Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AU5225

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-10-2005
Datum publicatie
31-10-2005
Zaaknummer
05/306
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Houden van paard in woonomgeving in dit geval niet in strijd met bestemmingsplan.

Deze feitelijke omstandigheden in aanmerking nemende, in het bijzonder de grootte en de ligging van het perceel, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het houden van één paard geen afbreuk doet aan de woonfunctie van het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 05/306

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[naam], wonende te Ermelo, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo, verweerder,

alsmede [derde partij A] en [derde partij B], te Ermelo, derde-partijen.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 januari 2005, verzonden op 25 januari 2005.

2. Feiten

Bij besluit van 3 februari 2004 – voor zover hier van belang – heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser, wonende [adres] te Ermelo, om handhavend optreden tegen het houden van een paard op het perceel [adres].

Bij uitspraak van 19 oktober 2004, reg.nr. 04/357, heeft de rechtbank het daartegen door eiser ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat verweerder het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling dient te nemen.

Bij besluit (op bezwaar) van 19 november 2004 heeft verweerder aan de derde-partijen een persoons- en objectgebonden ontheffing op grond van artikel 2.4.20, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verleend voor het houden van één paard/pony op het perceel [adres].

Eiser heeft het door hem daartegen ingestelde beroep ingetrokken.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder – overeenkomstig het advies van de onafhankelijke bezwarencommissie – het bezwaar van eiser tegen het bovengenoemde besluit van 3 februari 2004 ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Bij brief van 1 maart 2005 heeft eiser beroep ingesteld op de daarin vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Bij brief van 27 april 2005 hebben de derde-partijen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 augustus 2005, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. van Olst.

De derde-partijen zijn niet verschenen.

4. Motivering

Verweerder heeft erop gewezen dat er al geruime tijd geen paard meer op het in geding zijnde perceel aanwezig is geweest. Verweerder is van mening dat eiser daarom geen procesbelang meer heeft.

De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Gelet op de inrichting van het perceel met onder meer een paardenbak (al maakt deze een verwilderde indruk) en gezien het feit dat de derde-partijen over een onherroepelijke ontheffing ingevolge de APV beschikken en niet hebben aangegeven dat zij geen paard meer op het perceel zullen houden, kan eiser worden gevolgd in zijn opvatting dat er elk moment weer een paard kan verschijnen op het perceel. Eiser heeft daarom nog voldoende belang bij een beoordeling van het geschil.

Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat het houden van één paard op het perceel [adres] niet strijdig is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kom Ermelo, herziening 2002”.

Volgens dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming “Woondoeleinden 1”. De als zodanig aangewezen grond is krachtens artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor wonen. Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn onder meer toegelaten woningen, tuinen en erven.

Eiser stelt zich op het standpunt dat een paard geen huisdier is en dat het houden van een paard op het perceel daarom in strijd is met de bestemming woondoeleinden. Volgens eiser is dit blijkens de nota “Paarden en paardenbakken” van maart 2003 ook het standpunt van de gemeente, nu in die nota wordt gesteld dat het houden van paarden binnen de bebouwde kom niet wenselijk is. Eiser heeft voorts gewezen op de overlast die een omwonende als hijzelf ondervindt van een paard.

De rechtbank stelt voorop dat volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vraag of het ter plaatse houden van een paard in strijd is met de bestemming woondoeleinden moet worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend hierbij is of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer te rijmen valt met de woonfunctie van het betreffende perceel. Anders dan eiser meent, is derhalve niet bepalend of een paard al dan niet als huisdier moet worden aangemerkt.

Niet in geschil is dat het houden van een paard in dit geval een hobbymatig karakter heeft en dat het gaat om het houden van één paard (dan wel pony). Uit het door eiser (in de zaak 04/357) overgelegde fotomateriaal blijkt dat het perceel is gelegen in een groene, bosrijke omgeving, waarbij hoge bomen het beeld bepalen. Het in geding zijnde perceel heeft een totale oppervlakte van 846 m², waarbij de oppervlakte van de achtertuin – waar een schuur en een paardenbak van relatief geringe afmetingen aanwezig zijn voor een paard – bijna 600 m² bedraagt.

Deze feitelijke omstandigheden in aanmerking nemende, in het bijzonder de grootte en de ligging van het perceel, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het houden van één paard geen afbreuk doet aan de woonfunctie van het perceel. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat de door eiser gestelde overlast niet van dien aard is dat de ruimtelijke uitstraling van het gebruik niet meer te rijmen valt met de woonfunctie.

Er is derhalve in dit geval geen sprake van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, zodat verweerder terecht en op goede gronden heeft afgezien van handhavend optreden wegens strijd met het bestemmingsplan.

Met betrekking tot de nota “Paarden en paardenbakken” merkt de rechtbank in dit verband nog op dat daarin op bladzijde 6 het standpunt wordt ingenomen dat het hobbymatig houden van een beperkt aantal paarden – anders dan eiser meent – juist wel mogelijk is binnen de bestemming woondoeleinden, ook in de bebouwde kom. Maar omdat het vanwege stof- en stankoverlast niet wenselijk wordt geacht dat op elk perceel binnen de bebouwde kom paarden kunnen worden gehouden, wordt in de nota voorgesteld dat regulerend wordt opgetreden op basis van artikel 2.4.20 van de APV ten aanzien van het houden van paarden binnen de bebouwde kom. Dit instrument van regulering is dus juist “van stal gehaald” omdat regulerend optreden op basis van het bestemmingsplan niet mogelijk werd geacht.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder op grond van de APV handhavend dient op te treden tegen het houden van een paard vanwege de door hem gestelde overlast, overweegt de rechtbank dat van handhavend optreden wegens overtreding van het op basis van de APV ingestelde verbod om een paard te houden geen sprake meer kan zijn, nu aan de derde-partijen een ontheffing is verleend welke thans in rechte onaantastbaar is.

De rechtbank wijst er in dit verband op dat aan de ontheffing voorwaarden verbonden zijn ter beperking van mogelijke overlast voor omwonenden. Eiser kan in geval van overtreding van deze voorwaarden verweerder verzoeken daartegen handhavend op te treden. Dit vormt echter in het onderhavige geding geen onderwerp van geschil, aangezien het inleidende verzoek om handhaving alleen betrekking had op het houden van een paard als zodanig.

Het voorgaande leidt tot slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten-.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.