Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AU4010

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-10-2005
Datum publicatie
10-10-2005
Zaaknummer
63824 / HA ZA 04-845
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopster van scootmobiel rijdt op TEFAFbeurs in Maastricht met haar scootmobiel tegen een kostbaar Renaissancebeeld t.w.v. 300.000 Britse pond. Haar algemene aansprakelijkheidspolis biedt geen dekking. De WAM zou wel dekking hebben geboden, ware het niet dat koopster geen WA-verzekering heeft afgesloten. Verkoper heeft nagelaten haar hierover te informeren en wordt in rechte aangesproken.

Informatieplicht verkoper wordt bij dit product en in de gegeven omstandigheden aangenomen. Verkoper dient te vergoeden hetgeen de WA-verzekeraar had uitgekeerd waarbij eigen schuld van standhouder TEFAF een rol speelt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 37
JA 2005/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Civiel

Afdeling Handel

Rolnummer: 63824 / HA ZA 04-845

Uitspraak: 5 oktober 2005

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

[verzekeringsmaatschappij],

gevestigd te Londen (Groot-Brittanië),

eiseres,

procureur mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat mr. P.C. Knijp te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[firmanaam],

gevestigd te Nunspeet,

gedaagde,

procureur mr. B.H. van den Tooren,

advocaten mrs. A.M. Schotte en H.J. van der Tak te respectievelijk Driebergen en Doorn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 december 2004

- het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2005

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In maart[mevrouw X]heeft mevr[mevrouw X]] bij [gedaagde] een scootmobiel besteld die in juli 2002 aan haar is geleverd. Zij is destijds geholpen door [de heer Y], werkzaam bij [gedaagde]. Op deze scootmobiel zijn door [gedaagde] een aantal extra’s gemonteerd zoals achterverlichting en spiegels. Op enig moment heeft [mevrouw X] de scootmobiel bij [gedaagde] geruild voor een ander type scootmobiel. Op deze scootmobiel heeft [mevrouw X] door een fietsenmaker in haar woonplaats verlichting, spiegels en richtingaanwijzers laten monteren.

2.2. Op 20 maart 2003 heeft [mevrouw X] de TEFAF-beurs, een kunst- en antiekbeurs, in Maastricht bezocht. Zij heeft daar destand bezocht van [firmanaam]]. In de stand stond een pied-de-stalle waarop een sokkel met een bronzen beeld uit de 17de eeuw, vervaardigd door F. Tacca (1619-1689, Florence), geplaatst was (hierna: het beeld).

2.3. De pied-de-stalle stond opgesteld in de open ruimte en woog ongeveer 20 kilogram. Aan de binnenkant, onderin, was de pied-de-stalle verzwaard zodat deze in totaal ongeveer 45 kilogram woog, exclusief het beeld en zijn sokkel.

2.4. Met haar scootmobiel is [mevrouw X] achteruit rijdend, tegen de pied-de-stalle aangereden. Zij woog destijds 106 kilogram. Door de aanrijding met de scootmobiel is het beeld gaan schuiven en daarna gevallen waarbij het beeld is beschadigd (hierna: het incident).

2.5. Ten tijde van het incident was [firmanaam] verzekerde van [eiseres]. [eiseres] heeft [firmanaam] een bedrag van £ 300.000,00 uitgekeerd.

2.6. Bij brief van 22 maart 2005 heeft K.L. Alberding, internationaal kunstexpert, aan de raadsman van [eiseres] bericht dat hij op 23 maart 2003 op verzoek van [eiseres] het beeld heeft beoordeeld. Volgens hem was de schade dusdanig ernstig dat het kunstwerk als verloren diende te worden beschouwd. De aankoopprijs van het beeld was volgens genoemde brief £ 250.000,00 en de winstopslag 20%.

2.7. mevrouw X] had ten tijde van het incident een algemene aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP) bij [verzekeringsmaatschappij]. Artikel 3.4 van de polisvoorwaarden bepaalt onder meer het navolgende:

“Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig dat een verzekerde in eigendom heeft (...)”.

2.8. Een scootmobiel is een motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) en dient uit dien hoofde dan ook verzekerd te zijn. Ten tijde van het incident was de scootmobiel van [mevrouw X] niet WAM-verzekerd.

2.9. Bij akte van cessie van 20 januari 2004 is [mevrouw X] met [eiseres] onder meer het navolgende overeengekomen:

“ 1. [mevrouw X] cedeert hierbij aan [eiseres] de vordering die zij, [mevrouw X], geldend zou kunnen maken jegens [verzekeringsmaatschappij] in het geval [mevrouw X] voor de schade aan het onderhavige beeld aansprakelijk zou zijn en de AVP-polis in dat verband dekking zou bieden, welke cessie hierbij door [eiseres] wordt aanvaard.

2. [mevrouw X] cedeert hierbij aan [eiseres] de vordering die zij, [mevrouw X], jegens [gedaagde] geldend zou kunnen maken in het geval de onderhavige AVP-polis bij [verzekeringsmaatschappij] voor de onderhavige schade geen dekking zou bieden, welke vordering voortvloeit uit het feit dat [gedaagde] bij de aanschaf van de scootmobiel door [mevrouw X] heeft verzuimd [mevrouw X] erop te wijzen dat voor de onderhavige scootmobiel een WAM-verzekering afgesloten diende te worden, en juist te kennen heeft gegeven dat de onderhavige scootmobiel niet WAM-plichtig was.”

2.10. In opdracht van [verzekeringsmaatschappij] heeft Hoep expertise- en schadeonderzoekbureau te Oudewater een onderzoek ingesteld. Aan het daarvan opgestelde rapport van 8 mei 2003 is een bijlage gehecht. Het betreft een verklaring van 22 april 2003 van [mevrouw X], welke onder meer het navolgende inhoudt:

“Ik heb deze scootmobiel nooit verzekerd of ter verzekering aangeboden bij een assurantietussenpersoon of een verzekeringsmaatschappij, omdat de scootmobiel die ik had gekocht niet verzekerd kon worden, althans naar mijn mening. Er zat geen licht, geen rem en/of richtingaanwijzer op, dus ik hoefde niet eens een verzekering hiervoor aan te vragen. (...)

Men[bedoeld wordt [gedaagde], rechtbank] heeft mij nooit iets over een verzekering gemeld. (...)

Voor alle duidelijkheid benadruk ik dat nooit iemand tegen mij heeft gezegd of mij duidelijk heeft gemaakt dat, indien dit echt zou moeten, de scootmobielen verzekerd zouden moeten zijn.”

2.11. [verzekeringsmaatschappij] heeft zich onder verwijzing naar artikel 3.4 van de polisvoorwaarden op het standpunt gesteld dat de schade aan het beeld niet onder de dekking van de AVP-polis valt.

2.12. [eiseres] heeft onderzoek gedaan naar de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang van de schade. [eiseres] heeft hiertoe drs. P. Kok van McLarens Young International (hierna: Kok) als expert ingeschakeld. In het kader van zijn onderzoek heeft Kok onder meer op 2 juni 2003 een gesprek gevoerd met voornoemde [de heer Y]. De kosten voor het onderzoek van Kok belopen een bedrag van € 3.974,60 incl. BTW.

2.13. [gedaagde] heeft iedere aansprakelijkheid afgewezen.

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van

£ 300.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag sedert 20 maart 2003 en voorts tot betaling van € 6.653,81 ter zake van de buitengerechtelijke kosten en de kosten ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, met haar veroordeling in de kosten van deze procedure.

3.2. eiseres] legt aan haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

[mevrouw X] heeft jegens [firmanaam] een onrechtmatige daad gepleegd door achteruitrijdend tegen de pied-de-stalle te rijden, terwijl er voldoende manoeuvreerruimte was. Door de voornoemde betaling van £ 300.000,00 is [eiseres] getreden in de rechten van [firmanaam]. [eiseres] houdt [mevrouw X] aansprakelijk voor de door haar aangerichte schade tot een beloop van £ 300.000,00. [mevrouw X] is niet in staat het schadebedrag te voldoen. Indien zij voor de scootmobiel een WAM-verzekering had afgesloten, zou de WAM-verzekeraar tot uitkering van het schadebedrag gehouden zijn geweest. De reden dat [mevrouw X] geen WAM-verzekering heeft afgesloten is omdat [de heer Y] haar heeft medegedeeld dat een dergelijke verzekering niet nodig was, althans, [gedaagde] heeft verzuimd [mevrouw X] op die verzekeringsplicht te wijzen. Dat levert een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] op waardoor [gedaagde] gehouden is de schade te vergoeden. Die schade bestaat eruit dat [mevrouw X] geen schade-uitkering kan verkrijgen. [eiseres] heeft door cessie het vorderingsrecht van [mevrouw X] op [gedaagde] verkregen.

Voorts is [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten verschuldigd die op basis van de specificatie van de raadsman een bedrag van € 2.679,21 bedragen. Tevens dient [gedaagde] de kosten voor de vaststelling van de schade en aansprakelijkheid te voldoen, te weten de kosten van het rapport van Kok.

Op de (nadere) stellingen zal bij de beoordeling, zo nodig, worden ingegaan.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] concludeert dat de rechtbank [eiseres] niet ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, althans het door haar gevorderde af zal wijzen, kosten rechtens.

4.2. [gedaagde] voert de navolgende verweren aan.

[de heer Y] heeft nimmer gezegd dat een WAM-verzekering niet nodig was. [gedaagde] deelt haar klanten in het algemeen mee dat een WAM-verzekering moet worden afgesloten voor een scootmobiel. Voor zover moet worden aangenomen dat [gedaagde] heeft verzuimd [mevrouw X] ter zake in te lichten, levert dat geen tekortkoming op, nu er op dat punt geen informatieplicht bestaat. Bovendien is het nog maar de vraag of [mevrouw X], indien de mededeling was gedaan, een WAM-verzekering had afgesloten. Daarnaast is [mevrouw X] zelf verantwoordelijk voor het afsluiten van wettelijke verzekeringen. Dat zij dat, zelfs een jaar na aankoop, nog steeds had verzuimd, dient voor haar risico te blijven.

[gedaagde] heeft de onderliggende stukken betreffende de schade niet gezien en betwist dat deze een bedrag van £ 300.000,00 zou belopen.

Er is sprake van eigen schuld. [mevrouw X] heeft zeer roekeloos gehandeld door achteruit te rijden met haar scootmobiel. Voorts was de pied-de-stalle te licht waardoor het beeld gemakkelijk kon vallen bij een aanraking van een bezoeker. De standhouder/de organisatie heeft scootmobielen toegelaten tot de beurs terwijl daar zeer kostbare goederen zijn uitgestald.

Op de (nadere) verweren zal bij de beoordeling, zo nodig, worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Wil (enig deel van) het gevorderde kunnen worden toegewezen, dan dienen ten minste de volgende vragen positief te worden beantwoord. Ten eerste dient te worden vastgesteld of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [mevrouw X] door na te laten haar te wijzen op de WAM-verplichting. Zo ja, dan dient te worden bepaald of [mevrouw X], wetende dat zij een WAM-verzekering moest afsluiten, die verzekering daadwerkelijk en tijdig had afgesloten. Indien ook deze vraag positief wordt beantwoord, komt vervolgens de vraag aan de orde of de WAM-verzekeraar zou hebben uitgekeerd, anders gezegd, of de schadetoedracht valt onder de dekking van de WAM. Zo ja, dan dient ten slotte aan de orde te komen welk schadebedrag de WAM-verzekeraar in dat geval had uitgekeerd aan [mevrouw X]. Daarbij dient tevens te worden ingegaan op de vraag of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [firmanaam].

Tekortkoming

5.2. Bij dagvaarding heeft [eiseres] de tekortkoming primair gestoeld op haar stelling dat [de heer Y] aan [mevrouw X] zou hebben medegedeeld dat een WAM-verzekering niet nodig was. Bij conclusie van repliek heeft zij die stelling van ondergeschikt belang geoordeeld en vervolgens gesteld dat in het midden kan blijven of [de heer Y] een onjuist advies heeft gegeven. [gedaagde] heeft daaruit terecht afgeleid dat [eiseres] deze primaire stelling heeft laten varen.

5.3. Bij pleidooi is [eiseres] hierop teruggekomen. Zij ziet er echter aan voorbij dat het opwerpen van nieuwe stellingen bij pleidooi niet is toegestaan. Gelet hierop wordt aan beoordeling van haar aanvankelijk primaire stelling niet meer toegekomen.

5.4. De subsidiaire stelling behelst dat [gedaagde] [mevrouw X] had moeten wijzen op het feit dat een WAM-verzekering moest worden afgesloten en dat [gedaagde], door dit na te laten, toerekenbaar tekortgeschoten is. In feite betoogt [eiseres] dat [gedaagde] als bedrijfsmatig verkoper van scootmobielen een informatieplicht heeft jegens zijn cliëntèle aangaande de WAM-verplichting.

5.5. [gedaagde] betwist dat zij, net zomin als de auto- of bromfietsverkoper, gehouden is haar klanten te wijzen op de plicht een WAM-verzekering af te sluiten. Nu het om een wettelijke plicht gaat, kan volgens [gedaagde] van een informatieplicht in het geheel geen sprake zijn.

5.6. Dit betoog wordt verworpen. Weliswaar gaat het om een wettelijke verplichting van de bezitter van een motorrijtuig maar dat sluit niet uit dat de verkoper in bepaalde omstandigheden een informatieplicht ter zake heeft. In het geval van een scootmobiel ligt het - anders dan bij een auto of bromfiets - niet direct voor de hand dat een WAM-verzekering afgesloten dient te worden. Het product beoogt de mobiliteit van voornamelijk ouderen te vergroten en zal in zoverre vooreerst als hulpmiddel worden beschouwd en niet zozeer als motorrijtuig. In het spraakgebruik wordt de scootmobiel evenmin als motorrijtuig betiteld. Daarenboven volgt uit de door [gedaagde] ter zake in het geding gebrachte rekening van de eerste scootmobiel en uit het feit dat [mevrouw X] met haar tweede scootmobiel naar een fietsenmaker is gegaan - zie hiervoor onder 2.1 – dat in ieder geval de door [mevrouw X] gekochte scootmobielen niet standaard waren voorzien van onderdelen die kenmerkend zijn voor andere motorvoertuigen. De maximumsnelheid is laag en de aandrijving geschiedt door een oplaadbare accu.

Over de verzekeringsplicht voor het relatief nieuwe product scootmobiel heeft voorts enige tijd onduidelijkheid bestaan en deze bestaat op sommige punten nog. Zo heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij op 19 mei 2003 bij haar assurantiepersoon heeft nagevraagd of de WAM-verplichting tevens zou gelden voor een nieuwe type scootmobiel dat een maximumsnelheid van 7 km/u zou hebben, kennelijk omdat hier vraagtekens bij gesteld konden worden. Voorts is via Kamervragen, ingezonden 19 mei 2004 (Kamervragen met antwoord 2003-2004, nr. 1804, TK), door de Tweede Kamer aan de ministers van Verkeer en Waterstaat, Justitie en VWS aandacht gevraagd voor bezitters van scootmobielen die niet op de hoogte zijn van de verplichte WA-verzekering en de consequenties die dat voor die bezitters heeft. Een omstandigheid die tevens een rol speelt is dat de cliëntèle van scootmobielen voornamelijk uit ouderen bestaat die doorgaans meer informatiebehoeftig zijn dan andere groepen in de samenleving. Ten slotte kan het ontbreken van een WAM-verzekering voor de bezitter van een scootmobiel (en uiteraard voor zijn eventuele slachtoffers) ernstige gevolgen hebben, temeer daar schade die veroorzaakt is door een motorrijtuig uitgesloten pleegt te zijn in AVP-polissen. In het onderhavige geval geldt bovendien dat [mevrouw X] de scootmobiel niet in het kader van de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) heeft aangeschaft, zodat de zorgplicht van de gemeente om haar te voorzien van een veilige voorziening waaronder mede kan worden begrepen voorlichting van gemeentewege over af te sluiten verzekeringen, jegens haar niet gold.

5.7. In het licht van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, wordt een informatieplicht van [gedaagde] jegens [mevrouw X] aangenomen aangaande de verplicht af te sluiten WAM-verzekering voor scootmobielen. Deze plicht wordt gebaseerd op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid die mede bepalen welke de rechtsgevolgen zijn die voortvloeien uit de tussen koper en verkoper gesloten overeenkomst. Opmerking verdient in dit kader nog dat [gedaagde] heeft gesteld dat het voor haar ook gebruikelijk is haar cliëntèle op de WAM-verzekeringsplicht te wijzen.

5.8. Nu een informatieplicht wordt aangenomen, kan [gedaagde] zich niet verweren door te stellen dat [mevrouw X] het aan zichzelf te wijten heeft dat zij een jaar na de aankoop nog geen WAM-verzekering had afgesloten.

5.9. [mevrouw X] heeft in haar verklaring van 22 april 2003 (zie onder 2.10) gesteld dat zij door [gedaagde] niet op de hoogte is gesteld van de verzekeringsplicht. [gedaagde] heeft slechts aangevoerd dat [de heer Y] zich niet kan herinneren dat hij haar wel op die plicht heeft gewezen. Nu [de heer Y] de aangewezen persoon was [mevrouw X] te wijzen op haar plicht en hij zich niet kan herinneren dat hij dat ook heeft gedaan, zal de stelling dat hij dit heeft nagelaten, als onvoldoende weersproken als vaststaand worden aangenomen. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] op een ander of later tijdstip [mevrouw X] alsnog heeft ingelicht over haar verzekeringsplicht. Aan bewijslevering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen.

5.10 Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] jegens [mevrouw X] toerekenbaar is tekortgeschoten. Zij dient de daardoor geleden schade te vergoeden aan [eiseres], nu deze door cessie de vordering van [mevrouw X] op [gedaagde] heeft verkregen. De omstandigheid dat mogelijk ook anderen aansprakelijk zouden kunnen zijn (de fietsenmaker, de verzekeringsagent van [mevrouw X] of de organisatoren van de TEFAF) doet niet af aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde].

WAM-verzekering afgesloten?

5.11. Bij de bepaling van de schade geldt als uitgangspunt de situatie die zou zijn ingetreden indien geen sprake was geweest van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde]. [mevrouw X] zou alsdan door [gedaagde] op de hoogte zijn gesteld van haar verzekeringsplicht. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [mevrouw X] desondanks om haar moverende redenen af zou hebben kunnen zien van het afsluiten van een WAM-verzekering. Deze stelling heeft [gedaagde] niet nader onderbouwd. De stelling is zonder nadere motivering ook niet aannemelijk, nu in Nederland de verzekeringsbereidheid en daarmee de dekkingsgraad van de WAM groot zijn. Weliswaar heeft [mevrouw X] in haar verklaring van 22 april 2003 (zie 2.10) verklaard dat zij in de veronderstelling verkeerde dat een WAM-verzekering niet nodig was, nu haar scootmobiel geen licht, rem of richtingaanwijzer had, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat die veronderstelling ook stand had gehouden indien zij door [gedaagde] - aan te merken als een ter zake deskundige - erop gewezen was dat een WAM-verzekering verplicht was. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [mevrouw X] na aankoop van haar scootmobiel een WAM-verzekering zou hebben afgesloten.

Dekking onder WAM-verzekering

5.12. Vervolgens moet worden aangenomen dat [mevrouw X] de schade (tijdig) had aangemeld bij haar WAM-verzekeraar, nu daartegen geen verweer is gevoerd. De WAM-verzekeraar zou zich vervolgens voor de vraag gesteld zien of het incident onder de door de WAM verleende dekking zou vallen.

5.13. [eiseres] heeft zich hierover niet uitgelaten, al is haar ter comparitie uitdrukkelijk verzocht op deze vraag bij akte in te gaan. Kennelijk wenst zij de beantwoording van deze vraag over te laten aan het oordeel van de rechtbank. Overigens heeft [gedaagde] zich op dit punt evenmin uitgelaten.

5.14. De strekking van de Europese regelingen waarvan de Nederlandse WAM een uitwerking is, is om door middel van een verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid ter zake van schade die is veroorzaakt door een motorrijtuig, bescherming te bieden aan slachtoffers van gemotoriseerd verkeer. Vanwege die strekking wordt de reikwijdte van de WAM, zowel wat betreft de voertuigen die eronder vallen als de gebeurtenissen die onder de dekking vallen, ruim uitgelegd.

5.15. Criteria die van belang zijn bij de vaststelling of een schadevoorval onder de WAM valt, zijn onder meer of de schadeveroorzaking verband houdt met het verkeer en karakteristiek is voor door motorrijtuigen veroorzaakte schade. Deze criteria zijn onder meer begrepen in artikel 3 lid 1 van de WAM in de zinsnede “(...)aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven”. Deelname aan het verkeer kan mede plaatsvinden op een terrein dat toegankelijk is voor het publiek of voor een zeker aantal personen die het recht hebben daar te komen (artikel 1 WAM).

5.16. In het onderhavige geval diende de scootmobiel voor het vervoer van [mevrouw X]. Dat vervoer per motorrijtuig vond plaats op een terrein als bedoeld in artikel 1 WAM, nu het beursterrein toegankelijk was voor publiek. In zoverre nam de scootmobiel derhalve deel aan het verkeer. De schade is voorts ontstaan door kennelijke onoplettendheid van [mevrouw X] waardoor de aanrijding met de scootmobiel heeft plaatsgevonden, een schadeoorzaak die karakteristiek is voor motorrijtuigen. De aard en ernst van de onoplettendheid van [mevrouw X] doen niet ter zake omdat deze in het kader van de WAM geen factoren zijn die dekking uitsluiten. Het verweer van [gedaagde] op dit punt treft dan ook geen doel.

5.17. Gelet op het bovenstaande wordt geoordeeld dat het incident gedekt zou zijn door de WAM-verzekering zodat de verzekeraar tot uitkering had dienen over te gaan.

Hoogte schade-uitkering

5.18. Vastgesteld dient te worden welk bedrag de WAM-verzekeraar zou hebben uitgekeerd. De WAM-verzekering geeft dekking voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid zoals deze onder meer in het Burgerlijk Wetboek (BW) is geregeld.

5.19. Ingevolge afdeling 10 van boek 6 BW komt vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. In het onderhavige geval gaat het om een beschadigd kunstwerk met een (gestelde) aankoopwaarde van £ 250.000,00 en een (gestelde) winstmarge van 20%. [eiseres] stelt zich onder verwijzing naar de brief van Alberding (zie 2.6) op het standpunt dat het beeld als totaal verloren moet worden beschouwd, waaruit wordt afgeleid dat zij meent dat het beeld geen restwaarde heeft.

5.20. Dit standpunt kan niet zonder meer worden gevolgd. Voor vergoeding komt in een geval als het onderhavige in beginsel slechts in aanmerking de waardevermindering van het beeld, al dan niet na herstel, hetgeen mede afhankelijk is van de vraag of herstel verantwoord is en leidt tot een hogere restwaarde. [gedaagde] heeft betwist dat het beeld als geheel verloren moet worden beschouwd.

5.21. Nu ter onderbouwing van de schade slechts een (onduidelijke) foto is overgelegd van het beschadigde beeld alsmede een in zeer algemene termen gestelde brief van Alberding waarin een (wetenschappelijke) redengeving voor zijn conclusie ontbreekt, wordt geoordeeld dat onvoldoende is onderbouwd dat het beeld geen enkele restwaarde zou bezitten.

5.22. [eiseres] zal dan ook worden toegelaten zich bij akte (nader) uit te laten over de schade, meer in het bijzonder de waardevermindering van het beeld alsmede de kosten die met herstel gemoeid (zouden) zijn en de gevolgen die herstel heeft/zou hebben voor de restwaarde van het beeld. Zij wordt verzocht zich tevens uit te laten over de wederwaardigheden van het beeld na het incident; de huidige verblijfplaats van het beeld; wie (inmiddels) de eigenaar van het beeld is; of het beeld is (door)verkocht en zo ja, tegen welke prijs. Zij wordt verzocht een en ander zo mogelijk met stukken te onderbouwen. [gedaagde] zal hierop bij akte mogen reageren.

Eigen schuld

5.23. Voorts bepaalt artikel 6:101 BW dat de vergoedingsplicht wordt verminderd indien de schade mede een gevolg is van aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden. Het gaat er hier om of [firmanaam] heeft bijgedragen aan het veroorzaken van de schade. [gedaagde] meent dat dit het geval is omdat de constructie van de pied-de-stalle te licht zou zijn. Zij draagt van haar stelling de bewijslast.

5.24. De pied-de-stalle was gesitueerd in de open ruimte. Eromheen was voldoende (manoeuvreer)ruimte voor (ook) rolstoel- en scootmobielgebruikers. Deze gebruikers was toegang verleend tot de beurs. Dit brengt mee dat de constructie van de pied-de-stalle voldoende stevig diende te zijn voor een toevallige aanraking met een rolstoel of scootmobiel. Bij enige drukte of onoplettendheid van de bezoekers aan de stand kan immers al snel een aanraking plaatsvinden tussen een - al dan niet gemotoriseerde - bezoeker en de pied-de-stalle. De stevigheid van de constructie is temeer van belang daar op die pied-de-stalle een zeer kostbaar beeld stond, kennelijk zonder aparte verankering op of in de pied-de-stalle. Het beeld zou derhalve – indien de pied-de-stalle door aanraking uit zijn evenwicht zou geraken – kunnen vallen en daardoor beschadigen. Dat de opstelling in het algemeen als deugdelijk en gebruikelijk wordt beschouwd voor het tonen van beeldhouwwerk, zoals [eiseres] stelt, doet aan het voorgaande niet af, nu dit niet doorslaggevend is voor de vraag of de constructie in deze specifieke omstandigheden voldoende deugdelijk was.

5.25. Het komt geraden voor in deze kwestie een deskundige te benoemen die zich zal dienen uit te laten over de eisen waaraan een pied-de-stalle moet voldoen om voldoende bestand te zijn tegen normaal gebruik - waaronder toevallige aanrakingen van (gemotoriseerde) bezoekers - in een opstelling als in de stand van [firmanaam] op de TEFAF. De deskundige zal voorts moeten vaststellen of de onderhavige constructie voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Daarnaast zal de deskundige zich dienen uit te laten over de (mogelijke) kracht waarmee [mevrouw X] de pied-de-stalle heeft aangereden en of deze kracht het normale verwachtingspatroon te boven gaat. Daarbij is tevens van belang welk type scootmobiel ten tijde van het incident daadwerkelijk in bezit van [mevrouw X] was (de ‘Samba’, ‘Shoprider’ of een ander type) en welke eigenschappen (waaronder maximumsnelheid en gewicht) deze had, nu daarover uit de stukken geen duidelijkheid verkregen kan worden.

5.26. [gedaagde] zal, als degene op wie de bewijslast van het beroep op eigen schuld rust, zich bij akte dienen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), de aan deze(n) te stellen vragen en de (eigenschappen) van de scootmobiel die tijdens het incident door [mevrouw X] werd gebruikt. [eiseres] zal hierop bij antwoordakte kunnen reageren.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 november 2005 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is vermeld onder 5.22,

bepaalt dat [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zal worden op deze akte bij antwoordakte te reageren;

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 november 2005 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder 5.26,

bepaalt dat [eiseres] in de gelegenheid gesteld zal worden op deze akte bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2005.?