Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AU8795

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
06/010631-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en het verrichten van een werkstraf terzake het mede exploiteren van een hennepkwekerij. De rechtbank heeft bij de hoogte van de straf mede rekening gehouden met verdachtes slechte gezondheid. Daarnaast is deze veroordeeld tot het betalen aan de Staat van zijn deel van de opbrengst van die kwekerij (wederrechtelijk verkregen voordeel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer: 06/010631-03

Uitspraak d.d.: 30 november 2005

Tegenspraak / oip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 november 2005.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met

1 oktober 2003 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam]) ongeveer 2772, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 3 lid 1 ahf/ond C Opiumwet

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met

1 oktober 2003 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Nuon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 1 oktober 2003 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in een pand aan de [straatnaam], een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 1 oktober 2003 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen electriciteit, toebehorende aan de Nuon.

Ten aanzien van het telkens bewezen verklaarde medeplegen overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting van de politierechter d.d. 30 augustus 2004 verklaard dat de kwekerij is opgezet door de twee personen die op het moment van zijn aanhouding bij hem waren. Die personen hebben eveneens de aanpassingen aan de electriciteit gedaan. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij bepaalde of er wel of niet gekweekt werd en dat hij controleerde of alles goed draaide. In het geval er iets mis ging gaf hij dat aan hen door. Bovendien heeft verdachte verklaard, dat de kwekerij werd aangestuurd door een computer, en dat een persoon met de naam [persoon] de “computerman” was.

Het opzetten van een kwekerij in deze omvang, het verzorgen en met name het uiteindelijk oogsten van een dergelijke hoeveelheid planten is erg arbeidsintensief, zodat het zeer aannemelijk is dat de kwekerij is opgezet en onderhouden door meer personen dan alleen verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat daarvan ook sprake is ten aanzien van het wederrechtelijk toe-eigenen van de electriciteit. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, dat het energiegebruik blijkens de door hem ontvangen nota’s in de periode dat de hennepkwekerij in werking was niet afwijkend was van dat in die periode daarvoor. Hij was ervan op de hoogte dat er lampen en ventilatie in de loods waren aangebracht ten behoeve van de hennepkwekerij en hij wist dat er aanpassingen aan de electriciteit waren gedaan. Gezien de algemene ervaring dat dit soort lampen en ventilatoren veel stroom gebruiken en de omstandigheid dat de energienota’s niet veranderden, moet de conclusie zijn dat verdachte zich ten minste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de stroom voor de meter werd weggenomen, althans niet legaal werd verkregen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder b, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. De voortgezette handeling van diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf als na te melden - met welke strafmodaliteit verdachte heeft ingestemd - op zijn plaats. Bedoelde taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte met anderen uit winstbejag een hennepkwekerij heeft opgericht en in werking heeft gehad waardoor hij heeft bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat dergelijke activiteiten plegen te leiden tot nadelige maatschappelijke gevolgen als gezondheidsschade voor gebruikers en sociale overlast. Bovendien heeft verdachte met zijn mededaders illegaal stroom afgetapt, waardoor aanzienlijke schade is ontstaan voor de energieleverancier.

In het voordeel van verdachte werkt mee dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Bij de bepaling van de hoogte van de werkstraf heeft de rechtbank voorts verdachtes slechte gezondheid in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de termijn waarbinnen de werkstraf dient te worden verricht gaat de rechtbank er van uit dat deze termijn zonodig ambthalve door de officier van justitie zal worden verlengd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 22c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft ter terechtzitting reeds meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen verlenging van de termijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 56, 57, 91, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen.

Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Van der Hooft, voorzitter, Elders en Van Apeldoorn, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 november 2005.