Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AU5519

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-10-2005
Datum publicatie
03-11-2005
Zaaknummer
70483 / HA ZA 05-624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vogelpest. Geen sprake van (schuldeisers)overmacht nu de broederij de eieren van de vermeerderaar kon afnemen en ook daadwerkelijk heeft afgenomen. De broederij werd geconfronteerd met lagere prijzen die zij van haar mesters kreeg. De vraag voor wiens risico de gevolgen van de vogelpest moet komen. Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Civiel

Afdeling Handel

Rolnummer: 70483 / HA ZA 05-624

Uitspraak: 19 oktober 2005

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van

1. de maatschap [naam maatschap],

gevestigd te Biddinghuizen, gemeente Dronten

2. [naam A],

wonende te Biddinghuizen, gemeente Dronten

3. [naam B],

wonende te Biddinghuizen, gemeente Dronten

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. E. Smit,

advocaat mr. B. Korvemaker te Leeuwarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Naam gedaagde],

gevestigd te Harderwijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. A.J. Zeyl,

advocaat mr. H.C.W. Geffroy te Ede.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 mei 2005

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie

- het tussenvonnis van 31 augustus 2005

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober 2005.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers], vermeerderaar van broedeieren van kippen, heeft in 2002 een overeenkomst gesloten met [gedaagde], een broederij waar de eieren machinaal worden uitgebroed tot kuikens. In die overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“(...) Partij A ([gedaagde], rb) zal alle broedeieren (...) afnemen onder de hierna te noemen voorwaarden:

- De basis voor uitbetaling van de broedeieren is de “Astenhofnotering” (...)

- (...)

- Consumptie eieren en kleine broedeieren van 46-50 gram zullen tegen geldende dag-Prijzen worden afgerekend.

- Betaling vindt wekelijks plaats 4 weken na ophaaldatum.

- (...)

- Bij overmacht (b.v. oorlog) met als gevolg sterk dalende prijzen wordt er overleg gepleegd. (...)”

2.2. Van 1 maart 2003 tot en met 22 augustus 2003 golden van overheidswege opgelegde beperkende maatregelen in verband met de vogelpest. Het vervoer van eieren mocht gedurende genoemde periode alleen plaatsvinden overeenkomstig de Regeling Vervoers- en Exportverbod Pluimvee 2003-I. Die regeling kwam er op neer dat alleen broedeieren mochten worden opgehaald indien er voor de broederij een mester tegenover stond en dat vervoer van en naar ingesloten bedrijven verboden was. In de periode van 24 maart 2003, uitgezonderd de stand stillperiode van 4 tot 10 april 2003 waarin een algeheel vervoersverbod gold, tot 28 juli 2003 heeft [eisers] broedeieren verkocht en geleverd aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft voor die eieren een lagere prijs betaald aan [eisers] dan de Astenhofprijs.

2.3. Op 17 november 2003 heeft [eisers] aan [gedaagde] geschreven: “Wij, mts. [eisers], zijn bezorgd over de huidige gang van zaken m.b.t. de koopovereenkomst die bovengenoemde partijen met elkaar zijn aangegaan. In deze overeenkomst, waarvan kopy wordt meegestuurd, staat:

Betaling vindt WEKELIJKS plaats, 4 weken na ophaaldatum!

De A.I. crisis heeft wel voor bijzondere omstandigheden gezorgd maar sinds de opheffing van alle maatregelen, 22-8-2003 is er in de betaling geen rekening gehouden met de Koopovereenkomst. (...)

De betalingsachterstand is opgelopen naar: € 47.240,02. Hierbij is nog niet gekeken naar de broedeiprijs verschillen zoals die zijn betaald en zoals die zijn vastgesteld in de Astenhof prijs. (...)”

2.4. Bij brief van 20 januari 2004 heeft [eisers] aan [gedaagde] een voorstel gedaan tot betaling van een prijs voor de eieren die zijn geleverd tijdens de vogelpestperiode van in totaal € 23.472,92 inclusief BTW. In die brief staat: “Hierbij willen wij u een voorstel doen over de eieren die in 2003 geleverd zijn tijdens de A.I. periode. (...) In een gesprek dat gevoerd is direct na het begin van de vogelpest periode is er door Dhr. [gedaagde] toegezegd dat er na afloop een gesprek zou volgen om tot een oplossing te komen m.b.t. de prijs. Dit gesprek is er niet geweest en daarom komen wij nu met een voorstel. (...)”

2.5. Op een brief van de rechtsbijstandverzekeraar van [eisers] waarin [gedaagde] is gesommeerd het bedrag van € 23.472,92 te betalen, heeft [gedaagde] bij brief van 3 maart 2004 als volgt gereageerd: “(...)

1) We mochten alleen de broedeieren ophalen als er een mester tegen overstond. (...) Na de verplichte standstill van 2 weken, hebben wij met de Fam. [eisers] eerst mondeling overleg gepleegd en uitgelegd, dat wij wel een aantal mesters hadden voor kleine kuikens en dat wij de broedeieren eventueel daarvoor konden aanwenden, maar dat wij voor die kuikens een lagere prijs ontvingen dan voor normale kuikens. Daar is de Fam. [eisers] mee accoord gegaan als wij geen mesters voor normale grote kuikens hadden, dan zouden ze bestemd worden voor de mester met kleine kuikens.

2) Na de verplichte standstill mochten we volgens protocol de produktie opladen van 5 dagen, om het verlies te beperken. Bij de Fam. [eisers] hebben we in overleg de productie opgehaald van ± 9 dagen.

Ik betreur ten zeerste dat de Fam. [eisers] schade heeft geleden, maar wij hebben zeker ook een zeer forse schade geleden door de vogelpest.

3) Per saldo heeft de Fam. [eisers] de door ons opgehaalde broedeieren een gemiddelde prijs van 13,2 eurocent ontvangen, dat is dacht ik voor de vogelpestcrisis niet slecht.

Eind conclusie is dat wij als broederij al het mogelijke hebben gedaan om het verlies zo goed mogelijk te beperken voor de Fam. [eisers].”

2.6. Hierop heeft de rechtsbijstandverzekeraar van [eisers] bij brief van 26 maart 2004 als volgt gereageerd: “(...) Wat betreft de dagproductie van broedeieren stelt u in uw brief dat, afwijkend van het geldende protocol, met cliënte een productie van 9 dagen is afgesproken. Cliënte heeft mij te kennen gegeven dat deze afspraak is gemaakt daar dit gunstig was voor beide partijen. Voor u had deze afspraak tot gevolg dat er voldoende eieren waren voor 1 mester met kleine kuikens. Voor cliënte betekende deze afspraak dat 61.560 broedeieren zijn verkocht voor € 0.08, terwijl anders 36.000 broedeieren zouden zijn verkocht voor € 0.08 en 25.560 eieren voor minder dan € 0.03. (...)”

3. De vordering in conventie

3.1. [eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 36.727,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 35.569,26 vanaf 3 maart 2004 tot aan de dag der algehele voldoening en met de wettelijke rente over € 1.158,-- vanaf 23 mei 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. [eisers] legt aan haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag. [gedaagde] heeft, ondanks koop van de broedeieren, niet de overeengekomen Astenhofprijs voor de eieren betaald. [gedaagde] is dan ook toerekenbaar tekortgeschoten. Er is geen sprake van overmacht aan de zijde van [gedaagde]. [gedaagde] heeft de broedeieren afgenomen – en daarmee uitvoering gegeven aan de overeenkomst – en de uitgebroede kuikens verkocht. Ook een beroep op de bepaling in de overeenkomst over overmacht gaat niet op nu deze bepaling ziet op een andere situatie dan overmacht. De bepaling schept hooguit een verplichting om in overleg te treden wanneer de Astenhofprijs zodanig laag is dat de uitvoering van de overeenkomst voor beide partijen financieel gezien niet (meer) verantwoord is, maar daarvan was geen sprake. Integendeel, kort na de vogelpestcrisis waren broedeieren schaars, met als gevolg dat de prijzen juist hoog waren. Uit coulance en omdat de vogelpestcrisis haar negatieve gevolgen heeft gehad op de gehele branche, heeft [eisers] [gedaagde] een voorstel gedaan, maar [gedaagde] wilde niet weten van een minnelijke regeling. Uit de brief van [gedaagde] van 3 maart 2004 valt af te leiden dat [gedaagde] definitief weigerde tot betaling over te gaan, zodat zij gelet op artikel 6:83 sub c BW vanaf die datum in verzuim verkeert en wettelijke rente vanaf die datum toewijsbaar is. [eisers] heeft buitengerechtelijke kosten moeten maken.

4. Het verweer in conventie

4.1. [gedaagde] concludeert dat de rechtbank de vordering van [eisers] zal afwijzen met veroordeling van [eisers], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding.

4.2. [gedaagde] werpt daartoe de navolgende verweren op. [gedaagde] heeft [eisers] steeds van de prijzen van haar mesters op de hoogte gesteld en op die basis met [eisers] afgerekend. [eisers] is feitelijk akkoord gegaan met de door [gedaagde] op die inkoopfacturen genoemde en betaalde prijzen voor de eieren en heeft niet bij [gedaagde] gereclameerd over het feit dat de betalingen niet overeenkomstig de Astenhofprijs waren. Daarnaast is sprake van (schuldeisers)overmacht. In de afgelopen zeventig jaar is er geen vogelpest meer geweest in Europa. [gedaagde] moest zich houden aan de van overheidswege opgelegde regelingen. Als gevolg daarvan kon zij de bij haar uitgebroede kuikens slechts deels bij de reguliere mesters kwijt en gaven de mesters die wel beschikbaar waren een veel lagere prijs voor de door [gedaagde] uitgebroede kuikens dan normaal. Alleen om de schade van alle partijen zoveel mogelijk te beperken, heeft [gedaagde] eieren van [eisers] afgenomen. Conform de overeenkomst heeft [gedaagde] overleg gepleegd met [eisers]. Er was daadwerkelijk sprake van sterk dalende prijzen. Gelet op alle omstandigheden heeft [gedaagde] redelijk en billijk gehandeld. Voor zover [eisers] gebruik gemaakt heeft van de compensatieregeling van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren, dient het bedrag dat zij ter compensatie heeft ontvangen in mindering te strekken op de vordering. [eisers] had bovendien om een financiële bijdrage kunnen vragen van de stichting Fonds MKZ-AI. [gedaagde] betwist het bestaan en de hoogte van de buitengerechtelijke kosten.

5. De vordering in reconventie

5.1.[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de overeenkomst zal wijzigen overeenkomstig de inhoud van de facturen en de betalingen van [gedaagde] aan [eisers], althans de naar redelijkheid en billijkheid in goede justitie vast te stellen bedragen, met veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding.

5.2. [gedaagde] legt aan haar vordering de navolgende stellingen ten grondslag. Op grond van het bepaalde in artikel 6:258 BW verzoekt zij, uitsluitend voor zover de opgevoerde verweren niet zouden opgaan, de overeenkomst te wijzigen overeenkomstig de facturen en de betalingen van [gedaagde] aan [eisers].

6. Het verweer in reconventie

6.1. [eisers] concludeert dat de rechtbank [gedaagde] in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vordering zal afwijzen met veroordeling van [gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in reconventie.

6.2. [eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. [eisers] vordert het verschil tussen de overeengekomen Astenhofprijs per broedei en de door [gedaagde] betaalde prijs over de door haar aan [gedaagde] verkochte en geleverde broedeieren in de periode van 24 maart 2003 tot 28 juli 2003, uitgezonderd de stand stillperiode van 4 tot en met 10 april 2003. Ter comparitie is komen vast te staan dat de door [eisers] aangeboden eieren allemaal goede broedeieren waren waarvoor op grond van de overeenkomst in beginsel de Astenhofprijs diende te worden voldaan. [gedaagde] heeft immers ter comparitie verklaard: “(...) Alle eieren die ik van [eisers] heb opgehaald waren grote broedeieren van boven de 50 gram. (...)” Door [gedaagde] wordt bovendien niet betwist dat het aantal door [eisers] genoemde eieren, zoals door haar is gespecificeerd bij brief van 20 januari 2004 (productie 2 bij dagvaarding), in die periode door haar is afgenomen, zodat daarvan wordt uitgegaan.

7.2. Uit de overeenkomst vloeit voort dat [gedaagde] een afnameverplichting had. Vast staat ook dat [gedaagde] de door [eisers] aangeboden eieren kon afnemen. Immers, door [eisers] is onbetwist gesteld dat zowel het bedrijf van [eisers] als dat van [gedaagde] buiten de zogenaamde ingesloten gebieden lagen, voor welke gebieden een algeheel vervoersverbod gold. Weliswaar mocht [gedaagde] niet vervoeren indien vooraf niet vaststond naar welke mester de uitgebroede kuikens zouden worden vervoerd, maar [gedaagde] heeft niet gesteld dat zij geen of onvoldoende mesters heeft kunnen vinden om de eieren te kunnen afnemen. Integendeel, vast staat niet alleen dat [gedaagde] kon afnemen maar ook dat zij daadwerkelijk alle eieren heeft afgenomen. Hieruit volgt dat het beroep van [gedaagde] op schuldeisersovermacht niet opgaat. Immers, van schuldeisersovermacht is slechts sprake wanneer nakoming van de overeenkomst verhinderd is door een beletsel aan de zijde van de schuldeiser, [gedaagde], en dit beletsel haar niet kan worden toegerekend. In dit geval is [gedaagde] de overeenkomst nagekomen door aan haar afnameverplichting te voldoen. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te stellen dat de verhindering hierin bestond dat zij om liquiditeitsproblemen niet in staat was de overeengekomen prijs te betalen, moet zulks voor rekening en risico van [gedaagde] blijven. Financiële onmacht is een omstandigheid die krachtens verkeersopvatting voor rekening van [gedaagde] komt.

7.3. Het beroep op de contractuele overmachtsbepaling wordt evenzeer verworpen. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat sprake was van sterk dalende prijzen maar heeft die stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [eisers], onvoldoende onderbouwd, terwijl hij daarbij bovendien ten onrechte uitgaat van de prijzen die hij in de markt van de mesters ontving. Uitgegaan dient echter te worden van de Astenhofprijs die op grond van de overeenkomst betaald diende te worden voor goede broedeieren. [gedaagde] heeft niet gesteld dat de Astenhofprijzen sterk gedaald waren, terwijl ook niet is gebleken dat de Astenhofprijs voor goede broedeieren sterk was gedaald als gevolg van de door de overheid in het kader van de vogelpest genomen maatregelen. Integendeel, uit de door [eisers] aangeleverde en door [gedaagde] niet betwiste cijfers (zie de brief van 20 januari 2004, productie 2 bij dagvaarding) blijkt dat de Astenhofprijs over bedoelde periode substantieel hoger lag dan de door [gedaagde] aan [eisers] betaalde prijs per ei.

7.4. Evenmin kan [gedaagde] worden gevolgd in haar stelling dat [eisers] het aanbod van [gedaagde] om af te rekenen op basis van de door [gedaagde] opgestelde inkoopfacturen heeft aanvaard. Ter comparitie is komen vast te staan dat [gedaagde] niet voorafgaand aan de koop van de eieren overleg heeft gepleegd met [eisers] over de prijs. Wel heeft [gedaagde] verklaard aan [eisers] te hebben uitgelegd dat er minder mesters waren, dat hij zou zoeken naar alternatieven en dat de handelaren in kleine broedeieren wel akkoord gingen met aanlevering van grote broedeieren maar dat ze daar de prijs voor kleine broedeieren voor zouden betalen. Partijen hebben derhalve wel overleg gevoerd over de afname van de eieren maar niet over de door [gedaagde] te betalen prijs voor die eieren. Uit het enkele feit dat [eisers], uit coulance en in de vooronderstelling verkerend dat na afloop van de vogelpestcrisis overleg zou worden gepleegd over de (na)betaling door [gedaagde], niet direct bij [gedaagde] heeft geprotesteerd tegen de door [gedaagde] - overigens te laat – gedane betalingen, kan niet worden afgeleid dat [eisers] heeft ingestemd met die betalingen. Daar komt bij dat [eisers] in haar brief van 17 november 2003 (productie 3 bij conclusie van antwoord), op welke brief [gedaagde] nu juist een beroep doet ter ondersteuning van haar verweer, aantekent dat bij de openstaande factuur nog geen rekening is gehouden met de Astenhofprijs.

7.5. Ambtshalve wordt echter geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [gedaagde] onverkort aan de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting te houden. Immers, als [gedaagde] niet in staat was geweest om als gevolg van door de overheid opgelegde maatregelen voldoende mesters te vinden om de met de eieren uitgebroede kuikens uiteindelijk te kunnen afzetten, zou zij door overmacht niet hebben kunnen voldoen aan haar contractuele verplichting om de eieren af te nemen. Die overmacht zou tot gevolg hebben gehad dat de schade, die [eisers] alsdan zou hebben geleden doordat geen of niet alle eieren zouden zijn afgenomen, voor rekening en risico van [eisers] zou zijn gekomen. In dat geval zou immers wel sprake zijn geweest van schuldeisersovermacht. [gedaagde] heeft echter – overigens mede in haar eigen belang – haar uiterste best gedaan om voldoende (andere) mesters te vinden om de met de eieren uitgebroede kuikens van [eisers] af te nemen, terwijl tussen partijen vast staat dat er als gevolg van de door de overheid genomen maatregelen minder mesters beschikbaar waren. Onder die omstandigheden gaat het niet aan thans het hele risico van de gevolgen van de vogelpestcrisis bij [gedaagde] te laten. Het door [eisers] reeds in januari 2004 gedane voorstel tot nabetaling door [gedaagde] van een bedrag van € 23.472,92 inclusief BTW wordt op grond van het hiervoor overwogene als redelijk en billijk toewijsbaar geacht. Toewijzing van een dergelijk bedrag doet recht aan de situatie dat beide partijen een deel van het risico dragen.

7.6. Nu [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de door [eisers] gevorderde wettelijke rente vanaf 3 maart 2004, kan dat deel van de vordering worden toegewezen over het toewijsbaar geachte bedrag.

7.7. [eisers] heeft ten slotte een bedrag van € 1.158,-- aan buitengerechtelijke kosten gevorderd. Aangezien gesteld noch gebleken is dat door [eisers] daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten – niet zijnde de kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak – zijn gemaakt, zal overeenkomstig het Rapport van de Werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak inzake de buitengerechtelijke kosten van november 2000 (Rapport Voor-Werk II), het ter zake gevorderde bedrag worden afgewezen. De door [eisers] overgelegde brieven van haar rechtsbijstandverzekeraar en haar raadsman dienen immers te worden beschouwd als kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak.

7.8. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kostenveroordeling zal worden gerelateerd aan het bedrag dat uiteindelijk in totaal wordt toegewezen. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eisers] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 71,93

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 810,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.158,00 (2 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.039,93

in reconventie

7.9. Het beroep op de aanwezigheid van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW faalt. Of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren, is niet beslissend. Het komt er slechts op aan van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd. [gedaagde] heeft onvoldoende feiten gesteld omtrent de door partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorziene of onvoorziene omstandigheden en heeft niet, althans onvoldoende gesteld dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een vogelpestcrisis onvoorzien was om te kunnen komen tot een wijziging van de overeenkomst als door [gedaagde] voorgestaan.

7.10. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 452,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. Veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 23.472,92, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 3 maart 2004 tot de dag van volledige betaling,

8.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.039,90,

8.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.5. wijst de vordering af,

8.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 452,--,

8.7. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2005.

?