Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AU4020

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-10-2005
Datum publicatie
10-10-2005
Zaaknummer
06/035182-04, 06/035183-04, 06/035372-04, 06/035529-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Transportondernemer veroordeeld tot geldboetes, in totaal € 44.410,--, voor ondermeer het veelvuldig niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven rusttijden.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 1
Wet op de economische delicten 2
Wet op de economische delicten 6
Wet op de geneesmiddelenvoorziening
Wet op de geneesmiddelenvoorziening 14
Wet op de geneesmiddelenvoorziening 31
Arbeidstijdenwet
Arbeidstijdenwet 5:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Economische politierechter

Parketnummer(s): 06/035182-04, 06/035183-04, 06/035372-04, 06/035529-04

Uitspraak d.d.: 3 oktober 2005

Verstek / onip

Na aanhouding: verschenen, onip (art. 279, tweede lid, Wetboek van Strafvordering)

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 februari 2005, 30 mei 2005 en 19 september 2005, met dien verstande dat de voeging van de zaken met parketnummers 06/035182-04 en 06/035183-04 ter terechtzitting van 21 februari 2005 heeft plaatsgevonden en dat de voeging van de zaken met parketnummers 06/035372-04 en 06/035529-04 ter terechtzitting van 30 mei 2005 heeft plaatsgevonden. De in deze zaken ten laste gelegde feiten zullen hierna worden aangeduid als feiten 1 tot en met feiten 12.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 april 2003 tot en met 1 juni 2003, in de gemeente Dinxperlo, in elk geval in Nederland, als vergunninghouder, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, vervoer heeft verricht met gebruikmaking van een of meer bestuurders van een vrachtauto, genaamd [chauffeur A], [chauffeur B], [chauffeur C], [chauffeur D], [chauffeur E], [chauffeur F] [chauffeur G] en/of [chauffeur H],

die niet bij verdachte in dienstbetrekking was/waren;

art 1 Wet op de economische delicten

art 14 lid 1 Wet goederenvervoer over de weg

2.

zij op of omstreeks 17 september 2003, in de gemeente Dordrecht, in elk geval in Nederland,

over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, beroepsvervoer of eigen vervoer heeft verricht met een vrachtauto, trekker met oplegger, gekentekend [kenteken], ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met artikel 5.18.17 van het Voertuigreglement, aangzien die vrachtauto zodanig was beladen dat de toegestane maximum last van de achteras van die trekker (te weten 11.500

kilogram) met 1.540 kilogram of daaromtrent werd overschreden;

art 1 Wet op de economische delicten

art 31 Wet goederenvervoer over de weg

art 6a Besluit goederenvervoer over de weg

3.

[chauffeur I] in of omstreeks de periode van 27 juni 2004 tot en met 30 juni 2004,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur I], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland en Frankrijk, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde, in de periode van 24 uur, aanvangende op 29 juni 2004 te 13:05 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 19 minuten, in elk geval minder dan 9 uur, terwijl verdachte, die toen werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

4.

[chauffeur J] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur J], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 21 april 2003 te 16:25 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 54 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 21 mei 2003 te 08:38 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 30 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 14:08 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 21 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 27 mei 2003 te 09:05 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 10 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

5.

[chauffeur K] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur K], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of

registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 6 mei 2003 te 09:25 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 46 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

terwijl verdachte, die toen werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

6.

[chauffeur L] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur L], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een

laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 20 mei 2003 te 16:37 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 36 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 15:20 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 04 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

7.

[chauffeur M] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur M], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een

laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 21 april 2003 te 13:31 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 53 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 24 april 2003 te 06:15 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 27 april 2003 te 10:17 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 25 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 28 april 2003 te 10:17 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 05 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

8.

[chauffeur N] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur N], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 21 april 2003 te 17:02 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 17 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 28 april 2003 te 08:55 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 44 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 1 mei 2003 te 14:15 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 51 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 5 mei 2003 te 09:50 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 36 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 8 mei 2003 te 09:50 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 24 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 11 mei 2003 te 14:30 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 38 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 13 mei 2003 te 14:30 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 09 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 14 mei 2003 te 14:30 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 50 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 13:10 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 00 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 27 mei 2003 te 08:04 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 56 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

9.

[chauffeur O] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur O], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 21 april 2003 te 05:37 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 00 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 22 april 2003 te 05:37 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 08 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 27 april 2003 te 18:30 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 00 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 8 mei 2003 te 11:14 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 29 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 20 mei 2003 te 08:50 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 13 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

10.

[chauffeur P] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur P], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 29 april 2003 te 04:27 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 47 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 5 mei 2003 te 05:18 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 41 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 12 mei 2003 te 23:26 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 38 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 13 mei 2003 te 23:26 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 12 minuten,

in elk geval minder dan 9 uur,

terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

11.

[chauffeur M] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur M], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een

laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 1 mei 2003 te 11:00 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 48 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 5 mei 2003 te 09:10 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 8 mei 2003 te 10:52 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 13 mei 2003 te 07:07 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 21 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 15 mei 2003 te 12:40 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 44 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 19 mei 2003 te 09:20 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 05 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 13:56 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 55 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

12.

[chauffeur R] in of omstreeks de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003,

niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85,

immers had die [chauffeur R], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een

laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 1 mei 2003 te 11:00 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 48 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 5 mei 2003 te 09:10 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 8 mei 2003 te 10:52 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 13 mei 2003 te 07:07 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 21 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 15 mei 2003 te 12:40 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 44 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 19 mei 2003 te 09:20 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 05 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 13:56 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 55 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

terwijl verdachte, die toen (telkens) werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

art 1 Wet op de economische delicten

art 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer

Vrijspraak

Naar het oordeel van de economische politierechter is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 onder het tweede en vierde gedachtestreepje, 5 en 7 onder het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Verweer met betrekking tot de onder 4 tot en met 12 ten laste gelegde feiten (oorspronkelijk parketnummer 06/035183-04):

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat er sprake is geweest van vervoer met vrachtauto’s met een laadvermogen van 500 kilogram of meer. Een verwijzing naar een artikel in het proces-verbaal is niet voldoende en er zijn geen kentekenbewijzen of registratiebewijzen aan het proces-verbaal toegevoegd.

De economische politierechter overweegt het volgende.

Uit het processtukken blijkt dat de verbalisant heeft vastgesteld dat door verdachte vrachtauto’s werden gebruikt als bedoeld in artikel 2.1:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat de betreffende vrachtauto’s waren voorzien van een controleapparaat en dat de apparaten bij vervoer met die vrachtauto’s door de betreffende bestuurder in werking werd gesteld door een registratieblad in het controleapparaat te doen. De registratiebladen werden nadien opgenomen in de administratie van verdachte. Uit bedrijfseconomisch gezichtpunt komt het niet logisch voor om investeringen te doen in het aanbrengen van controleapparaten in vrachtauto’s en inspanningen te verrichten voor het in werking stellen en het in de administratie bijhouden van de registratiebladen, terwijl hiervoor een wettelijke verplichting zou ontbreken.

Voorts heeft de raadsvrouw met betrekking tot de onder 4 tot en met 12 ten laste gelegde feiten (oorspronkelijk parketnummer 06/035183-04), met een toelichting als vermeld in de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie, aangevoerd dat deze feiten qua locus delicti niet te bewijzen zijn. Ook heeft zij aangevoerd dat er in een aantal gevallen sprake is van niet kunnen lezen van de registratiebladen, doordat deze niet na 24 uur zijn verwisseld en daardoor zijn overschreven.

De economische politierechter is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen, in onderlinge

samenhang bezien, voldoende blijkt dat de feiten in de in de ten laste legging genoemde landen zijn begaan.

Voor de feiten waarin er sprake is van het niet tijdig verwisselen van een registratieblad uit het controleapparaat waardoor deze wordt overschreven heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, aangezien het niet op de juiste wijze omgaan met het registratieblad de ten laste gelegde feiten moeilijk bewijsbaar maakt, terwijl de gang van zaken als zelfstandig strafbaar feit kan worden aangemerkt. De economische politierechter zal de officier van justitie daarin volgend, van de betreffende feiten vrijspreken.

Naar het oordeel van de economische politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 21 april 2003 tot en met 1 juni 2003, in de gemeente Dinxperlo, als vergunninghouder, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, vervoer heeft verricht met gebruikmaking van bestuurders van een vrachtauto, genaamd [chauffeur A], [chauffeur B], [chauffeur C], [chauffeur D], [chauffeur E], [chauffeur F] [chauffeur G] en [chauffeur H], die niet bij verdachte in dienstbetrekking waren;

2.

zij op 17 september 2003, in de gemeente Dordrecht, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, beroepsvervoer heeft verricht met een vrachtauto, trekker met oplegger, gekentekend [kenteken], ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met artikel 5.18.17 van het Voertuigreglement, aangzien die vrachtauto zodanig was beladen dat de toegestane maximum last van de achteras van die trekker (te weten 11.500 kilogram) met 1.540 kilogram werd overschreden;

3.

[chauffeur I] in de periode van 27 juni 2004 tot en met 30 juni 2004, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur I], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland en Frankrijk, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram

vermeldde, in de periode van 24 uur, aanvangende op 29 juni 2004 te 13:05 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 19 minuten, terwijl verdachte, die toen werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

4.

[chauffeur J] in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur J], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 21 april 2003 te 16:25 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 54 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 14:08 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 21 minuten,

terwijl verdachte, die toen telkens werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

6.

[chauffeur L] in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur L], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 20 mei 2003 te 16:37 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 36 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 15:20 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 04 minuten,

terwijl verdachte, die toen telkens werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

7.

[chauffeur M] in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur M], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 24 april 2003 te 06:15 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 27 april 2003 te 10:17 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 25 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 28 april 2003 te 10:17 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 05 minuten,

terwijl verdachte, die toen telkens werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

8.

[chauffeur N] in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur N], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 21 april 2003 te 17:02 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 17 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 28 april 2003 te 08:55 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 44 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 1 mei 2003 te 14:15 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 51 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 5 mei 2003 te 09:50 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 36 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 8 mei 2003 te 09:50 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 24 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 11 mei 2003 te 14:30 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 38 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 13 mei 2003 te 14:30 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 09 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 14 mei 2003 te 14:30 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 50 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 13:10 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 00 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 27 mei 2003 te 08:04 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 56 minuten,

terwijl verdachte, die toen telkens werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

9.

[chauffeur O] in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur O], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 21 april 2003 te 05:37 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 00 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 22 april 2003 te 05:37 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 08 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 27 april 2003 te 18:30 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 4 uur en 00 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 8 mei 2003 te 11:14 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 29 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 20 mei 2003 te 08:50 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 13 minuten,

terwijl verdachte, die toen telkens werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

10.

[chauffeur P] in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur P], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 29 april 2003 te 04:27 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 47 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 5 mei 2003 te 05:18 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 41 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 12 mei 2003 te 23:26 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 38 minuten,

- in de periode van 24 uur, aanvangende op 13 mei 2003 te 23:26 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 3 uur en 12 minuten,

terwijl verdachte, die toen telkens werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

11.

[chauffeur M] in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur M], die als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 1 mei 2003 te 11:00 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 48 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 5 mei 2003 te 09:10 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 8 mei 2003 te 10:52 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 13 mei 2003 te 07:07 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 21 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 15 mei 2003 te 12:40 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 44 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 19 mei 2003 te 09:20 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 05 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 13:56 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 55 minuten,

in elk geval minder dan 8 uur,

terwijl verdachte, die toen telkens werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd;

12.

[chauffeur R] in de periode van 18 april 2003 tot en met 1 juni 2003, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85, immers had die [chauffeur R], die

als bestuurder wegvervoer verrichtte tussen Nederland, België, Frankrijk en/of Duitsland, met een vrachtauto waarvan het kenteken- of registratiebewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldde,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 1 mei 2003 te 11:00 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 48 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 5 mei 2003 te 09:10 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 8 mei 2003 te 10:52 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 00 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 13 mei 2003 te 07:07 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 0 uur en 21 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 15 mei 2003 te 12:40 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 44 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 19 mei 2003 te 09:20 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 1 uur en 05 minuten,

- in de periode van 30 uur, aanvangende op 25 mei 2003 te 13:56 uur of

daaromtrent, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 2 van

voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende

rusttijd van die bestuurder ongeveer 2 uur en 55 minuten,

terwijl verdachte, die toen telkens werkgever was van voornoemde bestuurder, wordt aangemerkt als degene die voornoemde bepaling niet heeft nageleefd.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op:

1. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 14, eerste lid, van de Wet

goederenvervoer over de weg, meermalen gepleegd door een rechtspersoon.

2. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 31 van de Wet goederenvervoer over de weg, gepleegd door een rechtspersoon.

3. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon.

4. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, tweemaal gepleegd door een rechtspersoon.

6. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, tweemaal gepleegd door een rechtspersoon.

7. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, driemaal gepleegd door een rechtspersoon.

8. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, tienmaal gepleegd door een rechtspersoon.

9. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, vijfmaal gepleegd door een rechtspersoon.

10. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, viermaal gepleegd door een rechtspersoon.

11. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, zevenmaal gepleegd door een rechtspersoon.

12. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, zevenmaal gepleegd door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De economische politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

De economische politierechter acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen-verklaarde en de omstandigheden waar-onder dit is begaan, mede gelet op de omstandigheden en draagkracht van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onder-zoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 23, 24, 51, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 5:12 van de Arbeidstijdenwet;

- 2.4:4, 2.5:1 en 8.1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer;

- 8 van Verordening (EEG) 3820/85;

- 14 en 31 van de Wet goederenvervoer over de weg;

- 6a van het Besluit goederenvervoer over de weg;

- 5.1.2 en 5.18.17 van het Voertuigreglement

BESLISSING

De economische politierechter beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 4 onder het tweede en vierde gedachtestreepje, 5 en 7 onder het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot geldboetes:

Feit 1: 8 geldboetes van elk € 1.100,--, in totaal € 8.800,--;

Feit 2: € 110,--;

Feit 3: € 1.100,--;

Feit 4: 2 geldboetes van elk € 860,--, in totaal € 1.720,--;

Feit 6: 2 geldboetes van elk € 860,--, in totaal € 1.720,--;

Feit 7: 3 geldboetes van elk € 860,--, in totaal € 2.580,--;

Feit 8: 10 geldboetes van elk € 860,--, in totaal € 8.600,--;

Feit 9: 5 geldboetes van elk € 860,--, in totaal € 4.300,--;

Feit 10: 4 geldboetes van elk € 860,--, in totaal € 3.440,--;

Feit 11: 7 geldboetes van elk € 860,--, in totaal € 6.020,--;

Feit 12: 7 geldboetes van elk € 860,--, in totaal € 6.020,--.

Dit vonnis is gewezen mr. Brouns, economische politierechter, in tegenwoordigheid

van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 oktober 2005.