorlopige hechtenis in

aanzienlijke mate is beïnvloed doordat verzoeker zijn bekennende verklaringen ten

aanzien van feit 1 eerst ter terechtzitting introk en doordat het vervolgens op verzoek

van de verdediging bevolen onderzoek naar de betrouwbaarheid van verzoekers

verklaringen zeer complex en tijdrovend bleek.

Beslissing

Verklaart verzoeker in zijn verzoek niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. Van Harreveld, voorzitter, mrs. Lagarde en Feunekes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2005, welke beslissing door de voorzitter en de griffier is ondertekend.