Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AU5337

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-07-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
05/145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing beslagen wegens onvoldoende belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Civiel

Afdeling Handel

Opheffing beslagen wegens onvoldoende belang.

Rolnummer: 70101 / KG ZA 05-145

Uitspraak: 8 juli 2005

Vonnis in kort geding in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3]

in haar hoedanigheid van erfgename van [e[erflater 1] en tevens als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen,

allen wonende te[woonplaats],

4. [eiser 4], in haar hoedanigheid van erfgename van [erlater 2] en tevens als vertegenwoordigster van haar mede-erfgenamen [erfgenaam 1], [erfgenaam 2] en [erfgenaam 3],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. E.J.A. Vilé te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. F. Leemans,

advocaat mr. H.G. Hilgevoord te Rotterdam.

Eisers zullen hierna gezamenlijk mede de huisartsen worden genoemd dan wel afzonderlijk [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en de [erflater 2] en gedaagde zal [gedaagde] genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 19 mei 2005

- de mondelinge behandeling op 15 juni 2005

- de pleitnota van [eiser 1] c.s.

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sinds de jaren ‘70 van de vorige eeuw waren [eiser 1], [eiser 2] en [erlater 2] apotheekhoudend huisarts te [plaats]. Zij beschikten over de wettelijke vergunning als bedoeld in artikel 6 lid 4 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG) om de artsenijbereidkunde uit te oefenen.

2.2. [erflater 2] is op 2 augustus 1997 overleden, tengevolge waarvan zijn apotheekvergunning is komen te vervallen. [erflater 1] heeft diens praktijk voortgezet en tevens de apotheek nog geruime tijd na het overlijden van [erflater 2] voor rekening en risico van [erflater 2] voortgezet. [erflater 1] is op 19 januari 2003 overleden.

2.3. [gedaagde] heeft zich per 1 april 1993 als zelfstandig apotheker te [plaats] gevestigd. [eiser 1], [eiser 2] en [erflater 2] hebben geweigerd met [gedaagde] kennis te maken.

2.4. Op 19 april 1993 heeft OostNederland Zorgverzekeraar, de rechtsvoorgangster van de onderlinge waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds U.A. en van de onderlinge waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Aanvullende Verzekering U.A., hierna gezamenlijk mede te noemen: Amicon, de op 5 april 1993 door [gedaagde] gedane aanvraag voor een medewerkersovereenkomst afgewezen.

2.5. Bij vonnis in kort geding van 30 oktober 1996 van de president van de rechtbank te Almelo is OostNederland onder meer veroordeeld tot het aangaan van een medewerkersovereenkomst met [gedaagde]. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd. Vervolgens heeft Amicon met ingang van 30 oktober 1996 een medewerkersovereenkomst met [gedaagde] gesloten.

2.6. Medio 1997 hebben de huisartsen een aantal apothekers benaderd om hun apotheken over te nemen. In december 1997 hebben zij daarover overeenstemming bereikt met [betrokkene].

2.7. In september/oktober 1998 hebben de huisartsen hun apotheken overgedragen aan [betrokkene]. [betrokkene] kreeg een medewerkersovereenkomst met OostNederland nadat OostNederland daartoe bij vonnis in kort geding was veroordeeld.

2.8. Bij dagvaarding van 14 december 1999 heeft [gedaagde] [eiser 1], [eiser 2], [erflater 1] en de gezamenlijke erfgenamen van [erlater 2] gedagvaard voor deze rechtbank tot betaling van de door hem geleden en nog te lijden schade.

2.9. Na het overlijden van [erflater 1] zijn de procedures door zijn erfgenamen voortgezet.

2.10. Onder rolnummer 29288 / HA ZA 99-1178 heeft deze rechtbank tussen partijen in die procedure op 7 maart 2002 een tussenvonnis gewezen. Dit vonnis houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“(...)

5.4 Door aldus te handelen en de komst van Bohnenn naar [plaats] te faciliteren hebben de huisartsen op onrechtmatige wijze de verdere uitbouw van de apotheek van [gedaagde] ernstig geschaad, zij het dat die schade voor [gedaagde] eerst is ingetreden op het moment dat de vergunningen van de huisartsen expireerden. Gezien de termijn die door de minister van VWS in haar beschikking van 6 maart 1996 was bepaald, vervielen de vergunningen van [eiser 1] en [eiser 2] op 1 januari 1999. De vergunning van [erflater 2] was reeds eerder, op 2 augustus 1997 door diens overlijden vervallen.

(...)

5.5 Ten aanzien van de [erflater 2] en [erflater 1] wordt geoordeeld dat dezen de apotheek van [erflater 2] hebben voortgezet na het expireren van de vergunning van [erflater 2]. Het moment waarop die onrechtmatige gedraging zijdens d[erflater 2] en [erflater 1] is aangevangen wordt gesteld op 1 oktober 1997, waarbij een redelijke termijn van enige weken na het overlijden van [erflater 2] in aanmerking wordt genomen, zulks in navolging van hetgeen de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Nationale Ombudsman hebben overwogen.

(...)

5.9 Nu de schade die [gedaagde] lijdt, vanaf 1 oktober 1997 voor wat betreft de [erflater 2] en [erflater 1] en vanaf 1 januari 1999 voor wat betreft [eiser 1] en [eiser 2], reeds voldoende is uitgekristalliseerd, zal de zaak niet naar de schadestaatprocedure verwezen worden. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld de schade bij conclusie na tussenvonnis te onderbouwen.

(...)”.

2.11. [gedaagde] heeft naar aanleiding van voormeld vonnis zijn eis gewijzigd en hij vordert thans hoofdelijke veroordeling van de huisartsen tot betaling van een bedrag van € 2.494.845,60, alsmede van de erven [erflater 1] en de [erflater 2] een bedrag van € 133.297,93, beide bedragen vermeerderd met een rente van 10,68% vanaf 1 juni 2002 tot de dag van betaling.

2.12. Bij op 23 juni 2004 in voormelde procedure gewezen vonnis heeft de rechtbank te Zutphen [gedaagde] opgedragen bij akte:

- stukken in het geding te brengen met betrekking tot de door hem met de VNA en

het Ministerie van Volksgezondheid gesloten regelingen,

- zich specifiek uit te laten over hetgeen door de huisartsen bij pleidooi onder sub 21

van de pleitnota naar voren is gebracht,

- zich uit te laten over de stand van zaken in de schadestaatprocedure tegen Amicon,

- zich uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundig(n), de

aan deze deskundige(n) te stellen vragen en het voorschot,

en heeft de rechtbank voorts de huisartsen opgedragen om bij antwoordakte zich uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundig(n), de aan deze deskundige(n) te stellen vragen en het voorschot.

2.13. De huisartsen hebben tegen de vonnissen van 7 maart 2002 en 23 juni 2004 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Tot op de zitting van 15 juni 2005 had het gerechtshof nog geen uitspraak gedaan.

2.14. Op 14 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van R.J. Soer, gerechtsdeurwaarder te Groenlo, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 10 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking, ten laste van [eiser 1] conservatoir verhaalsbeslag gelegd op:

- huis, tuin en cultuurgrond, staande en gelegen te [postcode] [plaats] aan de

[adres], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie P nummer 249,

- huis, erf en garage , staande en gelegen te [postcode] [plaats] aan de [adres]

, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie B nummer 2563.

2.15. Op 18 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd het verzoekschrift en de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikking d.d. 10 juli 2003, alsmede het proces-verbaal van het hiervoor onder 2.14 vermelde conservatoir verhaalsbeslag aan [eiser 1] betekend.

2.16. Op 14 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 10 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking, ten laste van [eiser 2] conservatoir verhaalsbeslag gelegd op:

- huis en tuin, staande en gelegen te [postcode] [plaats][adres]s],

kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie A nummer 2060,

- tuin, gelegen te [plaats] aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats],

sectie A nummer 2134.

2.17. Op 14 juli 2003 heeft G.G. Breunissen, gerechtsdeurwaarder te Wageningen ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 10 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking, ten laste van [eiser 2] onder de onderlinge waarborgmaatschappij U.A. Onderlinge Waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Particulier U.A., gevestigd te Wageningen, conservatoir verhaalsbeslag gelegd.

2.18. Op 14 juli 2003 heeft G.G. Breunissen, gerechtsdeurwaarder te Wageningen ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 10 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking, ten laste van [eiser 2] onder de onderlinge waarborgmaatschappij U.A. Onderlinge Waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds U.A., gevestigd te Wageningen, conservatoir verhaalsbeslag gelegd.

2.19. Op 15 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 10 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking, ten laste van [eiser 2] onder de naamloze vennootschap ABN-AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudende te Lochem, conservatoir verhaalsbeslag gelegd.

2.20. Op 18 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd aan [eiser 2] betekend een drietal verzoekschriften met de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikkingen d.d. 10 juli 2003 , alsmede de processen-verbaal van het leggen van de hiervoor onder 2.16, 2.17, 2.18 en 2.19 vermelde conservatoire beslagen.

2.21. Op 14 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 10 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking, ten laste van de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 2] conservatoir verhaalsbeslag gelegd op huis en tuin, staande en gelegen te [postcode] aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie B nummer 2780.

2.22. Op 15 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 10 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking, ten laste van de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 2] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder A.H.K. Plasmans, wonende te Den Burg, praktijk houdende te [plaats].

2.23. Op 18 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd aan de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 2] betekend een tweetal verzoekschriften met de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikkingen d.d. 10 juli 2003 , alsmede de processen-verbaal van het leggen van de hiervoor onder 2.21 en 2.22 vermelde conservatoire beslagen.

2.24. Op 14 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 10 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking, ten laste van de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 1] conservatoir verhaalsbeslag gelegd op woonboerderij, kantoorruimte, schuur, erf en tuin, staande en gelegen te [postcode] aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie I nummer 3265.

2.25. Op 18 juli 2003 heeft S.J.J. Teselink voornoemd aan de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 1] betekend het verzoekschrift met de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikking d.d. 10 juli 2003 , alsmede het proces-verbaal van het leggen van het hiervoor onder 2.24 vermelde conservatoire beslag.

2.26. Op 6 augustus 2003 heeft F. Kruythof, gerechtsdeurwaarder te Utrecht, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 31 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van [eiser 1] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder de stichting Stichting Pensioenfonds voor Huisartsen, gevestigd te Utrecht.

2.27. Op 8 augustus 2003 heeft R.J. Soer aan [eiser 1] betekend het verzoekschrift met de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikking d.d. 31 juli 2003, alsmede het proces-verbaal van het leggen van het hiervoor onder 2.26 vermelde conservatoire beslag.

2.28. Op 27 mei 2004 heeft P. Weij, gerechtsdeurwaarder te Zutphen, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van een op 26 mei 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van [eiser 1] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder de vennootschap onder firma Gerard Wesselink Makelaardij, kantoorhoudende te [plaats].

2.29. Op 27 mei 2004 heeft P. Weij, gerechtsdeurwaarder te Zutphen, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van de op 26 mei 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van [eiser 1] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder C.I.L. Hoijtink, wonende te [plaats].

2.30. Op 27 mei 2004 heeft P. Weij, gerechtsdeurwaarder te Zutphen, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van de op 26 mei 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van [eiser 1] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder J.H. Sportel, kantoorhoudende te [plaats].

2.31. Op 28 mei 2004 heeft M. Hooijberg, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van T.J.A. Groen, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van de op 26 mei 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van [eiser 1] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder de naamloze vennootschap Postbank N.V., gevestigd te Amsterdam.

2.32. Op 3 juni 2004 heeft F.H. Koperdraad, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van P. Weij, gerechtsdeurwaarder te Zutphen, aan [eiser 1] betekend een verzoekschrift en de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikking d.d. 26 mei 2004, alsmede de processen-verbaal van het leggen van de hiervoor onder 2.28, 2,29, 2.30 en 2.31 vermelde conservatoire beslagen.

2.33. Op 27 mei 2004 heeft P. Weij, gerechtsdeurwaarder te Zutphen, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van de op 26 mei 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van [eiser 2] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder E. Klein Horsman, kantoorhoudende te [plaats].

2.34. Op 28 mei 2004 heeft M. Hooijberg, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van T.J.A. Groen, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van de op 26 mei 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van [eiser 2] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder de naamloze vennootschap Postbank N.V., gevestigd te Amsterdam.

2.35. Op 3 juni 2004 heeft F.H. Koperdraad, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van P. Weij, gerechtsdeurwaarder te Zutphen, aan [eiser 2] betekend een verzoekschrift en de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikking d.d. 26 mei 2004, alsmede de processen-verbaal van het leggen van de hiervoor onder 2.33 en 2.34 vermelde conservatoire beslagen.

2.36. Op 28 mei 2004 heeft M. Hooijberg, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van T.J.A. Groen, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van de op 26 mei 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 2] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder de naamloze vennootschap Postbank N.V., gevestigd te Amsterdam.

2.37. Op 3 juni 2004 heeft F.H. Koperdraad, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van P. Weij, gerechtsdeurwaarder te Zutphen, aan de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 2] betekend een verzoekschrift en de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikking d.d. 26 mei 2004, alsmede het proces-verbaal van het leggen van het hiervoor onder 2.36 vermelde conservatoire beslag.

2.38. Op 28 mei 2004 heeft M. Hooijberg, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van T.J.A. Groen, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, ten verzoeke van [gedaagde], uit kracht van de op 26 mei 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gegeven beschikking ten laste van de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 1] conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder de naamloze vennootschap Postbank N.V., gevestigd te Amsterdam.

2.39. Op 3 juni 2004 heeft F.H. Koperdraad, als toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van P. Weij, gerechtsdeurwaarder te Zutphen, aan de gezamenlijke erfgenamen van [erflater 1] betekend een verzoekschrift en de daarop door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen gestelde beschikking d.d. 26 mei 2004, alsmede het proces-verbaal van het leggen van het hiervoor onder 2.38 vermelde conservatoire beslag.

2.40. Bij arrest van 16 september 2003, gewezen tussen [gedaagde] als appellant en Amicon als geïntimeerden heeft het gerechtshof te Arnhem - voor zover hier van belang – het volgende overwogen en beslist:

“(...)

4.11 (...) Gegeven de medewerkersovereenkomst tussen Amicon en [gedaagde], met de verwijzing daarin naar het contracteerbeleid 1997, en gelet op de evidente financiële belangen van [gedaagde], was Amicon, op wie als zorgverzekeraar een zware zorgplicht rust, naar eisen van redelijkheid en billijkheid zonder meer verplicht met [gedaagde] overleg te voeren alvorens ten nadele van hem af te wijken van haar contracteerbeleid 1997; daargelaten dat voor een afwijking van deze regels - behoudens de instemming van [gedaagde] – geen goede grond aanwezig was. Amicon heeft zodoende ten opzichte van [gedaagde] ook onzorgvuldig en dus onrechtmatig gehandeld.

(...)

4.13 [gedaagde] stelt ook vóór de komst van apotheker Bohnenn schade te hebben geleden door het onrechtmatig handelen door Amicon jegens hem.

(...)

4.15 (...) Het hof stelt de datum vanaf wanneer Amicon jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld op de datum van de uitreiking van het intrekkingsbesluit van COGEBA, te weten 15 juli 1993 (...), omdat per die datum voor Amicon duidelijk geweest moet kunnen zijn dat zij een medewerkersovereenkomst met [gedaagde] niet langer kon weigeren.

(...)

5 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

(...)

veroordeelt Amicon tot betaling van de door [gedaagde] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming en het onrechtmatig handelen van Amicon (in voege als hiervoor overwogen) geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 1999;

(...)”.

2.41. Bij arrest van 1 april 2005 heeft de Hoge Raad het door Amicon tegen het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 16 september 2003 ingestelde beroep in cassatie verworpen.

2.42. Bij dagvaarding van 6 mei 2004 heeft [gedaagde] Amicon gedagvaard tegen de zitting van de rechtbank te Arnhem, met vordering Amicon te veroordelen om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 3.513.345,40, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2004, ter zake van de door hem pro resto geleden schade.

In deze procedure is tot op heden door de rechtbank te Arnhem geen uitspraak gedaan.

2.43. [gedaagde] heeft ten laste van Amicon geen conservatoire verhaalsbeslagen doen leggen.

3. Het geschil

3.1. [eiser 1] c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. primair:

de door [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen zal opheffen:

ten laste van [eiser 1]:

- de op 14 juli 2004 gelegde conservatoire beslagen op de onroerende zaken,

gelegen [adres], kadastraal bekend Gemeente [plaats],

sectie P nummer 249, en de [adres] 15/15a, kadastraal bekend

Gemeente [plaats], sectie B nummer 2563;

- het op 6 augustus 2003 gelegde conservatoire derdenbeslag onder de

Stichting Pensioenfonds voor Huisartsen, gevestigd en kantoorhoudend te

Utrecht;

- de op 27 mei 2004 gelegde conservatoire derdenbeslagen onder VOF G.

Wesselink Makelaardijk te [plaats] en C.L. Hoijtink te [plaats] en J.H.

Sportel te [plaats];

- het op 28 mei 2004 gelegde conservatoire derdenbeslag onder de Postbank

N.V. te Amsterdam;

ten laste van [eiser 2]:

- de op 14 juli 2003 gelegde conservatoire beslagen op de onroerende zaken,

gelegen [adres], kadastraal bekend Gemeente [plaats], sectie

A nummer 2060 en sectie A nummer 2134;

- de op 14 juli 2004 gelegde conservatoire derdenbeslagen onder Onderlinge

Waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Particulier U.A. en

Onderlinge Waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds

U.A.;

- het op 15 juli 2003 gelegde conservatoire derdenbeslag onder ABN-AMRO

Bank N.V., gevestigd te Amsterdam en mede kantoorhoudend te Lochem;

- het op 27 mei 2004 gelegde conservatoire derdenbeslag onder E. Klein

Horsman te [plaats];

- het op 28 mei 2004 gelegde conservatoire derdenbeslag onder Postbank

N.V. te Amsterdam;

ten laste van de erven [erflater 1]:

- het op 14 juli 2003 gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak,

gelegen aan de [adres], kadastraal bekend Gemeente [plaats], sectie

I nummer 3265;

- het op 28 mei 2004 gelegde conservatoire derdenbeslag onder Postbank

N.V. te Amsterdam;

ten laste van d[erflater 2]:

- het op 14 juli 2003 gelegde conservatoire derdenbeslag op de onroerende

zaak, gelegen aan de [adres], kadastraal bekend Gemeente

[plaats], sectie B nummer 2780;

- het op 15 juli 2003 gelegde conservatoire derdenbeslag onder A.H.K.

Plasmans te [plaats];

- het op 28 mei 2004 gelegde conservatoire derdenbeslag onder Postbank

N.V. te Amsterdam;

2. subsidiair:

de door [gedaagde] ten laste van de huisartsen gelegde conservatoire beslagen,

zoals hiervoor onder 3.1.1 omschreven, waarvan de opheffing door de

voorzieningenrechter juist wordt geacht, zal opheffen;

3. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Eiser 4heeft in de inleidende dagvaarding gesteld op te treden namens zichzelf in haar hoedanigheid van erfgename van [erlater 2] en tevens als wettelijk vertegenwoordigster van zijn andere erfgenamen [erfgenaam 1], [erfgenaam 2] en [erfgenaam 3]. Desgevraagd heeft zij ter zitting verklaard dat haar mede-erfgenamen allen meerderjarig en handelingsbekwaam zijn. Nu – ook desgevraagd - door haar niet is gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond van welke rechtsregel zij bevoegd is namens haar mede-erfgenamen de onderhavige rechtsvordering tegen [gedaagde] in te stellen, moet zij in dat gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2. De huisartsen hebben aan hun vordering tot opheffing van de gelegde beslagen ten grondslag gelegd, dat deze beslagen thans onnodig zijn. Ter ondersteuning van deze stelling hebben de huisartsen aangevoerd, dat Amcion en de huisartsen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [gedaagde] geleden schade en dat [gedaagde] bij toewijzing van zijn schadevordering tegen Amicon, zijn volledige schade ook op Amicon kan verhalen. [gedaagde] heeft voor zijn schade voldoende verhaalsmogelijkheid op Amicon. De huisartsen hebben daarentegen belang bij opheffing van alle door [gedaagde] gelegde beslagen, zodat zij over de inkomsten die onder deze beslagen vallen, kunnen beschikken, dan wel de onroerende zaken waarop de beslagen zijn gelegd, vrij kunnen verkopen. Bij afweging van de belangen van de huisartsen tegen de belangen van [gedaagde] moeten de belangen van de huisartsen dan ook zwaarder wegen.

4.3. De vraag of het leggen van een conservatoir verhaalsbeslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

4.4. Op grond van de hiervoor onder 2.40 vermelde beslissing van het gerechtshof te Arnhem d.d. 16 september 2003, bevestigd bij arrest van de Hoge Raad van 1 april 2005, staat vast dat Amicon vanaf 15 juli 1993 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] en dat Amicon gehouden is de door [gedaagde] dientengevolge geleden schade te vergoeden. Voorts moet de voorzieningenrechter er op grond van het hiervoor onder 2.10 vermelde vonnis van de rechtbank te Zutphen van 7 maart 2002 van uitgaan, dat voor de door [gedaagde] geleden schade [eiser 1] en [eiser 2] aansprakelijk zijn vanaf 1 januari 1999 en dat d[erflater 2] en de erven [erflater 1] aansprakelijk zijn vanaf 1 oktober 1997. Dat in deze bodemprocedures beslissingen zijn gevallen die kennelijke misslagen bevatten, is niet gesteld.

4.5. [gedaagde] heeft niet weersproken, dat Amicon en de huisartsen hoofdelijk aansprakelijk zijn ter zake van de door hem als gevolg van het handelen van Amicon en de huisartsen geleden schade. Ook is door [gedaagde] niet betwist, dat hij op Amicon voldoende verhaalsmogelijkheid heeft en daarom heeft afgezien van het leggen van conservatoir verhaalsbeslag onder Amicon, alsmede dat de huisartsen door de gelegde beslagen ernstig in hun financiële mogelijkheden worden beperkt.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat [gedaagde], gelet op de wederzijdse belangen van partijen, na het arrest van de Hoge Raad geen zwaarwegend belang meer heeft bij handhaving van de door hem gelegde beslagen onder de huisartsen, zodat deze moeten worden opgeheven. Het is aan Amicon om eventueel gewenst regres op de huisartsen veilig te stellen, niet aan [gedaagde].

4.7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verklaart eiser 4 niet-ontvankelijk in de door haar namens [erfgenaam 1], [erfgenaam 2] en [erfgenaam 3] ingestelde vorderingen;

5.2. heft de door [gedaagde] ten laste van eisers gelegde beslagen als bedoeld onder 2.14 tot en met 2.39 op;

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van eisers begroot op € 329,60 wegens verschotten en op € 816,00 wegens salaris procureur;

5.4. verklaart dit vonnis onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Vrieze en in het openbaar uitgesproken op

8 juli 2005.?

cm/gv